← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:9575

beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd zaakgegevens: C/10/646040 / JE RK 22-2367 datum uitspraak: 21 oktober 2022 beschikking ondertoezichtstelling in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam, betreffende het nog ongeboren kind [naam kind01] , hierna te noemen het ongeboren kind. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam01] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats01] . De kinderrechter merkt als informant aan: [naam02] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats02] . Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 13 oktober 2022, ingekomen bij de griffie op 13 oktober

  1. Op 21 oktober 2022 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: - de moeder, - de vader, - een vertegenwoordigster van de Raad, [naam03], - twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West (hierna: de GI), [naam04] en [naam05]. De feiten Het ouderlijk gezag over het ongeboren kind zal na de geboorte van rechtswege worden uitgeoefend door de moeder. Het verzoek De Raad heeft de ondertoezichtstelling van het ongeboren kind verzocht voor de duur van twaalf maanden. De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van het ongeboren kind. Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek en traumaproblematiek. Daarnaast vertoont zij blowgedrag en heeft zij intensieve begeleiding nodig bij de praktische zaken en bij de verzorging van de broer van het ongeboren kind. De moeder is vaak somber en depressief, waardoor er zorgen zijn of zij voldoende kan aansluiten bij de baby in emotionele zin, zodat de hechting goed verloopt en zij kan bieden wat hij nodig heeft. De moeder verblijft bij ASVZ en gezien wordt dat zij de hulp buiten de deur houdt wanneer het minder goed met haar gaat. Het is de bedoeling dat de moeder met haar kinderen bij ASVZ blijft, zodat er zicht blijft op de baby en de moeder hulp blijft accepteren. Het standpunt van de GI De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. De GI wil zicht houden op het ongeboren kind en op de broer. De moeder heeft veel bereikt in de afgelopen jaren. Het is belangrijk dat de moeder met de kinderen bij ASVZ blijft wonen. De Raad heeft een NIKA-traject aangeraden, maar hier geldt een wachtlijst van zes maanden. De GI vindt het wel belangrijk dat de moeder leert aan te sluiten bij het kind en dat er zicht komt op de hechting. Ook vanuit ASVZ zal hier aandacht voor zijn. Het standpunt van de belanghebbende Desgevraagd heeft de moeder ter zitting te kennen gegeven het eens te zijn met het verzoek. De moeder vindt het fijn dat de GI hulpverlening kan inzetten voor haar kinderen. De moeder heeft wel aangegeven dat het de afgelopen jaren beter met haar gaat dan voorheen. Zij is ook blij met de hulpverlening vanuit ASVZ en heeft een goede relatie met de organisatie. De beoordeling Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat het ongeboren kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De zorgen zijn gelegen in de opvoedomgeving. Bij de moeder is al langere tijd sprake van persoonlijke problematiek. Daarnaast blowt zij veel en vertoont zij somber en depressief gedrag, waardoor zij mogelijk onvoorspelbaar en onvoldoende emotioneel beschikbaar zal zijn voor het ongeboren kind. Dit vormt een risico met betrekking tot de hechting tussen de baby en de moeder. De moeder verblijft met haar tienjarige zoon [naam06] binnen een ouder-kindproject van ASVZ. Hier wordt gezien dat de moeder geregeld aansturing nodig heeft in de verzorging en opvoeding van haar zoon. Ook is zij wisselend in de samenwerking met ASVZ. De kinderrechter acht de betrokkenheid van een jeugdbeschermer door middel van een ondertoezichtstelling noodzakelijk in het belang van het ongeboren kind. Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom het ongeboren kind onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. De beslissing De kinderrechter: stelt het ongeboren kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, gevestigd te Dordrecht, met ingang van 21 oktober 2022 tot 21 oktober 2023; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Verhaart als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober
  2. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 november
  3. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.