Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummers: 10/315298-21 en 10/153586-21 Datum uitspraak: 10 februari 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsman mr. G.W. Wurpel, advocaat te Rotterdam. 1.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 januari 2022. 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3.Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 10/315298-21 onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/153586-21 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en oplegging van de bijzondere voorwaarden als geadviseerd in het (nader in dit vonnis te bespreken) rapport van Reclassering Nederland d.d. 24 november 2021 in de zaak met parketnummer 10/315298-21; oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), te weten dat de verdachte zich met ingang van heden gedurende een periode van 2 jaar niet zal bevinden binnen een straal van 1 kilometer van de Coolsingel in Rotterdam, met bevel dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden; dat zal worden bevolen dat de op te leggen maatregel dadelijk uitvoerbaar is. 4.Waardering van het bewijs Bewezenverklaring zonder nadere motivering Het in de zaak met parketnummer 10/315298-21 onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. Het in de zaak met parketnummer 10/153586-21 ten laste gelegde is door de verdachte eveneens bekend. Er is een noodweer-verweer gevoerd dat hierna zal worden besproken. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. Bewijsoverweging parketnummer 10/315298-21 feit 2 (primair – poging tot zware mishandeling) Standpunt verdediging Betwist is dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Beoordeling De verdachte heeft een grote steen, vermoedelijk een stuk van een stoeptegel of baksteen, met enige kracht in de richting van een groep agenten gegooid. De afstand tussen de verdachte en de groep agenten was niet groot, zo heeft de rechtbank op de ter zitting getoonde en in het dossier beschreven camerabeelden zelf kunnen waarnemen. Eén van de agenten stond direct in de baan van de gegooide steen. Hij moest opzij stappen om niet geraakt te worden, hetgeen hij ook heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat het gooien van een grote steen van zo een korte afstand zwaar lichamelijk letsel had kunnen veroorzaken als de steen de agent had geraakt. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/315298-21 onder 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/153586-21 ten laste gelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/315298-21 onder 1 bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/315298-21 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: In de zaak met parketnummer 10/315298-21: 1 hij op 19 november 2021 te Rotterdam, openlijk, te weten op de Lijnbaan, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en een goed, te weten een ME-bus en de verbalisanten van de Politie Eenheid Rotterdam die in voornoemde ME-bus zaten, door meermalen met een stoeptegel en/of een steen, tegen/in de richting van voornoemde ME-bus en voornoemde inzittenden van de ME-bus te gooien; 2 hij op 19 november 2021 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan één politieagent opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - met kracht een stoeptegel heeft gegooid naar één politieagent terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; In de zaak met parketnummer 10/153586-21: hij op 12 juni 2021 te Rotterdam openlijk, te weten, in het Museumpark, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [naam slachtoffer] door die [naam slachtoffer] meerdere malen tegen het lichaam te slaan en schoppen; Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5.Strafbaarheid feiten en strafbaarheid verdachte. In de zaak met parketnummer 10/153586-21: Standpunt verdediging Door de raadsman is primair een beroep gedaan op noodweer, subsidiair op putatief noodweer. Dit zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Beoordeling Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijk verdediging van (onder meer) zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer is vereist dat de verdachte redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren dat sprake was van een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte] zijn naar aangever toegegaan toen ze hem in het park zagen. Zij gingen verhaal halen om iets wat aangever een vriend van hen zou hebben aangedaan. Medeverdachte [naam medeverdachte] gaf aangever als eerste een vuistslag. Daarna zou aangever een mondelinge bedreiging jegens de verdachte en [naam medeverdachte] hebben geuit en zijn de drie mannen in een worsteling op de grond terecht gekomen. Daarbij hebben de verdachte en de medeverdachte aangever meerdere malen geslagen en geschopt. Getuigen verklaren dat aangever in elkaar werd geslagen door de verdachte en [naam medeverdachte] . Uit het voorgaande blijkt dat het de verdachte en [naam medeverdachte] zijn geweest die de confrontatie met aangever hebben opgezocht en dat het geweld ook van hen beiden kwam. Dat aangever enig fysiek geweld richting de verdachte en [naam medeverdachte] heeft gebruikt is niet gebleken. Dat aangever naar de verdachte zou hebben uitgehaald, zoals de verdediging aanvoert, vindt evenmin steun in de bewijsmiddelen. Van een noodweersituatie is aldus geen sprake geweest. Ook blijkt nergens uit dat sprake was van een situatie waarin de verdachte abusievelijk maar verschoonbaar heeft kunnen menen dat er sprake was van een noodweersituatie. Conclusie Het beroep op (putatief) noodweer wordt verworpen. In de beide zaken:Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De feiten zijn strafbaar en de verdachte is strafbaar. De bewezen feiten leveren op: In de zaak met parketnummer 10/315298-21: Feit 1: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen. Feit 2: Poging tot zware mishandeling. In de zaak met parketnummer 10/153586-21: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. 6.Motivering straf De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Op vrijdagavond 19 november 2021 werd via verschillende social media een demonstratie aangekondigd tegen de coronamaatregelen. Aanvankelijk gaven slechts enkele tientallen mensen gehoor aan deze oproep, maar binnen een half uur groeide dit groepje uit tot een menigte van naar schatting van de politie zo’n duizend man, hoofdzakelijk in het zwart gekleed en met gezichtsbedekking op. De grote menigte en de dreigende sfeer was de reden om naast de politie ook ME in te zetten. De ontstane situatie werd achteraf door meerdere agenten omschreven als een ‘oorlogsgebied’: er werd voortdurend zwaar vuurwerk afgestoken, er werden branden gesticht en mensen belaagden de agenten en andere hulpverleners met stenen en andere harde voorwerpen. Zelfs toen de politie trachtte een veilige situatie te creëren voor de brandweer opdat deze kon blussen, bleven mensen gericht stenen gooien in de richting van de agenten en de brandweerlieden. Dat resulteerde erin dat de brandweer haar pogingen om te blussen moest staken. De agenten hebben waarschuwingsschoten gelost en zich zelfs genoodzaakt gezien om gericht te schieten. Toen de politie op een gegeven moment door de rellende menigte gedwongen werd zich terug te trekken, hebben zij vier politievoertuigen moeten achterlaten. De uitzinnige menigte heeft zich vervolgens op die voertuigen gestort: men trapte en schopte tegen de auto’s en bussen, er werden onder meer fietsen, verkeersborden en tafels gebruikt om de voertuigen kapot te slaan en er werd brand in gesticht. De verdachte heeft deelgenomen aan deze rellen door stenen in de richting van agenten en tegen een politiebus te gooien. Hij heeft verklaard dat hij stenen naar de groep agenten gooide om hen op afstand te houden, maar op de camerabeelden is te zien dat hij zelf op de agenten afloopt en een steen gooit, terwijl zij met een aanhouding bezig waren. Daarna pakt hij alles op wat voor zijn voeten komt en bekogelt meerdere keren een politiebusje. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Ook heeft de verdachte zich op 12 juni 2021 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen door samen met een ander in het openbaar het slachtoffer meermalen te slaan en tegen het lichaam te schoppen. De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 december 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank een rapport van Reclassering Nederland ontvangen, waaruit onder meer het volgende naar voren komt. De verdachte lijkt een redelijk regulier leven te leiden zonder al te veel problemen. Hij woont bij zijn moeder en draagt positief bij aan het huishouden. Hij volgt onderwijs en heeft een bijbaan. Afgezien van een studieschuld bestaan er geen andere schulden en het uitgavenpatroon is stabiel. Een aandachtspunt is daarentegen wel het middelengebruik van verdachte. Hij is gediagnosticeerd met ADHD en stelt dagelijks medicamenteus hasj of wiet te gebruiken, maar het gebruik hiervan kan ook zijn gemoedstoestand versterken. Hij lijkt zijn handelingen enigszins te rechtvaardigen door te stellen dat hij pas tot actie overging nadat de politie in zijn opinie onrechtmatig had gehandeld door op mensen in te rijden. Hiermee doet hij zich voor als iemand die opkwam voor de betrokken personen die vanuit zijn standpunt “in nood verkeerden” en lijkt hij indirect aan te geven dat ook hij slachtoffer is. Daarmee laat verdachte de indruk achter dat hij onvoldoende besef heeft van de gevolgen van zijn handelen en de impact hiervan op de maatschappij en bepaalde individuen. Hij lijkt zich in deze fase vooral zorgen te maken om de gevolgen voor hemzelf. Hier ligt dan ook een mogelijk risico voor herhaling. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact met een meldplicht, de verplichte deelname aan gedragsinterventie I-respect of een soortgelijke cursus gericht op agressiebeheersing. Ten slotte wordt geadviseerd om aan de verdachte de verplichting op te leggen om mee te werken aan controle op het gebruik van drugs en alcohol. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder tegen de achtergrond van de rellen waarbij zij plaatsvonden, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. In strafmatigende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte zijn leven op orde lijkt te hebben, dat hij achteraf spijt lijkt te hebben en dat hij nog jong is. Een deel van de voorgenomen straf zal daarom voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan de verdachte zal daarnaast ook als bijzondere voorwaarde worden opgelegd dat hij een bedrag zal voldoen aan het Schadefonds Geweldsmisdrijven in het kader van het herstel van de -mede door hem- door het onder 2 bewezen verklaarde feit veroorzaakte schade. De verdediging heeft verzocht aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, eventueel in combinatie met een werkstraf, maar de rechtbank volgt daarin de verdediging niet. Met name gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder de openlijke geweldplegingen hebben plaatsgevonden en gelet op het aandeel dat de verdachte daarin heeft gehad, kan met een straf als de verdediging voor ogen staat niet worden volstaan. Aan de verdachte wordt, gelet op zijn jeugdige leeftijd in combinatie met het belang dat hij heeft om op overzienbare termijn zijn leven weer op te pakken, wel een lagere straf opgelegd dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen en de rechtbank wijst de door de officier van justitie daartoe gedane vordering af. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 7.Vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.