beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rekestnummer: C/10/641252 / HA RK 22-700 Beschikking van 16 februari 2023 in de zaak van [verzoekster01] , wonende te [woonplaats01] , verzoekster, advocaat mr. J.B. Kloosterman te Rotterdam, tegen [verweerder01] , wonende te [woonplaats01] , verweerder, advocaat mr. S.G.H. Langeweg te Koog aan de Zaan. Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoekster01] en [verweerder01] . 1 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met 7 producties, het verweerschrift met 2 producties de mondelinge behandeling op 22 oktober 2022 en de spreekaantekeningen van [verzoekster01] , de akte van [verzoekster01] met bijlagen en begeleidende e-mail van mr. Kloosterman van 14 december 2022. 2 De feiten 2.1. [verzoekster01] is op 3 en 4 oktober 2018 mishandeld door [verweerder01] . 2.2. [verweerder01] is daarvoor strafrechtelijk vervolgd. Die vervolging heeft geleid tot een op tegenspraak gewezen vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank van 19 september 2019. Dit vonnis (verder: het strafvonnis) is in kracht van gewijsde gegaan. 2.3. [verzoekster01] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces tegen [verweerder01] en een vordering ingediend tot vergoeding van de door haar als gevolg van de mishandeling geleden schade. Daarbij vorderde zij – voor zover hier van belang – in totaal een bedrag van € 5.115,53 aan materiële schade en € 10.000,00, althans € 7.500,00 aan immateriële schade. 2.4. Bij het strafvonnis is – voor zover hier van belang – : bewezen verklaard dat [verweerder01] [verzoekster01] heeft mishandeld met als gevolg een gebroken oogkas, verlies van een tand en een gebroken tand en pijn bij [verzoekster01] , over de gevolgen die [verzoekster01] van de mishandeling ondervindt het volgende overwogen; “De aangeefster ondervindt tot op de dag van vandaag nog altijd de negatieve gevolgen van hetgeen haar door de verdachte is aangedaan. Zij heeft aanzienlijke gebitsschade opgelopen waarvoor zij nog steeds onder behandeling staat bij de tandarts en de orthodontist. Daarnaast heeft zij een litteken bij haar linkeroksel. Voorts kampt aangeefster blijkens haar verklaring ter terechtzitting nog steeds met psychische klachten.” [verweerder01] veroordeeld om aan [verzoekster01] te betalen een bedrag van € 6.591,84, bestaande uit € 5.091,84 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente, en is [verzoekster01] niet-ontvankelijk verklaard in het resterende deel van haar vordering. 2.5. [verweerder01] heeft het schadebedrag van € 6.591,84 aan [verzoekster01] betaald. 3 Het geschil 3.1. [verzoekster01] verzoekt de rechtbank – samengevat – om: vast te stellen dat [verweerder01] volledig aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden, als gevolg van de mishandeling; een deskundige te benoemen die de materiële schade zal begroten, waarbij rekening wordt gehouden met dat deel van de schade dat al is vergoed op basis van het strafvonnis; [verweerder01] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade tot het bedrag van € 5.000,00 voor de kosten van rechtsbijstand, € 5.000,00 voor de overige materiële schade en € 5.000,00 voor de immateriële schade; [verweerder01] te veroordelen tot betaling van alle kosten die [verzoekster01] moet maken vanaf het moment van het indienen van het verzoekschrift en welke kosten verband houden met deze zaak en de aansprakelijkheid van [verweerder01] . 3.2. [verweerder01] voert verweer. Hij concludeert primair tot verwijzing van de zaak naar de kantonrechter en subsidiair tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster01] in haar verzoek, dan wel afwijzing van het verzoek op alle punten. 4 De beoordeling 4.1. De akte met bijlagen van 14 december 2022 is niet per post maar alleen per e-mail aan de rechtbank toegezonden, zodat niet is voldaan aan het voorschrift voor indienen van de processtukken (art. 1.1.4. van het Landelijk reglement verzoekschriftprocedures). De rechtbank zal de inhoud daarvan toch bij haar beoordeling betrekken omdat uit de begeleidende e-mail van 14 december 2022 van mr. Kloosterman blijkt dat de akte met bijlagen als gevolg van gezamenlijk overleg tussen partijen is toegezonden. Bevoegdheid 4.2. De rechtbank wijst het verzoek van [verweerder01] om de zaak naar de kantonrechter te verwijzen af omdat de civiele kamer van de rechtbank bevoegd is. Dit oordeel baseert de rechtbank op het volgende. 4.3. Het verzoek is gebaseerd op artikel 1019w Rv. Een dergelijk verzoek moet worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt (artikel 1019x BW). Indien die zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, moet het verzoek aan de kantonrechter worden gedaan. Of dat het geval is beoordeelt de rechter summierlijk. 4.4. Niet in geschil is dat de vordering van [verzoekster01] in dit geschil onder 1 van onbepaalde waarde is. Artikel 93 aanhef onder b Rv bepaalt dat dergelijke vorderingen door de kantonrechter worden behandeld en beslist indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. Indien die duidelijke aanwijzingen ontbreken is de civiele kamer van de rechtbank bevoegd. 4.5. Bepalend is daarom of er duidelijke aanwijzingen zijn dat de schade waarvoor [verzoekster01] [verweerder01] wegens de mishandeling aansprakelijk houdt niet hoger zal zijn dan € 25.000,00. De reeds door [verweerder01] aan [verzoekster01] vergoede schade van € 6.591,84 mag daarbij niet worden meegerekend. 4.6. In deze deelgeschilprocedure vordert [verzoekster01] in totaal een voorschot op de schadevergoeding van € 15.000,00. Daarbij komen de kosten van rechtsbijstand in deze procedure en bij de verdere onderhandelingen tussen partijen. Verder is van belang dat [verzoekster01] stelt dat er in de toekomst mogelijk nog nieuwe tandheelkundige ingrepen met aanzienlijke kosten noodzakelijk zullen zijn. 4.7. Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat er in dit stadium geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de schade waarvoor [verweerder01] [verzoekster01] aansprakelijk houdt als gevolg van de mishandeling niet hoger zal zijn dan € 25.000,00. Dit betekent dat [verzoekster01] het deelgeschil bij de civiele kamer van de rechtbank mocht aanbrengen. Het verzoek van [verweerder01] om deze deelgeschilprocedure naar de kantonrechter te verwijzen wordt daarom afgewezen. Ontvankelijkheid 4.8. [verweerder01] stelt dat [verzoekster01] niet-ontvankelijk in haar verzoek moet worden verklaard omdat het verzoekschrift niet aan de vereisten van artikel 1019x lid 3 voldoet. Dit door het ontbreken van het vermoedelijke beloop van de vordering en een deugdelijk zakelijk overzicht van de inhoud en verloop van de onderhandelingen in het verzoekschrift. Niet duidelijk is waar de geschilpunten liggen en [verzoekster01] heeft nagelaten alle correspondentie over te leggen. Het laatste is ook op grond van artikel 21 Rv vereist, aldus [verweerder01] . 4.9. Daarnaast stelt [verweerder01] dat [verzoekster01] niet-ontvankelijk in haar verzoek moet worden verklaard omdat de deelgeschilprocedure in het leven is geroepen voor personen voor wie een trage schadeafwikkeling het meest belastend is. Hij stelt dat het aan [verzoekster01] is te wijten dat de schadeafwikkeling zolang voortduurt omdat zij soms maanden niet reageerde en haar vordering niet voorzag van een deugdelijke onderbouwing. 4.10. De rechtbank oordeelt dat [verzoekster01] ontvankelijk is in haar verzoek en licht dit toe als volgt. 4.11. De gegevens die het verzoekschrift volgens artikel 1019x lid 3 Rv moet bevatten dienen er toe om de rechter in staat te stellen aan de hand van het verzoekschrift te beoordelen of het verzoek een deelgeschil betreft en of er perspectief bestaat op een buitengerechtelijke afwikkeling van de schade. 4.12. Het voorschrift dat een zakelijk overzicht wordt gegeven van het verloop en de inhoud van de onderhandelingen brengt niet mee dat alle correspondentie tussen partijen in het geding moet worden gebracht. Het voorschrift heeft tot doel dat duidelijk wordt op welke punten partijen reeds overeenstemming hebben bereikt en op welke punten niet. Het in het verzoekschrift opgenomen overzicht voldoet daaraan. Daaruit volgt namelijk dat partijen, buiten de op grond van het strafvonnis betaalde schadevergoeding, op geen enkel punt overeenstemming hebben bereikt. [verweerder01] stelt niet dat dit anders is. 4.13. Juist is dat het verzoekschrift het vermoedelijke beloop van de vordering niet vermeldt. Dit staat echter niet in de weg aan de onder 4.11 vermelde beoordeling en rechtvaardigt daarom niet dat [verzoekster01] niet-ontvankelijk in haar verzoek wordt verklaard. 4.14. De deelgeschilprocedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid om in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van wat ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. In verband met dit doel moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv). Daarbij beoordeelt de rechtbank of de bijdrage van de verzochte beslissing zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. 4.15. In een deelgeschilprocedure kan de aansprakelijkheidsvraag die [verzoekster01] aan de rechtbank voorlegt aan de orde komen. Verder is evident dat tussen partijen onduidelijkheid bestaat over het antwoord op de vraag of [verweerder01] de schade volledig moet vergoeden. Daarnaast bestaat er duidelijk een impasse over het antwoord op de vraag of er op dit moment plaats is voor nadere bevoorschotting op de schade en de buitengerechtelijke kosten en de mate waarin [verzoekster01] de door haar gestelde schade dient te onderbouwen. Dat belemmert de voortgang van het schaderegelingstraject en een oordeel van de rechter daarover kan daarom de onderhandelingen verder op gang brengen en bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. 4.16. Dit betekent dat de zaak geschikt is voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De gestelde omstandigheid dat de schadeafwikkeling zolang voortduurt omdat [verzoekster01] soms maanden niet reageerde maakt dat niet anders. Aansprakelijkheid 4.17. [verzoekster01] stelt dat [verweerder01] volledig aansprakelijk is voor de schade die zij door de mishandeling heeft geleden en nog zal lijden. 4.18. [verweerder01] voert als verweer dat de verzochte vaststelling van zijn aansprakelijkheid onnodig is omdat de aansprakelijkheid al op grond van het strafvonnis vast staat. Daarnaast betwist [verweerder01] dat hij volledig aansprakelijk is voor alle schade. Aansprakelijkheid brengt niet mee dat iemand 100% verantwoordelijk is voor de gestelde schade. Partijen hadden een onstuimige relatie en waren tijdens het incident beiden onder invloed van alcohol en GHB. Mogelijk is er daarom sprake van eigen schuld van [verzoekster01] . Het is bij uitstek de rechter in de bodemprocedure die zal moeten vaststellen of hij volledig aansprakelijk is, aldus [verweerder01] . 4.19. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt. 4.20. Vast staat dat [verweerder01] [verzoekster01] op 3 en 4 oktober 2018 heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Dit volgt uit het in kracht van gewijsde strafvonnis (artikel 151 lid 1 Rv) en wordt ook niet door [verweerder01] bestreden. 4.21. Het toebrengen van letsel aan een persoon is onrechtmatig jegens die persoon. Dit betekent dat [verweerder01] aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster01] door de mishandeling lijdt (art. 162 lid 1 BW) en die schade in beginsel volledig moet vergoeden. Een hier relevante uitzondering op dat beginsel geldt indien er sprake is van eigen schuld van [verzoekster01] . 4.22. Duidelijk is dat er tussen partijen discussie bestaat over de vraag of er sprake is van eigen schuld van [verzoekster01] en dat die discussie er ook al was toen het verzoekschrift werd ingediend. De stelling van [verzoekster01] dat [verweerder01] op 11 mei 2021 aan (de advocaat van) [verzoekster01] schreef dat de rechtbank het percentage eigen schuld van [verzoekster01] zou moeten vast stellen, is namelijk niet door [verweerder01] weersproken. 4.23. De kern van het verzoek van [verzoekster01] is daarom kennelijk dat de rechtbank vaststelt dat [verweerder01] verplicht is om de schade volledig te vergoeden. Het verweer van [verweerder01] dat aansprakelijkheid niet meebrengt dat iemand volledig verantwoordelijk is voor de schade en zijn (indirect) beroep op eigen schuld van [verzoekster01] , maakt duidelijk dat hij het verzoek ook aldus heeft begrepen. 4.24. De rechtbank behandelt het beroep op eigen schuld van [verweerder01] in dit deelgeschil en ziet geen aanleiding om dat aan de bodemrechter over te laten. De vraag of er sprake is van eigen schuld kan namelijk ook in een deelgeschil aan de orde komen. [verweerder01] heeft er geen recht op dat daarmee tot de bodemprocedure wordt gewacht. Er is ook geen reden om aan te nemen dat [verweerder01] daar belang bij heeft. Dat wordt ook niet door hem gesteld. 4.25. De rechtbank wijst het beroep van [verweerder01] op eigen schuld van [verzoekster01] af op basis van het volgende. 4.25.1. Van eigen schuld is sprake indien de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (art. 6:101 BW). 4.25.2. Als de partij die het beroep op eigen schuld doet rust op [verweerder01] de plicht om concrete feiten te stellen waaruit volgt dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoekster01] kan worden toegerekend 4.25.3. [verweerder01] baseert zijn beroep op eigen schuld van [verzoekster01] op de stelling dat partijen een onstuimige relatie hadden en tijdens het incident beiden onder invloed van alcohol en GHB verkeerden. 4.25.4. Wat daar ook van zij, daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat de mishandeling mede aan [verzoekster01] kan worden toegerekend. [verweerder01] stelt geen bijkomende feiten of omstandigheden waaruit dat wel volgt. 4.26. Dit alles leidt ertoe dat [verweerder01] aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster01] door de mishandeling lijdt en die schade volledig dient te vergoeden. Ook volgt daaruit dat [verzoekster01] belang heeft bij die vaststelling. Haar verzoek wordt daarom aldus toegewezen. Benoeming deskundige 4.27. Het verzoek om een deskundige te benoemen wijst de rechtbank af omdat er ofwel geen rechtsgrond voor is ofwel het verzoek het bereik van de deelgeschilprocedure te buiten gaat. De rechtbank licht dit toe als volgt. 4.28. Uit de stellingen van [verzoekster01] kan worden opgemaakt dat zij wil dat een deskundige de omvang van de schade gaat vaststellen, dan wel dat deze met partijen over de afwikkeling van de schade gaat overleggen. Vaststelling van de schade is in beginsel aan de bodemrechter voorgehouden en niet aan een deskundige. Dit zou anders kunnen zijn als partijen dat samen overeenkomen en daarvan is in deze zaak geen sprake. De door [verzoekster01] gewenste begeleiding van een deskundige bij de afwikkeling van de schade lijkt een verzoek te zijn tot mediation. Ook dat is alleen op gezamenlijk verzoek van partijen mogelijk. Ook hiervan is in deze zaak geen sprake. 4.29. Indien [verzoekster01] met haar verzoek beoogt dat de te benoemen deskundige partijen en de rechtbank voorlicht over onderwerpen die partijen verdeeld houden, gaat dat het bereik van het deelgeschil te buiten. Een dergelijk verzoek dient namelijk te worden aangemerkt als een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht als bedoeld in artikel 202 Rv. Voor de behandeling van een dergelijk verzoek bestaat reeds een passend procesrechtelijk instrument, specifiek bedoeld om te bewerkstelligen dat de rechter een deskundige benoemt. De verzoekschriftprocedure tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht kent ook eigen, van de deelgeschilprocedure afwijkende, regels ten aanzien van de vergoeding van kosten. Voorschot 4.30. [verzoekster01] verzoekt [verweerder01] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de door haar geleden schade. Het gaat daarbij om na het strafvonnis gemaakte kosten van rechtsbijstand, overige materiële schade en om immateriële schade. 4.31. [verweerder01] betwist dat er plaats is voor een voorschot op de schade. Hij voert daartoe aan dat [verzoekster01] de gestelde schade onvoldoende onderbouwt en dat er geen causaal verband bestaat tussen de mishandeling en de gestelde schade. Ook voert hij als verweer aan dat bij het indienen van de vordering in het strafproces er geen voorbehoud is gemaakt dat het om een voorschot of voorlopige vordering ging. 4.32. Indien [verweerder01] met het laatste verweer bedoelt dat [verzoekster01] geen (aanvullende) vergoeding van de door haar door de mishandeling geleden schade van hem kan vorderen, verwerpt de rechtbank dat verweer. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. 4.33. [verzoekster01] heeft als benadeelde partij in het strafproces tegen [verweerder01] een verzoek tot schadevergoeding ingediend en daarvoor gebruik gemaakt van een daartoe bestemd formulier (onderdeel van bijlage 2 van productie 3). Onderaan de vierde pagina van dit formulier staat: “Ik behoud mij alle rechten voor om via een gerechtelijke procedure (aanvullende) schadevergoeding te verzoeken.” Dit formulier is blijkens het opschrift bestemd voor het strafdossier en niet gesteld is dat [verweerder01] geen kennis van dit formulier heeft genomen. 4.34. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat de vordering van [verzoekster01] als benadeelde partij in het strafproces tegen [verweerder01] als een voorlopige vordering moet worden gezien, dan wel als een vordering tot betaling van een voorschot op de nog nader te begroten schade. 4.35. In het strafproces heeft de rechtbank zich – logischerwijze – beperkt tot de gevorderde schade. Daarover oordeelde de rechtbank dat een gedeelte zo helder is dat beoordeling daarvan in het strafproces kon plaatsvinden en dat [verzoekster01] voor het overige niet-ontvankelijk werd verklaard in die vordering in het strafproces en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter kon wenden. Hiermee is gegeven dat [verzoekster01] ook het recht heeft om van [verweerder01] vergoeding te vorderen van de schade die zij reeds in de strafrechtelijke procedure heeft gevorderd maar ten zake waarvan zij toen niet-ontvankelijk is verklaard. 4.36. Het vorenstaande betekent dat de door [verzoekster01] verzochte voorschotten in deze deelgeschilprocedure kunnen worden beoordeeld. Daarbij is het volgende van belang. 4.37. De aard van de deelgeschilprocedure maakt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat de rechtbank op basis van de stukken die nu in het dossier zitten, moet kunnen vaststellen dat aannemelijk is dat [verzoekster01] een aanspraak heeft op schadevergoeding in aanvulling op de schadevergoeding die haar als benadeelde partij in het strafproces is toegekend, en dat daarom een voorschot van de door [verzoekster01] gevorderde omvang toewijsbaar is. 4.38. Bij de beoordeling of er plaats is voor toewijzing van een voorschot moet de rechtbank ook de belangen van partijen tegen elkaar afwegen. Het belang van [verzoekster01] bij een voorschot ter hoogte van de inmiddels door haar geleden schade is daarbij in beginsel gegeven. Belangen van [verweerder01] die aan toewijzing van een dergelijk voorschot in de weg staan, zijn niet gesteld. Met name is niet gesteld dat er sprake is van het risico van onmogelijkheid van terugbetaling door [verzoekster01] . 4.39. De rechtbank zal hierna achtereenvolgens ingaan op de kosten van rechtsbijstand, de overige materiële schade en de immateriële schade. Kosten van rechtsbijstand 4.40. [verzoekster01] stelt dat de kosten van rechtsbijstand tot aan de indiening van het verzoekschrift € 6.352,50 (21 uur x € 250,00 per uur vermeerderd met BTW) belopen. Zij verwijst daartoe naar de door haar als productie 6 overgelegde declaratie van mr. Kloosterman met bijbehorende urenspecificatie. 4.41. [verweerder01] bestrijdt dat hij die kosten dient te vergoeden. Hij voert daartoe aan dat die kosten niet redelijk zijn, omdat: mr. Kloosterman niet gespecialiseerd is in letselschade of benadeelde partij-zaken, de werkzaamheden van mr. Kloosterman niet efficiënt waren, [verzoekster01] als slachtoffer in eerste aanleg recht heeft op kosteloze rechtsbijstand, ongeacht haar inkomen, een bodemprocedure de aangewezen procedure is en daarin een forfaitair bedrag wordt toegewezen. Verder betwist [verweerder01] dat de overgelegde factuur van mr. Kloosterman door [verzoekster01] is voldaan. 4.42. De rechtbank wijst het verzochte voorschot toe tot het bedrag van € € 2.976,60. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. 4.43. De buitengerechtelijke kosten die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen en om buiten rechte vergoeding daarvan te verkrijgen, moeten in beginsel moeten worden vergoed door de aansprakelijke partij (artikel 6:96 lid 2 BW). Daarbij geldt de dubbele redelijkheidstoets: het moet redelijk en noodzakelijk zijn geweest om deskundige bijstand in te roepen en de daarvoor gemaakte kosten moeten naar hun omvang redelijk zijn. 4.44. Deze maatstaf geldt ook in bodemprocedures. Het forfaitaire tarief dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten dient daarbij slechts als richtsnoer. Daarvan kan worden afgeweken indien [verzoekster01] voldoende onderbouwd stelt dat zij duidelijk meer buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt dan in dit tarief is besloten. 4.45. [verweerder01] betwist niet dat het redelijk en noodzakelijk is dat [verzoekster01] de bijstand van een advocaat heeft ingeroepen. Dit staat daarom tussen partijen vast. 4.46. De regeling voor kosteloze rechtsbijstand aan slachtoffers van geweldsmisdrijven waarop [verweerder01] zich beroept, kan hem niet baten. Die regeling dient namelijk om de toegang tot rechtsbijstand voor die slachtoffers eenvoudiger te maken en niet om nodeloos kosten van rechtsbijstand ten laste van de overheid te brengen. Het feit dat [verzoekster01] geen gebruik van die regeling heeft gemaakt doet er daarom niet aan af dat zij recht heeft op vergoeding van de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand die voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. 4.47. De door [verzoekster01] overgelegde factuur van mr. Kloosterman biedt voldoende onderbouwing voor haar stelling dat zij € 6.352,50 aan kosten van rechtsbijstand heeft gemaakt. De factuur bewijst namelijk dat zij het in rekening gebrachte bedrag verschuldigd werd. 4.48. De rechtbank matigt het uurtarief van mr. Kloosterman tot € 200,00 exclusief btw. Niet betwist is namelijk dat hij niet is gespecialiseerd in letselschade. Het door hem gedeclareerde uurtarief van € 250,00 is naar het oordeel van de rechtbank daarom bovenmatig en dus onredelijk. Een uurtarief van € 200,00 exclusief btw is naar het oordeel van de rechtbank passend. 4.49. De kosten van rechtsbijstand die [verzoekster01] in het kader van het deelgeschil maakt moeten door de rechtbank apart worden begroot (art. 1019aa lid 1 Rv). Daaronder vallen de 4,20 uur die volgens de urenspecificatie van mr. Kloosterman vanaf 22 maart 2022 zijn gemaakt. In de urenspecificatie staat namelijk dat hij op die datum het verzoekschrift is gaan opstellen. Die 4,2 uren rekent de rechtbank daarom hier niet mee. 4.50. De rechtbank oordeelt dat van de resterende 16,8 uur die mr. Kloosterman aan deze zaak heeft besteed slechts 12,3 uur in redelijkheid zijn verricht. Niet weersproken is namelijk dat [verweerder01] voorafgaand aan het deelgeschil geen (onderbouwd) overzicht van de schade ontving. De 6,5 uur die mr. Kloosterman blijkens zijn urenspecificatie bestede aan analyse en uitwerking van de schade en overleg daarover komt daarom bovenmatig voor. De rechtbank houdt daarom slechts rekening met een tijdsbesteding van 2 uur voor deze werkzaamheden. 4.51. Dit alles leidt tot de vaststelling dat [verzoekster01] als gevolg van de mishandeling voorafgaande aan dit deelgeschil (12,3 x € 200,00 = € 2.460,00 + 21%) € 2.976,60 aan kosten van rechtsbijstand heeft gemaakt die voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. De rechtbank neemt aan dat [verzoekster01] de kosten van mr. Kloosterman heeft voldaan nu niet aannemelijk is dat mr. Kloosterman zijn werkzaamheden voor [verzoekster01] zou blijven verrichten als hij niet betaald zou worden voor zijn diensten. Het verzochte voorschot op de kosten van rechtsbijstand wordt daarom tot dat bedrag toegewezen. Overige materiële schade 4.52. Dit onderdeel van het verzoek betreft de materiële schade die [verzoekster01] buiten de kosten van rechtsbijstand door de mishandeling lijdt. [verzoekster01] stelt dat de na het strafvonnis opgekomen schade het bedrag van € 5.000.00 overschrijdt en bestaat uit: tandheelkundige kosten, reis- en parkeerkosten, kosten van een ademcoach, eigen risico van de ziektekostenverzekering, kosten van een aanvullende (tandarts)verzekering, inkomstenderving. 4.53. [verweerder01] betwist dat de gestelde schade is geleden, dat die schade het gevolg is van de mishandeling en als er schade als gevolg van het ongeval is geleden dat deze de gestelde omvang heeft. 4.54. De rechtbank gaat voor zover nodig hierna per schadepost in op de stellingen en verweren van partijen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.