ECLI:NL:RBROT:2023:2148
Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 71.168678.22 Datum uitspraak: 16 maart 2023 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres01] , [postcode01] te [plaats01] , raadsman mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.
1.
Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 15 en 16 februari en 16 maart 2023.
2.
Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3.
Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M.M. Egberts heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 15.000,-.
4.
Geldigheid dagvaarding Ambtshalve beoordeling Inleiding In deze zaak gaat het in het kort om het volgende.
De Wereldbank financierde in de ten laste gelegde periode in een aantal landen projecten in de gezondheidszorg waarvoor lokale partijen materialen inkochten. De aanbestedingen voor die inkoop werden in opdracht van de Wereldbank begeleid door een zogenoemde Short Term Consultant, die daarvoor door de Wereldbank per project werd betaald.
De beschuldiging luidt, kort gezegd, dat de verdachten in het onderzoek Winterkoning zich hebben schuldig gemaakt aan omkoping, doordat zij diezelfde Short Term Consultant hebben betaald om een gunstige uitkomst te krijgen bij de aanbestedingen waarbij zij betrokken waren. Verder zou er gebruik zijn gemaakt van overeenkomsten en facturen op naam van derden om de dubbelrol van de Short Term Consultant te verhullen.
Een belangrijke vraag in deze zaak is in welke hoedanigheid die Short Term Consultant optrad: was hij een ambtenaar zoals bedoeld in artikel 177 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) of was hij dit niet, maar kon hij hiermee worden gelijk gesteld?
Tegen die achtergrond overweegt de rechtbank over de geldigheid van de dagvaarding het volgende.
Een dagvaarding behelst een opgave van het feit dat wordt ten laste gelegd onder vermelding van tijd en plaats en van de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd (artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). De opgave dient voldoende feitelijk en voldoende duidelijk te zijn. Of aan die laatste eisen is voldaan, hangt af van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld en het dossier waarop zij is gebaseerd.
Het onder 1 ten laste gelegde De rechtbank heeft geconstateerd dat de tenlastelegging zowel is gestoeld op de tekst van artikel 177 (oud) Sr als op de tekst van artikel 178a Sr.
Op grond van artikel 177 (oud) Sr is strafbaar (voor zover van belang): “hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten”.
Op grond van artikel 178a Sr worden met ambtenaren in de zin van artikel 177 (oud) Sr gelijkgesteld: “personen in de openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie.”
Ten laste gelegd is dat de verdachte “ een ambtenaar (in dienst van een volkenrechtelijke organisatie, te weten de Wereld Bank), te weten [naam01] ” een gift of belofte heeft gedaan, ten gevolge waarvan “ als ambtenaar in dienst bij de Wereldbank ” de verdachte(n) – samengevat – informatie en adviezen heeft verstrekt.
De rechtbank begrijpt de tenlastelegging zo, dat de opsteller daarvan [naam01] aanmerkt als ambtenaar zoals bedoeld in artikel 177 (oud) Sr, maar kennelijk ook als persoon die in openbare dienst is van een volkenrechtelijke organisatie (artikel 178a Sr). Dat levert een innerlijk tegenstrijdige tenlastelegging op. De wetgever heeft artikel 178a Sr immers juist ingevoerd omdat de daarin genoemde functionarissen die niet vallen onder het ambtenaar-begrip van artikel 177 (oud) Sr toch onder de reikwijdte van die strafbepaling te brengen. Een persoon uit de categorie van artikel 178a Sr is juist géén ambtenaar, maar kan daarmee worden gelijkgesteld.
Het innerlijk tegenstrijdige onderdeel is van wezenlijke betekenis voor de strafrechtelijke beoordeling van het gehele ten laste gelegde feit. De rechtbank zou voor die beoordeling immers een keuze moeten maken tussen de twee hoedanigheden die allebei (gedeeltelijk) ten laste zijn gelegd, maar elkaar uitsluiten. Gelet hierop, en op het debat ter zitting waar – mede naar aanleiding van vragen van de rechtbank – uitvoerig is gesproken over de vraag of [naam01] valt aan te merken als ‘ ambtenaar ’ of als ‘ persoon in (openbare) dienst van een volkenrechtelijke organisatie ’, ziet de rechtbank geen ruimte voor een partiële nietigverklaring.
De dagvaarding zal daarom voor hetgeen onder 1 is ten laste gelegd nietig worden verklaard omdat dit onderdeel niet aan de vereisten van artikel 261 Sv voldoet.
5.
Waardering van het bewijs 5.1.
Vrijspraak feit 2 (contracten valselijk opmaken) Standpunt officier van justitie De verdachte heeft samen met de medeverdachten [medeverdachte01] en [medeverdachte rechtspersoon01] twee valse contracten opgemaakt door daarin valse persoonsgegevens op te nemen en werkzaamheden te vermelden waarvan op voorhand bekend was dat die niet zouden worden verricht. Dit gebeurde om te verhullen dat zij [naam01] betaalden voor een gunstiger positie bij aanbestedingen van de Wereldbank.
Beoordeling De contracten waar het om gaat zijn op enig moment namens [medeverdachte rechtspersoon01] en [bedrijf01] ondertekend, en gedateerd op respectievelijk 23 oktober 2008 en 22 april 2009. Het verwijt is dat de valse inhoud van die contracten ook daadwerkelijk op of omstreeks die betreffende data is opgesteld. De rechtbank kan op basis van het procesdossier en het onderzoek ter zitting echter niet vaststellen dat de verdachte en/of de medeverdachten de contracten daadwerkelijk op of omstreeks die specifieke data hebben opgemaakt. De rechtbank acht dit feit daarom niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
5.2.
Vrijspraak feit 3 (voorhanden hebben van valse facturen) Standpunt officier van justitie Aangevoerd is dat de verdachte, samen met medeverdachten [medeverdachte01] en [medeverdachte rechtspersoon01] valse facturen in de administratie van [medeverdachte rechtspersoon01] voorhanden heeft gehad.
Beoordeling De rechtbank stelt vast dat de verdachte een werknemer was van [medeverdachte rechtspersoon01] en dat de valse facturen zich in de administratie van [medeverdachte rechtspersoon01] bevonden. Uit het dossier volgt echter niet dat de verdachte enige bemoeienis heeft gehad met deze facturen of daarover enige zeggenschap heeft gehad, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte een vals geschrift in de zin van artikel 225, tweede lid, Sr voorhanden heeft gehad. Het onder 3 ten laste gelegde is daarom niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
6.
Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
7.
Beslissing De rechtbank: verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft feit 1; verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, en mrs. M. Timmerman en P.C. Tuinenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 16 maart 2023.
Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1 hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks de periode van september 2007 tot en met juni 2011 en/of de periode van september 2007 tot en met juni 2012 te Beesd, althans in Nederland en/of te Düsseldorf, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een ambtenaar (in dienst van een volkenrechtelijke organisatie, te weten de Wereld Bank), te weten [naam01] , (een) gift(en) en/of belofte(n) heeft gedaan en/of (een) dienst(en) heeft aangeboden, te weten