vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/609304 / HA ZA 20-1176 Vonnis van 22 maart 2023 in de zaak van NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V. , gevestigd te Den Haag, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. L. Schuurs, tegen 1 [naam01] , wonende te [woonplaats01] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. T.W. Phea, 2. [naam02] , wonende te [woonplaats02] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. T.W. Phea, 3. [naam03] , wonende te [woonplaats02] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. A. Tariki. Partijen zullen hierna Nationale Nederlanden, [naam01] , [naam02] en [naam03] (of gezamenlijk [naam01] c.s.) genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 8 juni 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:4410) en de daarin genoemde processtukken; de conclusie na tussenvonnis van Nationale Nederlanden, tevens akte tot eiswijziging, met producties; de antwoordconclusie na tussenvonnis van [naam01] ; de antwoordconclusie na tussenvonnis van [naam02] , met producties; de antwoordconclusie na tussenvonnis van [naam03] ; de akte uitlating producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling in conventie inleiding 2.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of [naam01] , [naam02] en [naam03] eraan hebben bijgedragen dat Nationale Nederlanden voor een bedrag van in totaal bijna € 600.000 ten onrechte aan verzekeringsgelden heeft uitgekeerd. Nationale Nederlanden meent primair dat zij hiertoe hebben samengewerkt in een groep als bedoeld in artikel 6:166 BW en daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn. Subsidiair beroept Nationale Nederlanden zich op een door ieder van hen gepleegde individuele onrechtmatige daad. 2.2. In het tussenvonnis heeft de rechtbank een aantal voorlopige oordelen gegeven en verder een aantal punten opgeworpen waarover partijen zich nog dienden uit te laten. De rechtbank heeft Nationale Nederlanden ook gelegenheid gegeven zich uit te laten over de vraag of zij tot bewijslevering wil worden toegelaten en, zo ja, op welke wijze zij dat bewijs wil leveren. 2.3. In haar conclusie na tussenvonnis heeft Nationale Nederlanden haar eis gewijzigd. De primaire vordering is verminderd met inmiddels ontvangen bedragen van verzekerden in dossiers waarin – in de visie van Nationale Nederlanden – is gefraudeerd en vermeerderd met de kosten van tegen die verzekerden gevoerde procedures. Per saldo komt de gewijzigde primaire vordering (gebaseerd op groepsaansprakelijkheid) neer op een bedrag van € 547.520,27. De subsidiaire vordering op [naam01] (op basis van een individueel door hem gepleegde onrechtmatige daad) is gelijk aan het primair gevorderde bedrag. De subsidiaire vordering op [naam02] komt na de eiswijziging neer op een bedrag van € 68.944,21. De subsidiaire vordering op [naam03] is na eiswijziging € 12.697,83. De eiswijziging is niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en wordt daarom toegestaan. 2.4. In dit vonnis komt de rechtbank tot het oordeel dat van onrechtmatig handelen van [naam01] niet is gebleken. Omdat het handelen van [naam01] in de visie van Nationale Nederlanden cruciaal is om tot groepsaansprakelijkheid te kunnen komen, betekent dit dat daarvan geen sprake is en dat de daarop gebaseerde primaire vordering op ieder van [naam01] c.s. niet kan worden toegewezen. Ook de vordering op [naam01] op grond van een door hem gepleegde individuele onrechtmatige daad is daarmee van tafel. Ten aanzien van [naam02] komt de rechtbank tot de conclusie dat hij deels onrechtmatig heeft gehandeld en dat voor het overige een nadere uitlating van partijen nodig is. Met betrekking tot de vordering op [naam03] zal Nationale Nederlanden tot bewijslevering worden toegelaten. frauduleuze claims 2.5. Nationale Nederlanden heeft gesteld dat uit onderzoek is gebleken dat een aantal claims van verzekerden, die door [naam01] betaalbaar zijn gesteld, frauduleus zijn. Ter onderbouwing van die stelling heeft Nationale Nederlanden het volgende gesteld: i. Onderzoekers hebben onregelmatigheden geconstateerd aan de door die verzekerden ingediende facturen van bedrijven die herstelwerkzaamheden zouden hebben verricht. Die onregelmatigheden bestaan bijvoorbeeld uit gelijke lay-out van facturen van verschillende bedrijven of juist verschillende lay-out van facturen van hetzelfde bedrijf, ontbrekende of onjuiste BTW-vermeldingen, veelvuldige vermelding van dezelfde (schuil)naam (“Racks on Racks”) als auteur van de facturen van verschillende bedrijven, het gebruik van dezelfde referentie op verschillende facturen van hetzelfde bedrijf en vermelding van een schadehersteldatum op de factuur die is gelegen voor de datum waarop de schade zou zijn ontstaan. De onderzoekers hebben contact opgenomen met de bedrijven die op de facturen waren vermeld. De overgrote meerderheid van die bedrijven heeft te kennen gegeven dat de facturen vals zijn. De onderzoekers hebben verder vastgesteld dat bij verschillende van de onderzochte claims dezelfde foto’s ter onderbouwing van de schade waren meegestuurd en dat die foto’s afkomstig waren van internet. Uit GPS-informatie van een aantal andere gebruikte foto’s blijkt bovendien dat die foto’s zijn gemaakt op (of in de nabije omgeving van) het huisadres van [naam02] en (dus) niet op het betrokken schadeadres. Nationale Nederlanden heeft deze stellingen onderbouwd met verschillende onderzoeksrapporten. 2.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Nationale Nederlanden met dit betoog voldoende concreet onderbouwd dat in de door haar onderzochte dossiers sprake is van een frauduleuze claim van de betrokken verzekerde. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat Nationale Nederlanden met een aantal van die verzekerden heeft gesproken, dat zij de fraude hebben erkend en dat met hen een terugbetalingsregeling is overeengekomen die inmiddels tot een aanzienlijke terugbetaling heeft geleid. 2.7. [naam01] c.s. hebben niet concreet betwist dat in de onderzochte dossiers frauduleuze claims zijn ingediend. De rechtbank onderkent dat aan het verweer niet al te hoge eisen gesteld mogen worden, omdat zij niet (meer) binnen Nationale Nederlanden werkzaam zijn en dus geen toegang hebben tot dossiers. De door Nationale Nederlanden gestelde bevindingen zijn echter dermate concreet dat enige mate van concretisering van het verweer ten aanzien van het frauduleuze karakter van de claims wel van [naam01] c.s. had mogen worden verwacht. Dit geldt voor de acht dossiers die al in het rapport van Pinkerton (productie 14 van Nationale Nederlanden) waren uitgewerkt, maar ook voor de overige 245 claims. De onderzoeksbevindingen uit die dossiers zijn immers verwerkt en toegelicht in het rapport dat als productie 1 is overgelegd. Hieraan doet niet af dat Nationale Nederlanden haar productie 25 (een usb-stick met daarop de onderbouwende stukken uit die dossiers) slechts van een summiere leeswijzer heeft voorzien. 2.8. Het voorgaande betekent dat als vaststaand moet worden aangenomen dat in de door Nationale Nederlanden onderzochte dossiers door de verzekerden een frauduleuze claim is ingediend. geen onrechtmatig handelen van [naam01] 2.9. Nationale Nederlanden stelt zich op het standpunt dat [naam01] deze frauduleuze claims betaalbaar heeft gesteld en dat hij dat welbewust heeft gedaan, terwijl hij wist dat deze vals waren. [naam01] heeft dat standpunt betwist. Hij heeft aangevoerd dat het best zou kunnen dat hij claims betaalbaar heeft gesteld die achteraf bleken vals te zijn, maar dat hij dat niet wist en ook niet kon weten. In het navolgende onderzoekt de rechtbank daarom of de door Nationale Nederlanden gestelde feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat [naam01] wel degelijk moet hebben geweten dat het ging om frauduleuze claims. De rechtbank neemt daarbij veronderstellenderwijs aan dat het [naam01] is geweest die al deze claims in zijn rol van schadebehandelaar betaalbaar heeft gesteld. 2.10. Nationale Nederlanden hecht betekenis aan een bepaalde ‘modus operandi’ die bij de indiening en afwikkeling van de hier relevante frauduleuze claims is gebruikt. Deze is volgens Nationale Nederlanden als volgt: - eerst werd telefonisch een claim ingediend, vaak een waterschade; - in de daarop volgende e-mail met onderbouwende stukken werd vaak ook direct een tweede claim opgenomen, meestal een brandschade in de keuken of een stormschade aan zonnescherm of tuinset; - de bij de e-mail gesloten facturen en foto’s vertoonden veel onderlinge overeenkomsten; - kort na binnenkomst werd de e-mail (in strijd met de werkinstructies) direct door [naam01] in behandeling genomen; - [naam01] liet vervolgens beide schades voor een bedrag net onder het maximum waarvoor hij bevoegd was (€ 2.500) uitbetalen. Deze gang van zaken acht Nationale Nederlanden opvallend en daarmee een aanwijzing voor de bewuste betrokkenheid van [naam01] bij de fraude. De overige betrokkenen bij deze fraude waren volgens Nationale Nederlanden, behalve de verzekerden onder wier polis een valse claim werd ingediend, [naam03] die als ronselaar optrad en [naam02] die de indiening van de claim en de onderbouwende stukken verzorgde. 2.11. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank Nationale Nederlanden gelegenheid gegeven zich uit te laten over de vraag of en in hoeverre deze gang van zaken in relevante mate afwijkt van de wijze waarop collega’s van [naam01] schadeclaims hebben afgewikkeld. Bij conclusie na tussenvonnis heeft Nationale Nederlanden in dit verband het ‘rapport betalingspatronen’ overgelegd. Volgens dit rapport worden door de afdeling ‘Household & Fire’ de meeste uitkeringen gedaan in de schadecategorie van € 0 tot € 500 en verder in omvang aflopend tot de hoogste schadecategorie. Het beeld bij [naam01] wijkt volgens het rapport in zoverre af dat het aantal door hem afgehandelde uitkeringen in de categorie € 2.000 tot € 2.500 in de jaren 2015 tot en met 2019 aanzienlijk hoger is dan in de categorieën € 1.000 tot € 1.500 en € 1.500 tot € 2.000. Dit beeld is hetzelfde in twee zogenoemde ‘piekmomenten’ in maart 2017 en juni 2019, waarin [naam01] veel claims heeft afgewikkeld die later frauduleus zijn gebleken. In maart 2017 waren alle door [naam01] afgewikkelde claims in de categorie € 2.000 tot € 2.500 (totaal 13) frauduleus. In juni 2019 gold dit voor 16 van de 17 claims in die categorie, aldus het rapport. Uit het rapport volgt volgens Nationale Nederlanden ook dat [naam01] onevenredig vaak dubbele schades van verzekerden afwikkelde en ook onevenredig vaak brandschades in de keuken en stormschades behandelde. 2.12. Met dit rapport heeft Nationale Nederlanden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende handvatten gegeven om de conclusie te kunnen trekken dat [naam01] bewust betrokken is geweest bij de fraude. De rechtbank licht dit als volgt toe. 2.13. De in het tussenvonnis aan Nationale Nederlanden geboden gelegenheid om zich in dit verband nader uit te laten stond in de sleutel van de vraag welke betekenis gehecht kan worden aan de (vermeende) vaststelling dat [naam01] betrokken is geweest bij de betaalbaarstelling van valse claims. Een louter absoluut aantal betaalbaar gestelde valse claims (volgens Nationale Nederlanden 253 van 122 verzekerden) zegt op zichzelf immers niets. Dat hangt af van de totale hoeveelheid door [naam01] afgehandelde claims, maar ook van het beeld bij collega-schadebehandelaars. De nadere uitlating was dus nodig om de door Nationale Nederlanden gestelde cijfers met betrekking tot [naam01] op waarde te kunnen schatten. 2.14. Het ‘rapport betalingspatronen’ biedt dit inzicht niet. Zo heeft Nationale Nederlanden niets gesteld ten aanzien van de vraag of het takenpakket van [naam01] in relevante mate vergelijkbaar is met dat van collega’s. Dat is van belang, omdat het rapport suggereert dat iedereen hetzelfde doet en dat daarom een substantieel afwijkend betalingsgedrag betekenisvol is. Als niet kan worden aangenomen dat alle schadebehandelaars binnen ‘Household & Fire’ eenzelfde takenpakket hebben, kan aan louter een cijfermatige vergelijking van het gedrag van [naam01] met het gedrag van de afdeling als geheel niet zonder meer betekenis worden gehecht. Dit geldt meer concreet ook voor de observaties in het rapport ter zake van het onevenredig hoge aantal brand- en stormschades die door [naam01] zouden zijn afgewikkeld. Bedacht moet worden dat het hier gaat om een periode van zes jaar (2013-2019), waarin [naam01] volgens het rapport zestien respectievelijk veertien van deze schades heeft behandeld, terwijl [naam01] onbetwist heeft gesteld dat hij geacht werd drie schades per uur te behandelen. Of het aantal brand- en stormschades substantieel meer is dan zijn collega’s, hangt af van het takenpakket van die collega’s en ook van de vraag of die collega’s net zo lang als [naam01] op de desbetreffende afdeling hebben gewerkt. Nationale Nederlanden heeft op dat punt niets gesteld. In het licht van de overwegingen in het tussenvonnis had het op haar weg gelegen om op dit punt meer inzicht te geven. 2.15. In de tweede plaats geldt het volgende. Nationale Nederlanden acht van belang dat [naam01] heeft gehandeld in strijd met de werkinstructie om de oudste dossiers eerst af te handelen. Bij conclusie na tussenvonnis heeft Nationale Nederlanden in dit kader enkele verklaringen van leidinggevenden en e-mails overgelegd. Deze onderbouwing overtuigt niet. Al bij conclusie van antwoord heeft [naam01] aangevoerd dat prioriteit gegeven moest worden aan ‘bellers’, dat wil zeggen verzekerden die belden met vragen over de stand van zaken. Het zo snel mogelijk afhandelen van de claim van een verzekerde die telefonisch contact opnam kwam de klanttevredenheid ten goede en daarop werd de afdeling van [naam01] volgens hem afgerekend. Nationale Nederlanden heeft deze stelling niet betwist. Uit de bij conclusie na tussenvonnis overgelegde stukken volgt eerder een aanwijzing voor de juistheid van deze stelling. In zoverre kan dus niet worden aangenomen dat [naam01] handelde in strijd met de werkinstructies. Verder is van belang dat [naam01] onbetwist heeft aangevoerd dat hij in de zes jaar dat hij voor Nationale Nederlanden heeft gewerkt nooit op handelen in strijd met de werkinstructies is aangesproken, terwijl er wel doorlopend kwaliteitscontroles werden uitgevoerd. Handelen in strijd met de werkinstructies door [naam01] is dus niet komen vast te staan. 2.16. In dit verband is – ten derde – ook het volgende van belang. Al bij antwoord heeft [naam01] aangevoerd dat het niet tot zijn takenpakket hoorde om facturen en foto’s op onregelmatigheden te controleren, bijvoorbeeld door het controleren van metadata van die documenten. Cursussen en trainingen om signalen van fraude te herkennen stonden volgens [naam01] alleen open voor eigen medewerkers en niet voor uitzendkrachten zoals hij. Het ging volgens hem vooral om het zo kort mogelijk houden van de doorlooptijd van een claim, omdat zijn afdeling daarop werd afgerekend. Tegen de achtergrond van dit verweer kon Nationale Nederlanden niet volstaan met de in algemene bewoordingen opgestelde verklaring van de toenmalige leidinggevende van [naam01] dat een nieuwe medewerker “uiteraard” werd geleerd “om kritisch te zijn op hetgeen werd toegezonden” en dat daarbij hoort het verifiëren van een claim “a.d.h.v. Googlemaps of andere informatiebronnen”. 2.17. In de vierde plaats geldt dat er ook met inachtneming van de nadere uitlating bij conclusie na tussenvonnis sprake is van feitelijke constateringen die niet te rijmen zijn met de door Nationale Nederlanden gestelde frauduleuze modus operandi. Onverklaard blijft dat enkele verzekerden met wie Nationale Nederlanden heeft gesproken hebben verklaard niets van de frauduleus ontvangen uitkering aan iemand te hebben afgedragen (zie ook 4.16 van het tussenvonnis). De door Nationale Nederlanden gegeven mogelijke verklaringen zijn in hoge mate speculatief. De suggestie dat dit deel van die verklaringen in strijd met de waarheid zou kunnen zijn, laat zich lastig rijmen met de waarde die Nationale Nederlanden voor het overige aan die verklaringen hecht. Uit de bij conclusie na tussenvonnis overgelegde stukken blijkt ook dat [naam01] claims van boven de € 2.500 heeft afgehandeld waarvan later is vastgesteld dat deze vals waren. Dit is relevante informatie die Nationale Nederlanden niet eerder in de procedure heeft ingebracht. Zij heeft niet toegelicht waarom zij hiermee niet eerder is gekomen (artikel 21 Rv). Dat [naam01] ook (later gebleken) valse claims van hoger dan € 2.500 heeft afgehandeld, is strijdig met de door Nationale Nederlanden als betekenisvol gepresenteerde modus operandi. Bovendien betekent dit dat [naam01] kennelijk valse claims voor goedkeuring heeft voorgelegd aan zijn leidinggevende, omdat de claim immers zijn betaalbevoegdheid te boven ging. Als [naam01] bewust betrokken was bij de fraude ligt dit niet direct voor de hand. 2.18. Nationale Nederlanden heeft erop gewezen dat [naam01] zelf staat vermeld als “auteur” respectievelijk als “laatst gewijzigd door” in de metadata van twee Word-documenten bij valse claims uit 2013. Bovendien zijn deze documenten pas opgemaakt nadat de claim al was geregistreerd en zelfs betaalbaar gesteld, aldus Nationale Nederlanden. [naam01] heeft bestreden dat hieruit volgt dat hij betrokken is geweest bij de fraude. Hij heeft aangevoerd dat hij zich deze specifieke claims niet kan herinneren. Ook heeft hij gewezen op mogelijke verklaringen die verband houden met de werkwijze op de afdeling van [naam01] en op een mogelijke verkeerde datum- en tijdinstelling op de computer van de verzekerde. Op voorhand kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat de door [naam01] geopperde verklaringen juist zijn. Daarbij is van belang dat, voor zover [naam01] in dit verband gewezen heeft op bepaalde feitelijkheden in de werkwijze, deze feiten niet zijn betwist. Ook van belang is dat een meer op deze specifieke claims toegespitste betwisting bezwaarlijk van [naam01] kan worden verwacht, gegeven de ouderdom ervan en de hoeveelheid claims die [naam01] in de loop der tijd heeft afgehandeld. Al met al geldt dat de hier bedoelde omstandigheid onvoldoende is om te kunnen bijdragen aan de conclusie dat [naam01] gedurende een periode van ruim zes jaar moedwillig aan een grootschalige fraude heeft bijgedragen. 2.19. Verder hecht Nationale Nederlanden belang aan het gegeven dat [naam01] en [naam02] elkaar kennen en dat [naam01] begin 2020 twee claims van [naam02] zelf heeft afgehandeld, waarvan later de valsheid is vastgesteld. Dit feit als zodanig kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin bijdragen aan de conclusie dat [naam01] in het complot zat. Dat zou mogelijk anders zijn als zou moeten worden aangenomen dat [naam01] wist dat hij claims van een bekende in behandeling had, maar hij heeft dat betwist en gelet op het grote aantal dossiers dat [naam01] heeft behandeld kan niet worden gezegd – anders dan Nationale Nederlanden meent – dat deze betwisting op voorhand ongeloofwaardig is. Hetzelfde geldt voor de stelling van Nationale Nederlanden dat telefoontjes van verzekerden in werkelijkheid steeds door [naam02] werden gepleegd. Niet zonder meer kan worden aangenomen dat [naam01] moet hebben geweten dat het in werkelijkheid [naam02] was die hij aan de telefoon had. 2.20. Dat [naam01] en [naam02] elkaar kennen staat overigens niet ter discussie. Dat blijkt uit het feit dat zij sinds 12 december 2019 beiden bestuurder zijn van [bedrijf01] , een vennootschap die overigens voor die tijd al bestond. Van belang acht de rechtbank dat echter niet. [naam01] heeft aangevoerd dat hij en [naam02] slechts zakelijk contact hebben. Nationale Nederlanden acht dat onwaarschijnlijk, maar zij heeft daarvoor geen concrete aanknopingspunten gegeven. Met name is in haar onderzoek kennelijk niet gebleken dat [naam01] en [naam02] al (veel) langer en hechter met elkaar omgaan. Ook is niet gebleken dat [naam01] en [naam03] elkaar kennen. Het enkele bestaan van een zakelijke relatie sinds eind 2019 is bepaald onvoldoende om te kunnen dienen als aanknopingspunt voor de gedachte dat [naam01] en [naam02] intensief samenwerken om verzekeringsfraude te plegen. 2.21. Nationale Nederlanden hecht nog betekenis aan het feit dat enkele verzekerden, die een valse claim hebben ingediend, hebben verklaard te hebben begrepen dat er ‘iemand binnen Nationale Nederlanden’ was die de valse claim veilig kon afwikkelen. In het licht van alle hiervoor besproken omstandigheden is ook deze stelling van onvoldoende gewicht. Het punt is dat (ook) de hier bedoelde verklaringen alleen op waarde geschat kunnen worden indien een verantwoord inzicht bestaat in de relatieve omvang van de fraude. Het gaat hier hoe dan ook slechts om een handvol verklaringen, terwijl kennelijk 122 verzekerden een valse claim hebben ingediend over een periode van zes jaar en Nationale Nederlanden niet duidelijk heeft gemaakt hoe zich een en ander verhoudt tot gedragingen van anderen binnen Nationale Nederlanden en tot de hoeveelheid afgehandelde claims door [naam01] en collega’s. 2.22. De slotsom van al het voorgaande is dat Nationale Nederlanden onvoldoende heeft onderbouwd dat [naam01] opzettelijk heeft bijgedragen aan het doen uitkeren door Nationale Nederlanden van frauduleuze claims. Aan het geven van de mogelijkheid tot bewijslevering komt de rechtbank daarom niet toe. Daarbij tekent de rechtbank aan dat de in het tussenvonnis geboden gelegenheid tot een nadere uitlating juist specifiek bedoeld was om de onderzoeksbevindingen van Nationale Nederlanden op waarde te kunnen schatten en dat inzicht heeft zij onvoldoende gegeven. Dit betekent dat opzet bij [naam01] niet kan worden vastgesteld. Daarmee valt ook het verwijt van onrechtmatig handelen weg. Nationale Nederlanden verwijt [naam01] immers – terecht – niet dat hij reeds onrechtmatig heeft gehandeld door uitkeringen betaalbaar te stellen waarvan hij niet wist en ook niet behoorde te weten dat zij frauduleus waren. conclusie: geen vordering op [naam01] , geen groepsaansprakelijkheid 2.23. De onrechtmatige betrokkenheid van [naam01] bij de betaling van frauduleuze claims is niet komen vast te staan. Dit betekent in de eerste plaats dat hij niet aansprakelijk is op basis van een individuele onrechtmatige daad. In de tweede plaats betekent dit dat geen van [naam01] c.s. aansprakelijk zijn op grond van groepsaansprakelijkheid. In het betoog van Nationale Nederlanden is de (onrechtmatige) betrokkenheid van [naam01] immers cruciaal om te kunnen komen tot het aannemen van groepsaansprakelijkheid. Nu die betrokkenheid niet is komen vast te staan, valt ook jegens [naam02] en [naam03] de grond onder groepsaansprakelijkheid weg. De primaire vordering is dus jegens geen van [naam01] c.s. toewijsbaar. Ten aanzien van [naam01] is ook de subsidiaire vordering niet toewijsbaar. opzet tot misleiding onder eigen verzekering [naam02] 2.24. Omdat [naam02] niet aansprakelijk is op grond van groepsaansprakelijkheid, komt het in zijn geval aan op de vraag of zijn eigen handelen leidt tot een betalingsverplichting jegens Nationale Nederlanden. In de dagvaarding heeft zij gesteld dat [naam02] “rechtstreeks kan worden gelinkt aan een veelheid van onterecht uitbetaalde claims.” Volgens Nationale Nederlanden heeft [naam02] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.