Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/075002-21 Datum uitspraak: 21 maart 2023 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] (Turkije) op [geboortedatum01] 1973, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres01] , [postcode01] [plaats01] , raadsman mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam. 1 Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 maart 2023. 2 Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 Eis officier van justitie De officier van justitie mr. J.B. Uiterwijk heeft gevorderd: bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt officier van justitie De primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) kan wettig en overtuigend worden bewezen. De aanrijding is aan de schuld van de verdachte te wijten en daarbij is sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. 4.1.2. Standpunt verdediging De verdachte moet van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van schuld in de zin van dit artikel. De subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW kan wel worden bewezen. 4.1.3. Vaststaande feiten De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag. De verdachte is betrokken geweest bij een verkeersongeval op 3 juli 2020, omstreeks 14:42 uur, op de kruising van de Molenvliet met de Pythagorasweg in Rotterdam. Hij kwam met zijn bedrijfsauto aanrijden over de Molenvliet in de richting van de Colosseumweg en sloeg rechtsaf de Pythagorasweg in. Parallel aan de Molenvliet bevindt zich aan de rechterzijde een fietspad dat is verhoogd ten opzichte van de rijbaan en daarnaast bevindt zich aan de rechterzijde ook een trottoir. De Molenvliet betreft een doorgaande weg. Bij de kruising met de Pythagorasweg moet afslaand verkeer voorrang verlenen aan al het doorgaande verkeer, waaronder het verkeer op het fietspad. In verband daarmee is deze kruising voorzien van een verhoogde uitritconstructie. Over dit fietspad kwam vanuit dezelfde richting als de verdachte een bromfietser, genaamd [slachtoffer01] , met haar passagier [slachtoffer02] (hierna: de slachtoffers) aanrijden. Op het moment dat de verdachte rechtsaf wilde slaan waren zij de kruising dicht genaderd. Zij reden rechtdoor en hadden dus voorrang op de verdachte. De verdachte heeft hen niet opgemerkt en heeft hen als gevolg daarvan geen voorrang verleend en is daarbij met de bromfiets en beide personen in botsing gekomen. De door [slachtoffer01] bestuurde scooter is frontaal tegen de zijkant van de bedrijfsauto van de verdachte gereden. Beide slachtoffers kwamen met hun hoofd tegen de zijruit van de bedrijfsauto aan, werden door de klap terug geslingerd en kwamen vervolgens op de grond terecht. Verbalisanten die voorafgaand aan het ongeval op de Molenvliet in een politieauto achter de verdachte reden, hebben de aanrijding zien gebeuren en hebben ook gezien wat kort daarvoor plaatsvond. Op basis van hun bevindingen – die door de verdediging niet worden betwist – stelt de rechtbank vast dat de verdachte tientallen meters voor de kruising met de Pythagorasweg de op het fietspad rijdende scooter inhaalde, voor de kruising kort remde en vervolgens zonder te remmen, in een vloeiende doorgaande beweging de uitritconstructie opreed. Blijkens de bevindingen van de Verkeersongevallenanalyse is niet gebleken van een infrastructurele oorzaak die ten grondslag kan hebben gelegen aan het ontstaan van het ongeval en hebben zich ook geen bijzondere weersomstandigheden voorgedaan die daarop van invloed zouden kunnen zijn geweest. Het was licht en droog. Ook was de wegsituatie duidelijk en overzichtelijk. 4.1.4. Is er schuld van de verdachte in de zin van artikel 6 WVW? Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat sprake is van schuld kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van een ongeval worden afgeleid. Ook behoeft een beperkte, tijdelijke onoplettendheid in het verkeer nog geen schuld op te leveren. Om een aanmerkelijke, dan wel een sterkere mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vast te kunnen stellen, dient de rechtbank te kijken naar alle vaststaande feiten en omstandigheden van het geval. De rechtbank constateert dat de scooter voor de verdachte zichtbaar moet zijn geweest op het moment dat hij over de Molenvliet reed en de scooter inhaalde en ook voordat hij rechtsafsloeg. De verdachte zegt de scooter op beide momenten niet gezien te hebben. De rechtbank stelt gelet hierop vast dat hij zich onvoldoende heeft vergewist of het fietspad vrij was van verkeer en daarmee onvoldoende oplettend is geweest. De verdachte heeft verklaard dat hij voordat hij rechtsafsloeg goed heeft gekeken (in zijn buitenspiegels en over zijn rechter schouder) of er verkeer aan kwam over het fietspad. Gelet op de omstandigheid dat de scooter daarbij voor hem zichtbaar moet zijn geweest, stelt de rechtbank vast dat hij niet goed genoeg gekeken heeft. Ook mag van een gemiddeld oplettende en verstandige weggebruiker worden verwacht dat hij reeds voorafgaand aan het naderen van een kruising kijkt of er ander verkeer is dat deze kruising nadert, zeker als het verkeer betreft dat hij voorrang moet verlenen. Gelet op de omstandigheid dat de scooter bij het aan komen rijden en inhalen daarvan voor hem zichtbaar is geweest, maar hij deze niet heeft gezien, heeft de verdachte dat niet gedaan. Dat de slachtoffers met een scooter reden op een fietspad, hetgeen niet is toegestaan, en volgens de bevindingen van de verbalisanten de kruising snel naderde en geen snelheid verminderde, doet hier niet aan af omdat de verdachte bij deze kruising aan hen voorrang had moeten verlenen. De rechtbank is van oordeel dat – anders dan de officier van justitie heeft gesteld – niet kan worden vastgesteld dat de verdachte kort vóór die aanrijding bezig is geweest met zijn telefoon dan wel dat dit van invloed is geweest op het ontstaan van de aanrijding. Uit de bevindingen met betrekking tot het onderzoek aan zijn telefoon blijkt wel dat de verdachte enige minuten voor het ongeval een telefoongesprek heeft gevoerd, hetgeen de verdachte op de zitting ook heeft bekend. De verdachte heeft aangegeven dat hij handsfree heeft gebeld, met een oortje. Op basis hiervan kan echter niet worden vastgesteld of hij daarbij zijn telefoon in de hand heeft gehouden dan wel met de hand heeft bediend of dat de telefoon in zijn zak zat en door hem via een oortje kon worden bediend. De enkele omstandigheid dat het scherm van zijn telefoon na het voeren van dit gesprek tweemaal opnieuw aanging, is daarvoor onvoldoende, nu niet kan worden uitgesloten dat dit ook kan zijn gebeurd via de bediening aan het oortje. Gelet op het voorgaande is bewezen dat de verdachte door zich er onvoldoende van te vergewissen of het fietspad vrij was van verkeer, een verkeersovertreding heeft begaan en daarmee de aanrijding heeft veroorzaakt. Echter, omdat sprake is van een enkele verkeersovertreding en een beperkte, tijdelijke onoplettendheid van de verdachte, is deze gedraging van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als (ten minste) aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam handelen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. De verdachte wordt daarom van het primair tenlastegelegde vrijgesproken. 4.1.5. Is er sprake van overtreding van artikel 5 WVW? De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich door zijn handelen heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW. Hij heeft met dit verkeersgedrag gevaar op de weg veroorzaakt en dit gevaar voor andere weggebruikers heeft zich daadwerkelijk verwezenlijkt in het verkeersongeval. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 3 juli 2020 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Molenvliet en de Pythagorasweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die wegen werd veroorzaakt, welk genoemd gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, - op die kruising rechtsaf is gaan slaan en - bij het oprijden van het parallel gelegen fietspad zich onvoldoende ervan heeft vergewist of dat fietspad vrij was van verkeer en - niet heeft opgemerkt dat een bromfietser, genaamd [slachtoffer01] , met haar passagier [slachtoffer02] die kruising (inmiddels) dicht genaderd waren, en - die [slachtoffer01] en [slachtoffer02] niet heeft laten voorgaan, - hij, verdachte, in botsing of aanrijding is gekomen met die [slachtoffer01] , waardoor die [slachtoffer01] en haar passagier [slachtoffer02] ten val kwamen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5 Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 6 Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7 Motivering straffen 7.1. Algemene overweging De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft als bestuurder van een bedrijfsauto onvoldoende oplettendheid betracht in het verkeer en daarmee gevaar op de weg veroorzaakt door bij het naderen van de kruising en voorafgaand aan het rechtsafslaan bij deze kruising onvoldoende goed te kijken of er over het fietspad verkeer naderde dat hij voorrang moest verlenen. Daardoor heeft hij de slachtoffers die daar op een scooter aan kwamen rijden niet gezien, geen voorrang verleend en aangereden. Beide (jonge) slachtoffers hebben bij deze aanrijding ernstig letsel opgelopen, namelijk een wond in de hals dan wel het gezicht, waar zij beiden (een) (mogelijk blijvend) ontsierend(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.