Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/210685-21 Datum uitspraak: 21 maart 2023 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] (Bulgarije) op [geboortedatum01] 2001, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres01] , [postcode01] Dordrecht, raadsvrouw mr. J. van Wingerden, advocaat te Dordrecht 1 Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 maart 2023. 2 Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij als bestuurder van een auto een aanrijding veroorzaakt heeft waardoor anderen (zwaar) lichamelijk letsel hebben opgelopen. 3 Eis officier van justitie De officier van justitie mr. J.B. Uiterwijk heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren; veroordeling van de verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde tot een geldboete van € 500,= voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt verdediging De verdachte moet van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Er is evenmin bewijs voor het creëren van een gevaarzettende situatie als bedoeld in artikel 5 WVW, zodat hij ook van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Vast staat dat de verdachte op de Oranjelaan in Dordrecht met zijn auto op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is terechtgekomen en het verkeersongeval daardoor heeft plaatsgevonden, maar hoe dat heeft kunnen gebeuren, is onduidelijk. Er is onvoldoende bewijs dat het rijgedrag van de verdachte de oorzaak hiervan is. Dat de verdachte daar, mede gelet op de bocht in de weg, met een te hoge snelheid heeft gereden kan niet (met voldoende zekerheid) worden vastgesteld. Ook kan niet worden vastgesteld dat er causaal verband bestaat tussen deze gedraging en het verkeersongeval. De verklaringen van getuigen waaruit het beeld naar voren komt dat de verdachte (onder meer) met een (veel) te hoge snelheid zou hebben gereden, komen inhoudelijk nauwelijks met elkaar overeen en vinden geen of onvoldoende bevestiging in het objectief bewijs, te weten de bevindingen met betrekking tot de camerabeelden waarop de passerende auto’s – waaronder de door de verdachte bestuurde auto – vlak voor de aanrijding te zien zijn. De verbalisant die deze camerabeelden heeft bekeken, heeft beschreven dat op de camerabeelden te zien is dat de verdachte harder reed dan het overige verkeer, maar hoe hard dat overige verkeer dan precies reed (precies 50 kilometer per uur of zachter) kan op geen enkele wijze worden bepaald. De verdachte en zijn broer [slachtoffer01] die bij hem in de auto zat, hebben verklaard dat zij met een normale snelheid hebben gereden. Gelet op de bocht in de weg kan daar ook niet veel harder worden gereden dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Verder kan niet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat hij reed met een rechter voorband die niet aan de wettelijke eisen voldeed van invloed is geweest op het ontstaan van de aanrijding. 4.1.2. Beoordeling Vaststaande feiten De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag. De verdachte is betrokken geweest bij een verkeersongeval op 14 december 2020, omstreeks 14:30 uur, op de Prins Hendrikbrug, die is gelegen in de Oranjelaan in Dordrecht. Hij kwam met zijn auto aanrijden over de Oranjelaan in de richting van de Merwedestraat en kwam op het brugdek van de Prins Hendrikbrug op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer terecht. Hij kwam vervolgens haaks op die rijbaan en botste met de linkerzijde tegen de voorzijde van de tegemoetkomende personenauto met aanhanger, bestuurd door het slachtoffer [slachtoffer02] . Bij deze aanrijding zijn de inzittenden van beide voertuigen gewond geraakt. De broer van de verdachte, het slachtoffer [slachtoffer01] , die als passagier bij hem in de auto zat, heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit een breuk in het bekken. [slachtoffer02] had als gevolg van de aanrijding blauwe plekken en kneuzingen. De verdachte heeft ook zelf (zeer) zwaar lichamelijk letsel opgelopen bij deze aanrijding. Is er schuld van de verdachte in de zin van artikel 6 WVW (feit 1 primair)? Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat sprake is van schuld kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van een ongeval worden afgeleid. Ook behoeft een beperkte, tijdelijke onoplettendheid in het verkeer nog geen schuld op te leveren. Om een aanmerkelijke, dan wel een sterkere mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vast te kunnen stellen, dient de rechtbank te kijken naar alle vaststaande feiten en omstandigheden van het geval. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Drie getuigen van het ongeval (de getuigen [getuige01] , [getuige02] en [getuige03] ) hebben verklaard over het verkeersongeval en over het rijgedrag van de verdachte kort voor dit verkeerongeval, onder meer over de opvallende hoge snelheid waarmee hij toen heeft gereden. Deze getuigen reden zelf ook op de Oranjelaan en hebben het ongeval zien gebeuren. [getuige01] reed met zijn auto achter de verdachte (met nog één auto ertussen) en [getuige02] reed op de fiets op het fietspad naast de rijbaan en zag de verdachte kort voor het ongeval voorbij rijden in de richting van de Prins Hendrikbrug. [getuige03] reed met zijn auto op de Prins Hendrikbrug direct achter de auto van het slachtoffer [slachtoffer02] . Zoals de verdediging heeft aangevoerd zijn er verschillen in de verklaringen van deze getuigen, maar de rechtbank acht deze verschillen verklaarbaar gelet op de verschillende (waarnemings)posities van deze getuigen en de wijze waarop zij deelnamen aan het verkeer. De rechtbank is van oordeel dat deze relatief kleine verschillen de betrouwbaarheid van hun verklaringen daarom juist versterken. Daarnaast vinden deze verklaringen ondersteuning in objectief bewijs, namelijk de processen-verbaal van twee verbalisanten, die afzonderlijk van elkaar de camerabeelden van een woonhuis waarop de passerende auto’s te zien zijn, hebben bekeken. Beide verbalisanten hebben vastgelegd dat zij op de beelden de verdachte aanzienlijk sneller zien rijden dan de andere passerende auto’s. De rechtbank zal deze getuigenverklaringen en deze processen-verbaal van bevindingen dan ook gebruiken voor het bewijs. Op basis van deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte met een fors hogere snelheid heeft gereden dan ter plekke toegestaan en in de gegeven verkeersomstandigheden verantwoord was. Deze te hoge snelheid heeft naar het oordeel van de rechtbank in wezenlijke mate bijgedragen aan het verliezen van de controle over (de besturing van) het voertuig. Uit onder andere de verklaringen van getuigen en de bevindingen van de Verkeersongevallenanalyse (hierna: de VOA) naar de aangetroffen situatie en de sporen op de weg, blijkt dat de verdachte vlak voor de Prins Hendrikbrug de controle over zijn auto kwijtraakte en in een slip raakte. Als gevolg daarvan reed of gleed hij op de Prins Hendrikbrug over de doorgetrokken streep en kwam hij zo op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer terecht, met de aanrijding tot gevolg. Uit het onderzoek door de VOA is niet gebleken van andere factoren die van invloed kunnen zijn geweest op ontstaan van het verkeersongeval. Er is geen infrastructurele oorzaak, die ten grondslag kan hebben gelegen aan het ontstaan van het ongeval. Ook was geen sprake van bijzondere weersomstandigheden, die daarop van invloed zouden kunnen zijn geweest. Het was licht en geheel bewolkt. Het wegdek was nat/vochtig, maar schoon. Mogelijk dat dat natte wegdek een versterkende rol heeft gespeeld in het verliezen van de controle over het voertuig, maar die omstandigheid komt volledig voor rekening van verdachte en had juist een reden moeten zijn om met een op de situatie ter plaatse aangepaste lagere snelheid naar de bocht en de brug te rijden. Er was geen sprake van spoorvorming, waardoor het weg- en stuurgedrag alsmede de stabiliteit van de auto van de verdachte negatief zou kunnen zijn beïnvloed. Ook was de bocht in de weg overzichtelijk en er waren geen zichtbeperkende obstakels. Verder zijn er geen rijtechnische gebreken geconstateerd, die ten grondslag hebben kunnen liggen aan het ontstaan van het ongeval. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat sprake is van een causaal verband tussen de door de verdachte gereden te hoge snelheid, het verliezen van de controle over zijn voertuig en het geraken op de weghelft van de tegenliggers, en dus het verkeersongeval. Voornoemde gedragingen van de verdachte, in samenhang bezien, zijn naar hun aard en ernst zodanig dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval, waarbij bij het slachtoffer [slachtoffer01] (de broer van de verdachte) zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, is gelet op het voorgaande aan zijn schuld als bedoeld in artikel 6 WVW te wijten. Het onder 1 primair ten laste gelegde is daarom wettig en overtuigend bewezen. Is er (tevens) sprake van overtreding van artikel 5 WVW (feit 2)? De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich door deze gedragingen heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW. Hij heeft door zijn verkeersgedrag in bredere zin gevaar op de weg veroorzaakt. Dit gevaar voor andere weggebruikers heeft zich daadwerkelijk verwezenlijkt in het verkeersongeval, waarbij het slachtoffer [slachtoffer02] gewond is geraakt. Overig De omstandigheid dat de rechter voorband van de auto van de verdachte niet voldeed aan de wettelijke vereisten, wordt niet in de bewezenverklaring meegenomen omdat deze omstandigheid volgens de VOA geen invloed heeft gehad op het ontstaan van het ongeval. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. primair. hij op of 14 december 2020 te Dordrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk, onvoorzichtig te rijden op de Oranjelaan en (vervolgens) op de in d(i)e Oranjelaan gelegen Prins Hendrikbrug, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar, - heeft gereden met een, mede gelet op de bocht in de genoemde weg, te hoge snelheid en - zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en - zijn voertuig niet onder controle heeft gehouden en in een slip is geraakt en - over de doorgetrokken streep in genoemde weg is gereden en gegleden en - ( aldus) de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is opgereden en opgegleden en - ( daarbij) een tegemoetkomende personenauto niet heeft laten voorgaan en - ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer01] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in het bekken, werd toegebracht. 2. hij op of 14 december 2020 te Dordrecht als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, op de Oranjelaan en (vervolgens) op de in die Oranjelaan gelegen Prins Hendrikbrug, - heeft gereden met een, mede gelet op de bocht in de genoemde weg en - zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en - zijn voertuig niet onder controle heeft gehouden en in een slip is geraakt en - over de doorgetrokken streep in genoemde weg is gereden en gegleden en - ( aldus) de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is opgereden en opgegleden en - ( daarbij) een tegemoetkomende personenauto niet heeft laten voorgaan en - ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto, en waardoor [slachtoffer02] gewond is geraakt, door welke gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.