Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummers: 10/162667-21 en 10/293595-21 (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 19 januari 2023 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1996, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] , raadsman mr. A. Dogan, advocaat te Rotterdam. 1.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 6 en 7 december 2022. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 19 januari 2023. 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze op de terechtzittingen van 11 maart 2022 en 6 december 2022 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3.Eis officier van justitie De officieren van justitie mrs. N.J.P. Coenen en B. Lijnse (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd: (dagvaarding 10/162667-21) vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde (zaaksdossier Debiet: het medeplegen van de invoer van 46,795 kilogram cocaïne), het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde (zaaksdossier Debiet: het medeplegen van de invoer van 29,89 kilogram cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe), het onder 3 primair ten laste gelegde (zaaksdossier [containernummer 1] : het medeplegen van de invoer van 45 pakketten cocaïne); (dagvaarding 10/293595-21) vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde (zaaksdossier Knaken poetsen: het medeplegen van de invoer van 134,90 kilogram cocaïne) en het onder 3 primair ten laste gelegde (zaaksdossier Booking: het medeplegen van de invoer van een of meerdere partijen cocaïne); (dagvaarding 10/162667-21) bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (zaaksdossier Debiet: het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van 46,795 kilogram cocaïne), het onder 3 subsidiair ten laste gelegde (zaaksdossier [containernummer 1] : het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van 45 pakketten cocaïne) en het onder 4 ten laste gelegde (niet-ambtelijke corruptie); (dagvaarding 10/293595-21) bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (zaaksdossier Knaken poetsen: het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van 134,90 kilogram cocaïne), het onder 2 ten laste gelegde (zaaksdossier Dubbel betaald: het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van een hoeveelheid cocaïne) en het onder 3 subsidiair ten laste gelegde (zaaksdossier Booking: het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van een of meerdere partijen cocaïne); veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest. 4.Waardering van het bewijs OPMERKINGEN VOORAF 4.1. Leesbaarheid waardering van het bewijs Ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank onder paragraaf 4, waardering van het bewijs, de verschillende zaaksdossiers op chronologische volgorde – zoals hieronder weergegeven – bespreken: Zaaksdossier Dubbel betaald : het medeplegen van de voorbereidingshandelingen bij de invoer van een hoeveelheid cocaïne; Zaaksdossier Knaken poetsen : het medeplegen van de invoer van 135 pakketten cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe; Zaaksdossier Debiet : het medeplegen van de invoer van 46,795 kilogram cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe; Zaaksdossier Debiet : het medeplegen van de invoer van 29,89 kilogram cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe; Zaaksdossier [containernummer 1] : het medeplegen van de invoer van 45 pakketten cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe; Zaaksdossier Booking : het medeplegen van de invoer van een of meerdere partijen cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe; Zaaksoverstijgend : niet-ambtelijke corruptie. In het overige deel van het vonnis zal de volgorde van de dagvaarding worden aangehaald. 4.2. Beoordelingskader Opiumwet Alvorens de afzonderlijke zaaksdossiers te behandelen, overweegt de rechtbank het volgende. Primair: invoer cocaïne Voor een veroordeling voor de invoer van cocaïne moet ten minste vast staan dat in de desbetreffende container cocaïne heeft gezeten. Als er in een container überhaupt geen verdovende middelen zijn aangetroffen en er dus geen laboratoriumonderzoek naar de aanwezigheid van cocaïne heeft plaatsgevonden, dan wel op andere wijze is komen vast te staan dat van cocaïne sprake is geweest, kan invoer van cocaïne niet bewezen worden verklaard. Subsidiair: voorbereidingshandelingen Voor een bewezenverklaring van het subsidiaire feit is het voorgaande niet vereist. Uit de jurisprudentie en de wetsgeschiedenis bij artikel 10a Opiumwet leidt de rechtbank ten aanzien van de voorbereidingshandelingen het volgende beoordelingskader af. Ongeacht of de invoer van cocaïne geslaagd is, is voor de kwalificatie van artikel 10a Ow van belang dat het opzet van degene die de voorbereidingshandelingen pleegt erop is gericht om handelen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet mogelijk te maken en dat hij aan die intentie uiting heeft gegeven door voorbereidingshandelingen (als bedoeld in artikel 10a Ow) te verrichten. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling als genoemd in artikel 10a Ow; het ernstige vermoeden dat de dader handelde om invoer van cocaïne te vergemakkelijken of voor te bereiden. Daarbij geldt aan de ene kant dat: - hoe duidelijker is dat de handeling als doel had het invoeren van cocaïne, hoe makkelijker de criminele intentie volgt uit de aard en bedoeling van die handeling. Aan de andere kant geldt dat: - hoe duidelijker is dat de handeling als doel had het uitvoeren van opgedragen werkzaamheden, hoe moeilijker de criminele intentie volgt uit de aard en bedoeling van die handeling. (Zie onder meer Kamerstukken II 2010/11, 32 842, nr. 3, p. 7, Kamerstukken II 2011/12, 32 842, nr. 6, p. 6. en ECLI:NL:HR:2018:328.) BEWIJSWAARDERING PER ZAAKSDOSSIER Zaaksdossier Dubbel betaald : de voorbereidingshandelingen van de invoer van een hoeveelheid cocaïne 4.3. Vrijspraak 4.3.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen van de invoer van een hoeveelheid cocaïne, op basis van de tapgesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ) en tussen de verdachte en zijn toenmalige vriendin [naam persoon 1] (hierna: [naam persoon 1] ). 4.3.2. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het strafdossier. In het dossier bevinden zich uitwerkingen van tapgesprekken tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] , tussen de verdachte en [naam persoon 1] en tussen [naam medeverdachte 1] en de medeverdachte [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ). Op 2 april 2021 heeft [naam medeverdachte 1] aan de verdachte doorgegeven dat hij een nummer krijgt, het kenteken, en dat hij er vaart achter zet. Diezelfde dag heeft [naam medeverdachte 1] in een tapgesprek met [naam medeverdachte 2] aangegeven dat “hij” er al is, maar dat ze moeilijk doen met het geven van een nummer. Ook heeft [naam medeverdachte 1] tegen [naam medeverdachte 2] gezegd dat hij het wel kan gebruiken, omdat het huis een hoop geld kost. In een later gesprek op 2 april 2021 heeft [naam medeverdachte 1] gesproken over dat er waarschijnlijk een bak tussen zit. Met een bak wordt een container bedoeld. De verdachte heeft in een tapgesprek van 2 april 2021 met [naam persoon 1] aangegeven dat “ [voornaam medeverdachte 1] ”, [naam medeverdachte 1] , nog steeds zit te wachten, dus dat de verdachte zelf ook moet wachten, maar dat vissend geld verdienen altijd leuk is. Op 6 april 2021 hebben de verdachte en [naam medeverdachte 1] weer contact gehad over een mogelijke container en heeft [naam medeverdachte 1] aangegeven dat “ze” zeiden dat hij er al was, maar dat hij ( [naam medeverdachte 1] ) langs is gegaan en vijf meier heeft ontvangen voor de moeite. In ditzelfde tapgesprek heeft de verdachte aan [naam medeverdachte 1] gevraagd of hij het heeft gehoord van “Antwerpen” en “27 ton”. [naam medeverdachte 1] heeft hier bevestigend op gereageerd en aangegeven dat het misschien maar beter is dat er niets komt, omdat zij door de telefoons in de spotlights staan. Op de terechtzitting van 6 december 2022 is naar voren gebracht dat de rechtbank bekend is met het persbericht van 5 april 2021, inhoudende dat de douane in Antwerpen ruim 27 ton cocaïne heeft onderschept als gevolg van het kraken van de versleutelde berichtendienst SKY. Deze gesprekken zijn belastend voor de verdachte, te meer nu [naam persoon 1] in het gesprek van “vissend geld verdienen” de opmerking heeft gemaakt dat hij het vooral hardop moet zeggen tegen iedereen. Als er sprake zou zijn geweest van reguliere werkzaamheden, zouden bepaalde gesprekken niet in het geheim hoeven plaats te vinden. Desondanks is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat deze belastende uitspraken onvoldoende zijn om tot een veroordeling te kunnen komen van de ten laste gelegde voorbereidings- en bevorderingshandelingen. De inhoud van deze gesprekken duidt immers niet op concrete, feitelijke betrokkenheid van de verdachte bij de voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne, anders dan het bereid verklaren om behulpzaam te zijn, indien nodig. Die bereidheid om indien nodig behulpzaam te zijn, acht de rechtbank op zichzelf beschouwd, onvoldoende voor een bewezenverklaring. Immers is niet gebleken dat de verdachte daadwerkelijk behulpzaam is geweest. Omdat de rechtbank geen voorbereidings- of bevorderingshandelingen bewezen verklaart, wordt, hoe belastend de gesprekken van de verdachte ook zijn geweest, hij vrijgesproken van het subsidiair aan hem ten laste gelegde. 4.3.3. Conclusie Het in de zaak met parketnummer 10/293596-21 onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Zaaksdossier Knaken poetsen : het medeplegen van de invoer van 134,90 kilogram cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe 4.4. Vrijspraak zonder nadere motivering (primair) Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10/293596-21 onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.5. Vrijspraak subsidiair 4.5.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van 134,90 kilogram cocaïne. Gelet op de OVC- en tapgesprekken en gezien de container [containernummer 2] ingeleverd moest worden bij [naam transportbedrijf] (hierna: [naam transportbedrijf] ), kan worden vastgesteld dat deze container bestemd was voor de criminele organisatie waarvoor de verdachte en [naam medeverdachte 1] zijn ingeschakeld. De verdachte is samen met [naam medeverdachte 1] actief bezig geweest met het regelen van transport. 4.5.2. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit het strafdossier. Op 19 april 2021 is de container met nummer [containernummer 2] , welke zich bevond op de AMP2 terminal, gecontroleerd. Deze container moest na lossing leeg worden ingeleverd bij [naam transportbedrijf] . In deze container zijn 135 pakketten aangetroffen met daarin in totaal 134,90 kilogram cocaïne. In het dossier bevinden zich uitwerkingen van OVC- en tapgesprekken die de verdachte heeft gevoerd met onder andere [naam medeverdachte 1] en [naam persoon 2] . Op basis van deze gesprekken kan worden vastgesteld dat [naam medeverdachte 1] de verdachte meerdere keren heeft geïnformeerd over het vinden van een vrachtwagenchauffeur voor het vervoeren van een bak. Op 20 april 2021 heeft de verdachte tegen [naam persoon 2] gezegd dat hij “slapend rijk wordt”, dat “het weer feest is deze week”, dat er “een goede klapper” tussen zit en dat “10 kop snel is verdiend”. Uit berichten van 22 april 2021 blijkt dat de verdachte aan [naam medeverdachte 1] heeft gevraagd “of het weer feest wordt”. [naam medeverdachte 1] heeft hierop gereageerd: “dat denk ik niet maat. Ik weet niet of je internet hebt gelezen? Kijk nou effe Crimenews ofzo. Dan moet je effe goed nadenken”. Op diezelfde datum laat [naam medeverdachte 1] aan [naam medeverdachte 3] weten dat er iets aan de hand is en dat zij op internet moet kijken. Op de terechtzitting van 6 december 2022 is naar voren gebracht dat de rechtbank bekend is met het nieuwsbericht van 21 april 2022 op Crimenews.nl, inhoudende dat de douane in de Rotterdamse haven een partij cocaïne van ruim 33 miljoen euro heeft onderschept. Het dossier bevat ten slotte een onderzoek naar de inhoud van de telefoon van [naam persoon 1] . Hieruit blijkt dat de verdachte – in overleg met [naam medeverdachte 1] – zijn vakantie in maart 2021 heeft uitgesteld, omdat hij “moet kijken ook of het gaat met de bakke als je me snapt”. Deze hiervoor bedoelde gesprekken zijn belastend voor de verdachte, te meer omdat uit de gesprekken blijkt dat aan de verdachte een vergoeding in het vooruitzicht is gesteld voor het annuleren van zijn vakantie: “ik wil echt graag met je op vakantie (...) maar als er precies zeventig ruggen of meer deze kant op komt”, “ik krijg in ieder geval 2000 voor ons”. Desondanks is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat het aanhoren van informatie, het voeren van voormelde gesprekken en het annuleren van een vakantie, niet voldoende concreet en niet met voldoende gewicht de invoer van cocaïne voorbereid of bevordert. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte wel de intentie heeft gehad om een bijdrage te leveren, maar uit de inhoud van deze gesprekken blijkt niet of er sprake is geweest van, en zo ja welke concrete, feitelijke betrokkenheid van de verdachte bij de voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne. Nu er geen voorbereidings- of bevorderingshandelingen bewezen kunnen worden verklaard, betekent dat, hoe belastend de gesprekken van de verdachte ook zijn geweest, hij zal worden vrijgesproken van het subsidiair aan hem ten laste gelegde. 4.5.3. Conclusie Het in de zaak met parketnummer 10/293596-21 onder 1 subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Zaaksdossier Debiet : het medeplegen van de invoer van 46,795 kilogram cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe 4.6. Vrijspraak zonder nadere motivering (primair) Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10/162667-21 onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.7. Bewijswaardering subsidiair 4.7.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van cocaïne in containers, noch dat hij opzet had op het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van cocaïne. De verdachte heeft zich bezig gehouden met reguliere werkzaamheden. 4.7.2. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank gaat uit van de volgende, aan de wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Op 28 april 2021 is de container met het nummer [containernummer 3] , afkomstig van het motorschip [naam vaartuig] , gecontroleerd. De container was afkomstig uit Cartagena (Colombia). In deze container zijn 48 pakketten aangetroffen met daarin in totaal 46,795 kilogram cocaïne. Op 20 april 2021 heeft [naam medeverdachte 1] samen met een onbekend gebleven persoon een gesprek gevoerd over “hem” ergens anders neerzetten, de posities van camera’s en het dichtbouwen “zodat niemand je ziet”. Op 29 april 2021 hebben de verdachte en [naam medeverdachte 1] het over nummers die [naam medeverdachte 1] morgen, op 30 april 2021, zal krijgen. Op basis van de camerabeelden van 30 april 2021 en tapgesprekken van diezelfde dag concludeert de rechtbank dat de verdachte samen met [naam medeverdachte 1] op zoek is gegaan naar een container met cocaïne. De verdachten hebben daarbij de container met containernummer [containernummer 4] in de wasstraat geplaatst, het zicht op de ingang van de container geblokkeerd door een andere container te verplaatsen en de deuren van andere containers open te zetten, zoals [naam medeverdachte 1] een aantal dagen daarvoor had besproken, en zij hebben deze container tijdens het zoeken naar cocaïne vernield. In de container hebben zij geen cocaïne aangetroffen. Op 10 mei 2021 heeft [naam medeverdachte 1] in een OVC-gesprek met [naam persoon 3] gezegd dat er “vrijdag een bak op 1 is gepakt” en dat iemand voor deze bak naar hem toe was gekomen. Op 11 mei 2021 heeft de verdachte tegen [naam medeverdachte 2] gezegd dat de bak die vrijdag was gepakt, de CAIU eindigend op [nummer] betrof. [naam medeverdachte 1] is op verzoek van anderen gaan kijken, maar in de container waarin hij is gaan zoeken, zat niets. Het zou ook niet die container zijn geweest. De vijftig stuks zouden zijn opgehaald door de douane. Uit onderzoek van de containerroutes is gebleken dat de container met nummer [containernummer 3] , de container waarin de cocaïne is aangetroffen, dezelfde vaarroute heeft afgelegd als de container met nummer [containernummer 4] , welke is waargenomen op de camerabeelden van 30 april 2021. Op basis van het voorgaande, in het bijzonder het feit dat de container met het nummer [containernummer 4] en de container met het nummer [containernummer 3] dezelfde vaarroute hebben afgelegd, de containernummers allebei beginnen met “ CAIU 553 ”, [naam medeverdachte 1] op verzoek van anderen is gaan kijken, maar dat er niets in zat en “die vijftig” door de douane is opgehaald, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte 1] op zoek is gegaan naar een container met cocaïne, maar dat zij in plaats van de container met cocaïne ( [containernummer 3] ) een verkeerde container hebben doorzocht ( [containernummer 4] ). Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende bewijs is dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht waarbij het opzet van de verdachte was gericht op de invoer van cocaïne en dat de verdachte daarbij nauw en bewust met [naam medeverdachte 1] heeft samengewerkt. De verdachte is aanwezig geweest bij de doorzoeking en vernieling van de container met het nummer [containernummer 4] en heeft in ieder geval de container daar tegenover verplaatst, om het zicht te verhullen. Daarnaast is uit het tapgesprek van 3 mei 2021 gebleken dat de verdachte en [naam medeverdachte 1] op dat moment nog steeds samen op zoek waren naar de container met cocaïne. De rechtbank acht eveneens bewezen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de cocaïne. Feiten van algemene bekendheid in deze zaak zijn dat cocaïne vaak wordt ingevoerd via het koeldeel van reefercontainers (kopschot en spiegel), dat criminele havenmedewerkers voorzichtig en verhullend moeten handelen vanwege de aandacht voor invoer van cocaïne en dat wie zich hiermee bezighoudt, goed betaald wordt. Uit het zaaksdossier Dubbel betaald volgt dat de verdachte tijdens zijn werkzaamheden deelneemt aan communicatie die past bij het uithalen van cocaïne. De communicatie gaat namelijk over het krijgen van kentekens, kopschot en spiegel, opzetten en terugkomen, en over gek zijn als je handelingen zelf verricht. In het bijzonder past het willen uithalen van cocaïne bij de communicatie waarbij een verband wordt gelegd tussen telefoons die zo lek zijn als een mandje en een nieuwsbericht over 27 ton, 1,4 miljard en Antwerpen. In Antwerpen was door inbreuk in de telefonische communicatie 27 ton cocaïne in beslag genomen door de politie. Uit de verdere communicatie waaraan de verdachte deelneemt blijkt een behoefte om te verhullen waar het precies om gaat. De communicatie gaat bijvoorbeeld over “ze” die een nummer en kenteken gaan geven, over “die ene” die ineens bij “ons” was, over de negatieve duiding van telefoons die “lek” zijn en over de cynisch geformuleerde oproep om bepaalde dingen vooral hardop te zeggen. Voorts was de verdachte bevriend met medeverdachte [naam medeverdachte 1] , stelde zich afhankelijk op van hem en wist dat hij van [naam medeverdachte 1] een vergoeding kon krijgen, zoals blijkt uit de opmerking van de verdachte dat hij op [voornaam medeverdachte 1] (= [naam medeverdachte 1] ) moet wachten tot het goed gaat en dat hij vissend geld verdient. Uit het zaaksdossier Debiet volgt dat [naam medeverdachte 1] daadwerkelijk de verdachte nodig heeft (“kom even kijken”), dat de verdachte daar positief op reageert en een handeling verricht die op dat moment niet hoort bij zijn gebruikelijke werkzaamheden. Bezien in onderlinge samenhang, volgt voor de rechtbank uit voormelde feiten en omstandigheden dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de invoer van cocaïne Het verweer van de verdediging dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met reguliere werkzaamheden wordt verworpen. Uit het proces-verbaal betreffende de camerabeelden volgt dat er in de periode dat de CAIU-container op de wasplaats stond geen nevel is waargenomen, terwijl dit normaal gesproken bij het schoonmaken van containers in de wasstraat wel is te zien op camerabeelden. Daar komt bij dat [naam medeverdachte 1] met een ander heeft besproken hoe hij het zicht kan blokkeren en dit ook samen met de verdachte daadwerkelijk heeft toegepast door het openen van deuren van andere containers. Als de verdachte alleen zijn reguliere werkzaamheden zou hebben uitgeoefend, was het verhullen van handelingen niet nodig geweest. 4.7.3. Conclusie Het in de zaak met parketnummer 10/162667-21 onder 1 subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. Zaaksdossier Debiet : het medeplegen van de invoer van 29,89 kilogram cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe 4.8. Vrijspraak zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10/162667-21 onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Zaaksdossier [containernummer 1] : het medeplegen van de invoer van 45 pakketten cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe 4.9. Vrijspraak zonder nadere motivering (primair) Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10/162667-21 onder 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.10. Vrijspraak subsidiair 4.10.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne. De verdachte wist dat er een container zou aankomen, heeft hier actief over gecommuniceerd met [naam medeverdachte 1] en was aanwezig op de dag dat de container terug kwam. Nu hij hierdoor mede heeft gezorgd dat de container ongezien terug kon komen, is de verdachte betrokken geweest bij de invoer van de cocaïne. 4.10.2. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het strafdossier. Op 3 juni 2021 is een container met nummer [containernummer 1] (hierna: de container) omstreeks 09:55 uur ingeleverd op het havendepot van [voormalige naam transportbedrijf] (thans [huidige naam transportbedrijf] ) aan de Waalhaven. Deze container bevatte vermoedelijk 45 pakketten cocaïne die moesten worden uitgehaald. Rond 11:30 uur is de container opgehaald door een vrachtwagen en van het haventerrein gereden. Op 3 juni 2021 omstreeks 17:00 uur bleek tijdens een politiecontrole dat de container leeg was. De containerdeuren bleken niet verzegeld en het paneel achter in de container zat los. Op 7 juni 2021 omstreeks 20.00 uur is de container – leeg – weer ingeleverd op het depot van [voormalige naam transportbedrijf] . Volgens de systemen van [voormalige naam transportbedrijf] heeft de container het terrein van [voormalige naam transportbedrijf] in de periode van 3 tot en met 7 juni 2021 niet verlaten. In het dossier bevinden zich uitwerkingen van OVC- en tapgesprekken die de verdachte heeft gevoerd met [naam medeverdachte 1] . Op basis van de inhoud van deze gesprekken kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat er een container met daarin een illegale lading zou arriveren op het terrein van [voormalige naam transportbedrijf] . Deze gesprekken zijn belastend voor de verdachte, te meer omdat er in één van de OVC-gesprekken door [naam medeverdachte 1] wordt gesproken over een geldverdeling en hieruit blijkt dat de verdachte een gedeelte van dit geld zou krijgen. Desondanks is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat deze belastende uitspraken niet voldoende zijn om tot een veroordeling te kunnen komen van de ten laste gelegde voorbereidings- en bevorderingshandelingen. De inhoud van deze gesprekken (alsook het overige deel van het dossier) geeft namelijk geen antwoord op de vraag of, en zo ja welke, concrete en actieve bijdrage door de verdachte zou zijn geleverd bij de voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne. Het enkele feit dat hij op de hoogte werd gehouden door [naam medeverdachte 1] over de stand van zaken met betrekking tot de container en het ontvangen van een geldbedrag is daarvoor onvoldoende. Omdat er geen voorbereidings- of bevorderingshandelingen bewezen kunnen worden verklaard, zal hij worden vrijgesproken van het subsidiair aan hem ten laste gelegde. 4.10.3. Conclusie Het in de zaak met parketnummer 10/162667-21 onder 3 subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Zaaksdossier Booking : het medeplegen van de invoer van een of meerdere partijen cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe 4.11. Vrijspraak zonder nadere motivering (primair) Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10/293596-21 onder 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.12. Bewijswaardering subsidiair 4.12.1. Standpunt verdediging Door de verdediging is vrijspraak bepleit en daartoe is het volgende aangevoerd. Uit het dossier blijkt dat de verdachte geen wetenschap had van containers met daarin verdovende middelen en daarmee dus geen (voorwaardelijk) opzet had op het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de (verlengde) invoer van cocaïne. De verdachte heeft zich bezig gehouden met reguliere werkzaamheden waarbij geen gelden in ontvangst zijn genomen of informatie is uitgewisseld over een container. De contra-indicaties ten aanzien van de opgenomen gesprekken zijn door de verdediging uiteengezet. Er is dus geen sprake geweest van een strafbare voorbereiding. 4.12.2. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank gaat uit van de volgende, aan de wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. In het dossier bevinden zich uitwerkingen van tapgesprekken, OVC-gesprekken en WhatsApp-berichten tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] , de vader van de verdachte, [naam persoon 1] en een derde persoon genaamd [naam persoon 4] . Op basis van voorgaande gesprekken en berichten concludeert de rechtbank dat de verdachte tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte 1] opzettelijk schade heeft toegebracht aan een container, terwijl zij op zoek waren naar verdovende middelen, dat zij grote geldbedragen voorhanden hebben gehad en dat de verdachte na overleg met [naam medeverdachte 1] contact heeft gelegd met [naam persoon 4] en nog een andere persoon, met als doel hen te laten aannemen bij [voormalige naam transportbedrijf] om zodoende de verdachte en [naam medeverdachte 1] te kunnen helpen bij het invoeren en uithalen van verdovende middelen. Ook blijkt uit veelvuldige tapgesprekken dat de verdachte contact had met [naam medeverdachte 1] over het invoeren en/of uithalen van verdovende middelen, met name als wordt gesproken over het investeren in eigen lijnen, het verstoppen van geldbedragen en de uitleg over het uithalen van blokken. Tevens blijkt uit onderzoek naar de telefoongegevens van [naam medeverdachte 1] dat [naam medeverdachte 1] verschillende malen de website van CMA-CGM heeft bezocht en daarbij informatie over containers heeft geraadpleegd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende bewijs is dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht waarbij het opzet van de verdachte was gericht op de invoer van cocaïne en dat de verdachte daarbij nauw en bewust met [naam medeverdachte 1] heeft samengewerkt. Het verweer van de verdediging dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met reguliere werkzaamheden wordt verworpen. Uit tapgesprekken volgt dat de verdachte bij [naam medeverdachte 1] “vrij moet vragen” in verband met “de bakken” voordat de verdachte vrij zal vragen bij zijn werkgever. Wanneer [naam persoon 1] niet meteen begrijpt waarom de verdachte vrij moet vragen bij [naam medeverdachte 1] , geeft de verdachte aan dat ze het niet begrijpt, dat het niet gaat om vrij hebben en dat hij het thuis wel uitlegt. Als de vakantie van de verdachte en [naam persoon 1] door het arriveren van bakken moet worden verschoven, wordt duidelijk dat de verdachte dit bedrag krijgt vergoed, maar niet van zijn werk en ook niet door de verzekering. Voor wat er in die periode aankomt, zouden zij wel twintig keer naar Curaçao kunnen, aldus de verdachte. Daar komt bij dat de verdachte aan [naam persoon 4] heeft uitgelegd wat [naam persoon 4] bij hen moet doen voor een extra bonus, waarop [naam persoon 4] reageert dat hij niet meer in aanraking wil komen met de politie. Dat het vernielen van de container ook tijdens reguliere werkzaamheden zou hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank evenmin aannemelijk geworden, gelet op de berichten van de verdachte en [naam medeverdachte 1] dat ze de container hebben vernield, maar dat er niets in zat en dat ze hier gek ze hier van worden. 4.12.3. Conclusie Het in de zaak met parketnummer 10/293596-21 onder 3 subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. Zaakoverstijgend: niet-ambtelijk corruptie 4.13. Bewijswaardering 4.13.1. Standpunt verdediging Door de verdediging is vrijspraak bepleit en daartoe is het volgende aangevoerd. Niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de containers en daarmee het (voorwaardelijk) opzet had op het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de (verlengde) invoer van cocaïne. Daarnaast kan niet worden bewezen dat de verdachte geldbedragen heeft ontvangen. 4.13.2. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van partijen cocaïne. Dergelijke handelingen vallen niet onder reguliere werkzaamheden en zijn in strijd met de betrekking van de verdachte. Met de officier van justitie is de rechtbank tevens van oordeel dat de verdachte voor deze handelingen grote geldbedragen heeft ontvangen. [naam medeverdachte 1] heeft met de verdachte besproken dat hij hem “vijf” zal geven. In andere tapgesprekken met [naam medeverdachte 1] wordt aangegeven dat de verdachte een geldbedrag krijgt als zijn vakantie moet worden verplaatst, wordt besproken dat er met hun handelingen een bonus per maand kan worden verdiend en wordt door [naam medeverdachte 1] gezegd dat de verdachte het geld wel goed moet wegleggen. In een gesprek tussen de verdachte en zijn vader heeft de verdachte gezegd dat hij een auto van € 23.000,- cadeau zal doen indien zijn vader het niet zelf kan betalen. 4.13.3. Conclusie Het in de zaak met parketnummer 10/162667-21 onder 4 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. OVERKOEPELEND VERWEER 4.14. Medeplegen In reactie op het verweer dat door de verdediging is aangevoerd dat er ten aanzien van de subsidiair bewezenverklaarde feiten geen sprake kan zijn van medeplegen, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het complexe logistieke proces rondom de invoer van containers, kan niet anders worden geoordeeld dan dat de verdachte voor de voorbereidingshandelingen bij de invoer van een hoeveelheid cocaïne nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. Het verweer wordt derhalve verworpen. 4.15. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/162667-21 onder 1 subsidiair en 4 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/293595-21 onder 3 subsidiair ten laste gelegde ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: Dagvaarding met parketnummer: 10/162667-21 1. Zaaksdossier Debiet hij, in de periode van 14 april 2021 tot en met 11 mei 2021 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een partij van 48 pakketten cocaïne (nettogewicht: 46,795 kilogram), een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en zich en/of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, hebben de verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.