Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/178924-21 Datum uitspraak: 19 januari 2023 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1988, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] , raadsman mr. G.E. Toxopeus, advocaat te Rotterdam. 1.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 november 2022. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 19 januari 2023. 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 29 november 2022 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3.Eis officier van justitie De officieren van justitie mrs. N.J.P. Coenen en B. Lijnse (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd: vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde (zaaksdossier Debiet: het medeplegen van de invoer van 46,795 kilogram cocaïne), het onder 2 primair ten laste gelegde (zaaksdossier Debiet: het medeplegen van de invoer van 29,89 kilogram cocaïne) en het onder 3 primair ten laste gelegde (zaaksdossier Kruisbrik: het medeplegen van de invoer van 24,82 kilogram cocaïne); bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde (zaaksdossier Debiet: het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van 29,89 kilogram cocaïne), het onder 3 subsidiair ten laste gelegde (zaaksdossier Kruisbrik: het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van 24,82 kilogram cocaïne) en het onder 4 ten laste gelegde (niet-ambtelijke omkoping); veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest. 4.Waardering van het bewijs 4.1. Beoordelingskader Opiumwet Alvorens de afzonderlijke zaaksdossiers te behandelen, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de jurisprudentie en de wetsgeschiedenis bij artikel 10a Opiumwet leidt de rechtbank ten aanzien van de voorbereidingshandelingen het volgende beoordelingskader af. Ongeacht of de invoer van cocaïne geslaagd is, is voor de kwalificatie van artikel 10a Ow van belang dat het opzet van degene die de voorbereidingshandelingen pleegt erop is gericht om handelen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet mogelijk te maken en dat hij aan die intentie uiting heeft gegeven door voorbereidingshandelingen (als bedoeld in artikel 10a Ow) te verrichten. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling als genoemd in artikel 10a Ow; het ernstige vermoeden dat de dader handelde om invoer van cocaïne te vergemakkelijken of voor te bereiden. Daarbij geldt aan de ene kant dat: - hoe duidelijker is dat de handeling als doel had het invoeren van cocaïne, hoe makkelijker de criminele intentie volgt uit de aard en bedoeling van die handeling. Aan de andere kant geldt dat: - hoe duidelijker is dat de handeling als doel had het uitvoeren van opgedragen werkzaamheden, hoe moeilijker de criminele intentie volgt uit de aard en bedoeling van die handeling. (Zie onder meer Kamerstukken II 2010/11, 32 842, nr. 3, p. 7, Kamerstukken II 2011/12, 32 842, nr. 6, p. 6. en ECLI:NL:HR:2018:328.) Zaaksdossier Debiet : het medeplegen van de invoer van 46,795 kilogram cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe (feit 1) 4.2. Vrijspraak zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Zaaksdossier Debiet : het medeplegen van de invoer van 29,89 kilogram cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe (feit 2) 4.3. Vrijspraak zonder nadere motivering (primair) Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.4. Vrijspraak van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde 4.4.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen bij de invoer van 29,89 kilogram cocaïne, op basis van het tapgesprek van 11 mei 2021, de schermweergave die door de verdachte is gemaakt en doorgestuurd en de aangetroffen cocaïne in de container. 4.4.2. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het strafdossier. In het dossier bevindt zich een tapgesprek van 11 mei 2021 tussen de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ). In dit tapgesprek hebben de verdachten gesproken over “twee die waren geblokkeerd”, “één keer twintig en één keer vijftig”, “die twintig is met de boot weggegaan”, “ze waren te laat” en “dat was een TLLU of zoiets”. Op 26 mei 2021 is vanuit het onderzoek Spaakvelg een proces-verbaal verstrekt van onderzoek naar de telefoon van uithaler [naam medeverdachte 2] . In deze telefoon zijn zeven afbeeldingen aangetroffen van containernummers van CMA CGM. Op één van de foto's staat een schermweergave van het programma containerchain, het systeem dat wordt gebruikt door [naam transportbedrijf] . Op een foto is te zien dat een container met nummer [containernummer 1] is opgevraagd die geboekt stond om per barge te worden weggevoerd. Op deze afbeelding staat de naam [naam] bij de bevraagde container, de gebruikersnaam van de verdachte. Tevens staat op de foto de datum 19 april 2021 en als inleveradres [naam transportbedrijf] .. Uit verstrekte gegevens is gebleken dat de container met nummer [containernummer 1] op 19 april 2021 leeg is ingeleverd bij [naam transportbedrijf] en vervolgens diezelfde dag via Antwerpen is vertrokken naar Peru. Naar aanleiding van voorgaande informatie is het containernummer [containernummer 1] via het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC) uitgezet bij de autoriteiten in Peru. Op 26 mei 2021 is de container, die zich bevond in de haven van Callao (Peru), gecontroleerd. In deze container zijn 25 pakketten aangetroffen met daarin netto 24,89 kilogram cocaïne. De vraag is of de verdachte wetenschap had van de cocaïne in voornoemde container en of hij handelingen heeft verricht waarmee hij de invoer van de containers heeft voorbereid of bevorderd. Uit onder andere het taalgebruik in gesprekken die hij voert (waaronder “twintig stuks” en “Ja bro hij heeft mij echt gesnitscht”), de verhulde aspecten van het taalgebruik (waaronder “waren ze te laat”), de onderlinge verhoudingen (waaronder “Ja vorige keer luister dan uhh ... vorige keer was er eentje gepakt toch, jij was weg ... toen zei (ntv) kan je kijken.”), het verrichten van handelingen die buiten de functie vallen (waaronder “of ik hem wou bellen, hij heeft nog steeds het zelfde nummer, ik heb gelijk [naam persoon] gezegd, ik heb kenteken, bedrijfsnaam alles door gestuurd”), de omstandigheid dat kennelijk buiten het dienstverband om vergoedingen worden betaald (waaronder “ken je dalijk net als [voornaam verdachte] tien koppen gaan betalen”) en feiten van algemene bekendheid bij de procespartijen (waaronder dat via de Rotterdamse haven cocaïne wordt ingevoerd via reefers zoals container [containernummer 1] ), bezien in onderlinge samenhang, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van het feit dat er via het terrein van zijn werkgever cocaïne werd ingevoerd. Desalniettemin is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte daadwerkelijk handelingen heeft verricht waarmee hij de invoer van de cocaïne heeft voorbereid of bevorderd. Op de schermweergave met informatie over de container [containernummer 1] , die is gemaakt in het softwareprogramma van verdachtes werkgever, is de gebruikersnaam van de verdachte te zien als de werknemer die de schermweergave heeft gemaakt. Deze schermweergave geeft zeker de indruk dat de verdachte een relevante handeling heeft verricht, zoals door de officier van justitie naar voren is gebracht. De verdediging heeft er echter op gewezen dat uit de stukken die aan de rechtbank zijn voorgelegd – waaronder de verklaring van [naam medeverdachte 3] hierover – volgt dat een werknemer van [naam transportbedrijf] eenvoudig de gegevens van een andere werknemer kon gebruiken om in te loggen, en dat een werknemer die cocaïne wil invoeren er belang bij heeft om in te loggen met gegevens van een ander. Daarbij worden in deze zaak ten minste acht van verdachtes collega’s verdacht van invoer en of voorbereidingshandelingen. Dat duidt er dus op dat er een vrij grote groep zich binnen [naam transportbedrijf] bezig lijkt te hebben gehouden met de invoer dan wel voorbereidingshandelingen daartoe en dat al deze personen er belang bij kunnen hebben om onder andermans gegevens in te loggen. Voorts was in bijvoorbeeld het zaaksdossier TTNU ook volgens de officier van justitie de informatie uit containerchain onjuist over welke werknemer welke handeling had verricht (terzake [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 4] en het wijzigen van een inleverlocatie van een container). Gelet hierop komt de rechtbank niet tot het oordeel dat er in redelijkheid geen twijfel is dat de verdachte voormelde schermweergave heeft gemaakt (laten maken) en naar een uithaler heeft doorgestuurd (laten doorsturen). Daar komt bij dat het tapgesprek tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] over de container heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021, ruim drie weken nadat de container was gearriveerd in de haven van Rotterdam. In dit tapgesprek wordt mogelijk gesproken over cocaïne die niet tijdig uit de container is gehaald, want “ze” waren te laat. Echter, hieruit is verder niet gebleken dat de verdachte zelf (strafbare) handelingen heeft uitgevoerd en dat hij voorafgaand aan de invoer van de cocaïne in Nederland, wetenschap had van de cocaïne in de container. Nu niet kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die de schermweergave heeft gestuurd naar de uithaler [naam medeverdachte 2] die op het haventerrein heeft gezocht naar de container [containernummer 1] , en het tapgesprek tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] over de container dateert van enkele weken na de betreffende invoer, is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende concrete feitelijke aanknopingspunten biedt om vast te kunnen stellen dat de verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen dan wel bevorderingshandelingen, als bedoeld in artikel 10a van Opiumwet. 4.4.3. Conclusie Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Zaaksdossier Kruisbrik : het medeplegen van de invoer van 24,82 kilogram cocaïne, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe (feit 3) 4.5. Vrijspraak zonder nadere motivering (primair) Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.6. Bewijswaardering van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde 4.6.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op basis van de SMS-berichten tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] kan geen strafbare betrokkenheid worden bewezen. Daarnaast is de cocaïne ten tijde van het contact tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] al in beslag genomen. 4.6.2. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank gaat uit van de volgende, aan de wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Op 13 oktober 2020 is de container met het nummer [containernummer 2] , welke zich bevond op het terrein van ECT Delta Terminal in Rotterdam, gecontroleerd. De container was afkomstig uit Posorja (Ecuador). In deze container zijn 25 pakketten aangetroffen met daarin in totaal 24,82 kilogram cocaïne. In het dossier bevinden zich uitwerkingen van tapgesprekken en SMS-berichten tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] . Op 16 oktober 2020 heeft [naam medeverdachte 1] aan de verdachte gevraagd wat hij aan het doen is en of het klopt dat er eentje apart is gezet. Op de vraag van [naam medeverdachte 1] wat er mee aan de hand is, heeft de verdachte gevraagd of [naam medeverdachte 1] zijn andere telefoon niet bij zich heeft en of [naam medeverdachte 1] deze gisteren niet van een ander heeft gekregen. [naam medeverdachte 1] heeft geantwoord dat hij die andere telefoon niet bij zich heeft. Later heeft hij aangegeven dat hij wel een andere heeft, maar dat de verdachte deze niet heeft. Op de vraag waar [naam medeverdachte 1] nu is, heeft [naam medeverdachte 1] doorgegeven dat hij onderweg is naar “die gasten”. Uiteindelijk heeft de verdachte aan [naam medeverdachte 1] gevraagd of hij moet kijken. Via SMS-berichten worden om 11:01 uur de eerste vier cijfers van een containernummer doorgegeven: “ [nummer 1] ”. Dit betreffen de eerste vier cijfers van de container waarin de cocaïne is aangetroffen. Uit voormelde feiten – ook bezien in samenhang met de conclusie van de rechtbank onder 4.4.2. op basis van feiten in de volgende maanden – volgt voor de rechtbank dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van het feit dat er via het terrein van zijn werkgever cocaïne wordt ingevoerd. Gelet op het (versluierd) taalgebruik in de gesprekken die de verdachte met [naam medeverdachte 1] heeft gevoerd, in combinatie met het feit dat het zoeken naar apart gezette containers buiten de functie van de verdachte valt, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de cocaïne in deze betreffende container. Door op het terrein op zoek te gaan naar deze container en informatie over het apart zetten van deze container door te geven aan [naam medeverdachte 1] , heeft de verdachte informatie uitgewisseld ten behoeve van het invoeren en uithalen van de cocaïne. Daarmee heeft de verdachte voorbereidingshandelingen verricht waarbij het opzet was gericht op de invoer van cocaïne. Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de cocaïne op het moment van de gesprekken tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] al in beslag was genomen, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB0494) volgt dat de inbeslagname van de cocaïne niet in de weg staat aan het zelfstandig strafbare karakter van voorbereidings- of bevorderingshandelingen, ook niet als met die handelingen pas een begin is gemaakt na de inbeslagneming van die concrete hoeveelheid verdovende middelen. De inbeslagname van de cocaïne op 13 oktober 2020 staat dus niet in de weg aan een veroordeling voor het subsidiair ten laste gelegde. 4.6.3. Conclusie Het onder 3 subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. Zaaksoverstijgend: niet-ambtelijk corruptie (feit 4) 4.7. Vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde 4.7.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte heeft door het plegen van de ten laste gelegde feiten in strijd gehandeld met zijn plicht. Het is een feit van algemene bekendheid dat voor het plegen van drugsgerelateerde feiten geld wordt ontvangen of beloofd. Dat daadwerkelijk veel geld is verdiend, blijkt uit de gesprekken die de verdachten in het dossier Krotekoker met elkaar hebben gevoerd. 4.7.2. Beoordeling door de rechtbank Uit het onder 4.5.2. overwogene blijkt dat de verdachte op verzoek van [naam medeverdachte 1] op het terrein van [naam transportbedrijf] op zoek is gegaan naar de container en over deze container – waarin de betreffende cocaïne is aangetroffen – informatie heeft verstrekt. Dergelijke handelingen vallen niet onder reguliere werkzaamheden en zijn in strijd met de betrekking van de verdachte. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat de verdachte tijdens zijn werkzame periode bij [naam transportbedrijf] daadwerkelijk een gift en/of belofte heeft aangenomen. 4.7.3. Conclusie Het onder 4 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.8. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: Zaaksdossier Kruisbrik hij in de periode van 13 oktober 2020 tot 17 oktober 2020 te Rotterdam , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een partij van 25 pakketten cocaïne (nettogewicht: 24,82 kilogram), een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en zich en/of anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, hebben de verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.