RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 9989220 CV EXPL 22-20912 datum uitspraak: 31 maart 2023 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Sluis 2010 B.V. , vestigingsplaats: Amsterdam, eiseres, gemachtigde: mr. O.J. Boeder, tegen 1. [gedaagde01] , zonder bekende woon- of verblijfplaats, gedaagde, die niet is verschenen, 2. [gedaagde02] , woonplaats: [woonplaats01] , gedaagde, gemachtigde: mr. J. de Back. De partijen worden hierna ‘Sluis 2010’, ‘ [gedaagde01] ’, en ‘ [gedaagde02] ’ genoemd. 1. De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 28 juni 2022, met bijlagen; het antwoord van [gedaagde02] , met bijlagen; de akte van Sluis 2010 van 30 december 2022, met bijlagen; het bewijs van publicatie van een uittreksel van het exploot van dagvaarding in de Staatscourant. 1.2. Op 21 februari 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig [naam01] (beheerder van Sluis 2010, hierna: [naam01] ), bijgestaan door de gemachtigde, en [gedaagde02] , bijgestaan door de gemachtigde. 1.3. [gedaagde01] is niet in de procedure verschenen. De kantonrechter heeft geconstateerd dat hij op de juiste manier is opgeroepen. Tegen hem wordt daarom verstek verleend. Dit vonnis heeft ingevolge artikel 140 lid 3 Rv te gelden als vonnis op tegenspraak. 2. Wat wil Sluis 2010 en waarom? 2.1. Sluis 2010 eist, nadat zij bij de mondelinge behandeling haar eis heeft verminderd, samengevat: de huurovereenkomst met [gedaagde01] te ontbinden, [gedaagde01] te veroordelen aan haar te betalen € 6.000,-, te vermeerderen met € 1.500,- per maand vanaf 1 juli 2022; te bepalen dat de (onder)huurovereenkomst met [gedaagde02] eindigt per 1 augustus 2022 en hem te veroordelen om het gehuurde te ontruimen; subsidiair te bepalen dat de door [gedaagde02] aan Sluis 2010 te betalen huurprijs € 1.500,- per maand bedraagt; [gedaagde01] en [gedaagde02] te veroordelen in de proceskosten; het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 2.2. Sluis 2010 heeft aan [gedaagde01] met ingang van 9 september 2010 verhuurd de woonruimte aan de Honingerdijk 71b bgg in Rotterdam, voor een huurprijs van € 1.500,- per maand. [gedaagde01] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Berekend tot en met juni 2022 bedraagt de achterstand € 10.500,-. In een kort geding vonnis van 31 maart 2022 is [gedaagde01] veroordeeld om aan Sluis 2010 een bedrag van € 4.500,- te betalen ter zake van de huurachterstand over de maanden december tot en met februari 2022. In deze procedure wordt betaling gevorderd van de huurachterstand over de maanden maart tot en met juni 2022 van € 6.000,-. De huurachterstand is zo hoog dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. 2.3. [gedaagde01] , althans zijn eenmanszaak [bedrijf01] , heeft het gehuurde met ingang van 7 september 2021 onderverhuurd aan [gedaagde02] . Volgens Sluis 2010 was [gedaagde02] bij het sluiten van de onderhuurovereenkomst niet te goeder trouw, daarom komt hem niet de bescherming van artikel 7:269 BW toe. De huurovereenkomst was bovendien tijdelijk van aard en is op 7 september 2022 geëindigd; [gedaagde02] heeft de dagvaardingen van Sluis 2010 immers moeten beschouwen als een kennisgeving van het einde van de huurovereenkomst. In een schriftelijke onderhuurovereenkomst tussen [bedrijf01] en [gedaagde02] staat weliswaar een huurprijs van € 740,- per maand maar in werkelijkheid heeft [gedaagde02] met [gedaagde01] een huurprijs van € 1.500,- per maand afgesproken. Die huurprijs moet hij aan Sluis 2010 betalen als hij gebruik kan maken van de bescherming van artikel 7:269 BW. 3. De beoordeling Deelvonnis: ontbinding huurovereenkomst [gedaagde01] toegewezen 3.1. Vast staat dat [gedaagde01] een aanzienlijke huurachterstand heeft laten ontstaan, die steeds verder oploopt. Dit is een zodanige tekortkoming van [gedaagde01] dat de ontbinding van de huurovereenkomst toewijsbaar is. Die vordering zal dan ook worden toegewezen. Ter zitting is gebleken dat er geen zaken van [gedaagde01] in het gehuurde aanwezig zijn, zodat ontruiming door [gedaagde01] niet aan de orde is. Sluis 2010 heeft haar ontruimingsvordering tegen [gedaagde01] daarom ingetrokken. Ook de vordering tot betaling van de huurachterstand zal worden toegewezen. Nu niet gebleken is dat [gedaagde01] sinds maart 2022 nog enig bedrag heeft betaald, zal tot en met maart 2023 een bedrag van (13 × € 1.500,- =) € 19.500,- worden toegewezen. 3.2. In deze procedure gaat het ook over de positie van [gedaagde02] . De kantonrechter kan, zoals hierna zal worden toegelicht, nog niet op alle vorderingen tegen [gedaagde02] beslissen. De kantonrechter acht het echter wel van belang dat nu al komt vast te staan op welk moment de huurovereenkomst tussen Sluis 2010 en [gedaagde01] eindigt. Daarom wordt in dit vonnis al de ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde01] uitgesproken. Huurovereenkomst met [gedaagde02] is nog niet geëindigd 3.3. De kantonrechter is, anders dan Sluis 2010 heeft gesteld, van oordeel dat de onderhuurovereenkomst tussen [gedaagde01] en [gedaagde02] niet is geëindigd per 7 september 2022. Zelfs als sprake zou zijn (geweest) van een tijdelijke huurovereenkomst in de zin van artikel 7:271 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) – dat zou door uitleg van de bepalingen in de huurovereenkomst moeten worden vastgesteld –, dan ontbreekt een geldige kennisgeving van het einde van die huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:271 lid 1 sub b BW. De (dagvaardingen in verband met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.