RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10104440 CV EXPL 22-28822 datum uitspraak: 21 april 2023 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser01] , die handelt onder de naam [handelsnaam01] , wonende en zaakdoende in [plaats01] , eiser, gemachtigde: mr. E.J.W. van den Berg, tegen [gedaagde01] , die handelt onder de naam [handelsnaam02] , wonende en zaakdoende in [plaats02] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd. 1. De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 5 september 2022, met bijlagen; de aantekeningen van het mondelinge antwoord; de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald; de brief van 30 januari 2023 van [eiser01] , met bijlage; de akte uitlating gemaakte kosten tevens overlegging facturen van [eiser01] , met bijlagen; de aantekeningen van de mondelinge akte van [gedaagde01] , met bijlagen; de akte uitlating ingediende stukken van [eiser01] . 1.2. Op 31 januari 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser01] en zijn gemachtigde en [gedaagde01] . 2. De feiten 2.1. Begin 2021 heeft [eiser01] aan [gedaagde01] opdracht verstrekt om – in onderaanneming – tegelwerkzaamheden uit te voeren in verband met een verbouwing van twee badkamers en een toilet. 2.2. Na uitvoering van de werkzaamheden heeft [gedaagde01] op 9 mei 2021 een factuur opgesteld voor een bedrag van € 3.750,00, btw verlegd. De omschrijving op de factuur luidt “Tegel werkzaamheden”. 2.3. De hoofdopdrachtgever, een klant van [eiser01] , was ontevreden over het resultaat van de werkzaamheden van [gedaagde01] . 2.4. Op 22 december 2021 heeft de gemachtigde van [eiser01] [gedaagde01] gesommeerd om binnen vier weken zorg te dragen voor het herstel van de gebreken. [gedaagde01] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven. 2.5. In maart 2022 heeft [bedrijf01] (hierna: ‘ [bedrijf01] ’) in opdracht van [eiser01] onderzoek gedaan naar de door [gedaagde01] verrichte werkzaamheden. [bedrijf01] heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport. De conclusie van [bedrijf01] luidt, samengevat weergegeven, dat het door [gedaagde01] verrichte werk meerdere gebreken vertoont en dat er sprake is van gevolgschade. [bedrijf01] heeft de kosten voor het herstel van de gebreken en de gevolgschade begroot op € 15.000,00 excl. btw. 2.6. Eveneens in maart 2022 heeft [eiser01] de gebreken hersteld. Dat heeft hij deels zelf gedaan en deels door inschakeling van andere partijen. 2.7. Bij brief van 30 maart 2022 heeft de gemachtigde van [eiser01] aan [gedaagde01] laten weten dat [eiser01] zijn vordering tot nakoming omzet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. In diezelfde brief heeft [eiser01] aanspraak gemaakt op een bedrag van € 15.000,00 en [gedaagde01] verzocht dat bedrag binnen drie weken te betalen. [gedaagde01] heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven. 3. Het geschil 3.1. [eiser01] eist samengevat: [gedaagde01] te veroordelen aan hem te betalen € 17.679,50 met rente over een bedrag van € 15.925,00; [gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten; het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het bedrag dat [eiser01] eist bestaat uit de hoofdsom van € 15.000,00, expertisekosten van € 1.754,50 en buitengerechtelijke kosten van € 925,00. 3.2. [eiser01] baseert de eis op het volgende. [eiser01] heeft [gedaagde01] opdracht gegeven om tegelwerkzaamheden uit te voeren ten behoeve van een klant van hem. [gedaagde01] heeft het werk niet deugdelijk uitgevoerd. [eiser01] heeft [gedaagde01] in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen, maar [gedaagde01] is daar niet op ingegaan. Uiteindelijk heeft [eiser01] zijn vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. [eiser01] heeft de herstelwerkzaamheden zelf, met de hulp van andere partijen, uitgevoerd. [bedrijf01] heeft de kosten van herstel begroot op € 15.000,00 excl. btw, maar de daadwerkelijk gemaakte kosten bedroegen € 11.145,27 excl. btw. Verder heeft [eiser01] kosten moeten maken voor inschakeling van [bedrijf01] (€ 1.754,50) en heeft hij buitengerechtelijke kosten moeten maken (die moeten worden begroot op € 925,00). 3.3. [gedaagde01] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. Het tegelwerk was inderdaad niet goed, maar dat heeft [gedaagde01] al verdisconteerd in de prijs. De factuur voor de werkzaamheden kwam namelijk aanvankelijk uit op een bedrag van rond de € 8.000,00 excl. btw. Omdat [eiser01] niet tevreden was, hebben [gedaagde01] en [eiser01] in overleg besloten het factuurbedrag te verlagen naar € 3.750,00 excl. btw. Daarnaast heeft [eiser01] een factuur van € 630,00 (voor een andere opdracht) onbetaald gelaten. Dat bedrag moet in mindering worden gebracht op het bedrag dat [gedaagde01] eventueel aan [eiser01] moet betalen. 4. De beoordeling [gedaagde01] is aansprakelijk voor de door [eiser01] geleden schade 4.1. Of [gedaagde01] aansprakelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:74 BW. Dat artikel bepaalt – voor zover hier relevant – dat een schuldenaar die tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, de schade moet vergoeden die de schuldeiser daardoor lijdt, mits de schuldenaar in verzuim verkeert. 4.2. Dat [gedaagde01] is tekortgeschoten, staat vast. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat de tegelwerkzaamheden die [gedaagde01] heeft uitgevoerd gebreken vertoonden. Het gaat dan om de gebreken die [bedrijf01] in haar rapport heeft omschreven in haar bevindingen a tot en met f. Ook staat vast dat [gedaagde01] schade heeft veroorzaakt aan de vloerverwarming (bevinding g van [bedrijf01] ) en de entree (bevinding h van [bedrijf01] ). [gedaagde01] heeft dat namelijk niet betwist. 4.3. Dat [gedaagde01] in verzuim verkeerde, staat ook vast. [eiser01] heeft namelijk onbetwist gesteld dat hij [gedaagde01] in staat heeft gesteld de gebreken en de schade aan de vloerverwarming en entree te herstellen, maar dat [gedaagde01] niet tot herstel is overgegaan. 4.4. Nu [gedaagde01] is tekortgeschoten en in verzuim verkeerde, is hij in principe verplicht de schade te vergoeden die [eiser01] heeft geleden. De kantonrechter zal echter eerst beoordelen of het vorderingsrecht van [eiser01] nog bestaat. [eiser01] heeft geen afstand gedaan van zijn recht op schadevergoeding 4.5. [gedaagde01] stelt dat het factuurbedrag in eerste instantie ongeveer € 8.000,00 excl. btw bedroeg, maar dat hij en [eiser01] vanwege de gebreken hebben afgesproken dat bedrag te verlagen tot € 3.750,00 excl. btw. De kantonrechter leest hierin de stelling dat [eiser01] in ruil voor een ‘korting’ afstand heeft gedaan van zijn recht om schadevergoeding te vorderen. Dit verweer slaagt niet en de kantonrechter licht toe waarom niet. 4.6. Uit artikel 6:160 BW volgt dat een verbintenis ophoudt te bestaan, als de schuldeiser met de schuldenaar afspreekt dat hij afstand doet van zijn vorderingsrecht. Het beroep dat [gedaagde01] op dit artikel doet, kan alleen slagen als vaststaat dat het aanvankelijke factuurbedrag, zoals [gedaagde01] stelt, ongeveer € 8.000,00 excl. btw bedroeg. Immers, als dat niet vaststaat, staat ook niet vast dat partijen de factuur hebben verlaagd. Evenmin staat dan vast dat [eiser01] in ruil voor een korting afstand heeft gedaan van zijn recht om schadevergoeding te vorderen. 4.7. Dat de factuur aanvankelijk ongeveer € 8.000,00 excl. btw bedroeg, is niet komen vast te staan. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen van tevoren een prijs van € 60,00 excl. btw per m2 waren overeengekomen en dat in totaal ongeveer 62 m2 moest worden betegeld. Uitgaande van die gegevens, zou de aanneemsom op € 3.720,00 excl. btw zijn uitgekomen. Dat bedrag komt, op € 30,00 excl. btw na, overeen met het door [gedaagde01] gefactureerde bedrag. Het aanvankelijke factuurbedrag kan dus alleen ongeveer € 8.000,00 excl. btw hebben bedragen, als [gedaagde01] extra werkzaamheden heeft verricht. Weliswaar heeft [gedaagde01] gesteld dat hij – buiten de opdracht om – de vloer heeft verhoogd en duurdere tegelstrips heeft gebruikt, maar [eiser01] heeft betwist dat die werkzaamheden niet tot de oorspronkelijke opdracht behoorden. Het had vervolgens op de weg van [gedaagde01] gelegen om concreet te maken welke werkzaamheden hij buiten de opdracht om heeft verricht en welke kosten daarmee waren gemoeid. Dat heeft [gedaagde01] niet gedaan. 4.8. Nu het verweer van [gedaagde01] niet slaagt, heeft [eiser01] nog steeds recht op vergoeding van de door hem geleden schade. Schadebedrag 4.9. De kantonrechter begroot de schade op € 12.544,66. Daarvan ziet (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.