← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2023:3720

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10094010 CV EXPL 22-27869 datum uitspraak: 21 april 2023 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van de Staat der Nederlanden , meer in het bijzonder het Ministerie van Buitenlandse Zaken , vestigingsplaats: Den Haag, eiseres, gemachtigde: Betalis B.V. te Prinsenbeek, rolgemachtigde: Velthoven De Koning Gerechtsdeurwaarders te Rotterdam, tegen [gedaagde01] , woonplaats: [woonplaats01] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘de Staat’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd. 1 De procedure 1.

  1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 16 augustus 2022, met bijlagen; het antwoord. 1.
  2. Op 4 april 2023 is de zaak mondeling behandeld. De Staat is voor deze zitting uitgenodigd, door middel van een brief die is verstuurd naar haar rolgemachtigde. Er is echter niemand verschenen. [gedaagde01] is wel verschenen, bijgestaan door A. Ben Ali (tolk in de Arabische taal). 2 De beoordeling [gedaagde01] moet € 300,- betalen aan de Staat 2.
  3. Bij de uitbraak van de coronacrisis verbleef [gedaagde01] in Marokko. Aangezien veel grenzen sloten en negatieve reisadviezen werden afgegeven, heeft de Staat [gedaagde01] geholpen om terug te keren naar Nederland. Voor deze hulp moest [gedaagde01] een eigen bijdrage van € 300,- betalen. [gedaagde01] heeft dat bedrag niet betaald. De Staat eist daarom in deze procedure dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om dat bedrag alsnog te betalen. [gedaagde01] is het daarmee eens. Deze eis wordt daarom toegewezen. [gedaagde01] hoeft geen buitengerechtelijke kosten te betalen 2.
  4. De Staat eist dat [gedaagde01] ook wordt veroordeeld om een vergoeding van buitengerechtelijke kosten te betalen. Deze eis wordt afgewezen. De Staat kan alleen een vergoeding voor die kosten krijgen als [gedaagde01] een aanmaning van haar heeft ontvangen, die voldoet aan de wettelijke eisen (artikel 6:96 BW). [gedaagde01] heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij voorafgaand aan deze procedure nooit aanmaningen heeft ontvangen. De Staat heeft vervolgens geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat hij die aanmaningen wel degelijk heeft ontvangen. De Staat heeft haar vordering op dit punt dus onvoldoende onderbouwd. [gedaagde01] moet rente betalen vanaf 14 dagen na dit vonnis 2.
  5. De Staat eist verder dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om wettelijke rente te betalen vanaf de datum van dit vonnis. Deze eis is op de wet gebaseerd (artikel 6:119 BW) en wordt toegewezen vanaf 5 mei 2023, namelijk 14 dagen na dit vonnis. Zo heeft [gedaagde01] nog een redelijke periode de tijd om zonder bijkomende kosten de € 300,- te betalen. Daarbij weegt mee dat [gedaagde01] onbetwist heeft gesteld dat hij na ontvangst van de dagvaarding contact heeft opgenomen met de deurwaarder en aangeboden heeft de eigen bijdrage te betalen, maar dat dit van de hand is gewezen omdat er al een procedure liep. De Staat moet de proceskosten van [gedaagde01] betalen 2.
  6. De Staat moet de kosten van deze procedure betalen, omdat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat het nodig was om deze procedure te starten. Niet gesteld of gebleken is dat en op grond waarvan [gedaagde01] voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding uit zichzelf het bedrag van € 300,- had moeten betalen. Verder is, zoals hiervoor overwogen, door de Staat niet (voldoende concreet) onderbouwd dat [gedaagde01] voorafgaand aan deze procedure enige aanmaning heeft ontvangen én heeft [gedaagde01] onbetwist gesteld dat zijn aanbod om na het uitbrengen van de dagvaarding de hoofdsom te betalen van de hand is gewezen. De kantonrechter begroot de kosten aan de zijde van [gedaagde01] op € 50,-. De wettelijke rente hierover, waarop [gedaagde01] aanspraak maakt, wordt toegewezen. Uitvoerbaarheid bij voorraad 2.
  7. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). 3 De beslissing De kantonrechter: 3.
  8. veroordeelt [gedaagde01] om aan de Staat € 300,- te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 5 mei 2023 tot de dag van volledige betaling; 3.
  9. veroordeelt de Staat in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op € 50,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling; 3.
  10. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  11. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken. 33394

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.