vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/592479 / HA ZA 20-251 Vonnis van 26 april 2023 in de zaak van
(2003), 427, vermeldt in dit verband: “'De aansprakelijkheid voor handelingen van anderen': dit punt ziet op de bepalingen van het aangewezen recht, waarin mogelijk wordt gestipuleerd dat iemand aansprakelijk is voor handelingen van anderen. Onder dit begrip valt met name de aansprakelijkheid van ouders en opdrachtgevers voor de handelingen van hun kinderen of ondergeschikten.” 3.
- Toepassing van artikel 4 leden 1 en 2 Rome II op de in r.o. 3.18 bedoelde verbintenis van EY NL leidt tot toepasselijkheid van het Nederlandse recht: de schade is - om de in r.o. 3.6 tot en met 3.6.3 beschreven redenen - in Nederland ingetreden. Artikel 4 lid 1 Rome II leidt dus tot toepasselijkheid van het Nederlandse recht en toepassing van artikel 4 lid 2 Rome II leidt niet tot toepasselijkheid van een ander recht. 3.
- Of EY Brazilië een niet-ondergeschikte hulppersoon is van EY NL en aan de overige eisen voor kwalitatieve aansprakelijkheid is voldaan dient dan ook naar Nederlands recht te worden beoordeeld. Bij de beoordeling of EY Brazilië als hulppersoon zelf aansprakelijk is komt, op dezelfde wijze als weergegeven onder 3.12, feitelijke relevantie toe aan de destijds ter plaatse geldende juridische context. Conclusie 3.
- Op de vorderingen van COFCO Coöp tegen EY NL en EY Brazilië is Nederlands recht van toepassing. Bij het naar Nederlands recht vaststellen van de reikwijdte en strekking van een op EY Brazilië rustende zorgplicht jegens derden, zijn de destijds geldende Braziliaanse regels en normen voor een controlerende accountants van belang. Over de inhoud en strekking van die regels en normen zullen partijen de rechtbank dienen voor te lichten. Geen tussentijds hoger beroep en geen prejudiciële vragen 3.
- EY Brazilië verzoekt de rechtbank om in het geval dat de rechtbank oordeelt dat Nederlands recht van toepassing is tussentijds hoger beroep toe te staan van zowel dit vonnis als het op 2 maart 2022 gewezen vonnis in het bevoegdheidsincident. Volgens EY Brazilië is dat aangewezen. Als in hoger beroep wordt vastgesteld dat Braziliaans recht van toepassing is en/of dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, zal dat onnodig discussiëren over de aansprakelijkheidsvraag en daarmee gemoeide kosten kunnen voorkomen. 3.
- De rechtbank heeft in het vonnis van 2 maart 2022 de mogelijkheid opengehouden om tegen een eventueel later tussenvonnis -zoals het onderhavige- tussentijds hoger beroep open te stellen. In dit stadium van de procedure acht de rechtbank dat evenwel niet efficiënt en evenmin opportuun. Een (eerste) inhoudelijk vonnis is halverwege 2024 te verwachten. Zo nodig kan dan opnieuw overwogen worden of reden bestaat voor het openstellen van tussentijds hoger beroep. 3.
- De rechtbank acht het evenmin aangewezen om prejudiciële vragen te stellen over de toepassing van artikel 4 Rome II. 3.
- De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor voortprocederen conform de op de regiezitting voor dit geval gemaakte afspraken. 3.
- Ieder verder oordeel, ook omtrent de proceskosten, wordt aangehouden. 4 De beslissing De rechtbank, 4.
- verwijst de zaak naar de rol van 12 juli 2023: - voor de conclusies van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv ten aanzien van de controledossiers aan de zijde van EY NL en EY Brazilië; voor de conclusie van eis in het (aangekondigde) incident ex artikel 843a Rv ten aanzien van de arbitragedossiers aan de zijde van EY NL; voor conclusie van repliek in de hoofdzaak aan de zijde van COFCO Coöp; 4.
- houdt alle overige beslissingen aan. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en mr. N. Doorduijn en in het openbaar uitgesproken op 26 april
- 1861/1876/1885/106