Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht Bestuursrecht zaaknummer: ROT 22/4168 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2023 in de zaak tussen [naam eiser], te [plaatsnaam], eiser, gemachtigde: mr. D. Coskun, en de Minister van Financiën, verweerder, gemachtigden: mr. A. van der Linden en J. Lam. Procesverloop Bij besluit van 3 maart 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) inzage te geven in zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening afgewezen. Bij besluit van 26 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en daarbij de gevraagde informatie gedeeltelijk wel en gedeeltelijk niet verstrekt. Eiser heeft op 5 september 2022 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 7 november 2022 en 16 januari 2023 verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2023. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is verschenen de tolk [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Inleiding 1. Eind 2020 is de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) onder begeleiding van de politie de woning van eiser op de [adres] binnengetreden. De FIOD heeft gezocht naar een mogelijk grote hoeveelheid aan contant geld, bij eiser is – los van leefgeld – echter niets aangetroffen. Op de woning is executoriaal beslag gelegd. Eiser heeft op 31 januari 2022 een inzageverzoek ingediend: hij wil een overzicht van zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Eiser wil namelijk meer informatie over waarom de FIOD bij hem is binnengevallen. Het bestreden besluit 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn persoonsgegevens in de FSV zijn opgenomen en daarvan een overzicht verschaft. Verder bevat de FSV-registratie namen van belastingdienstmedewerkers en een aantekening. Verweerder kan de concrete aanleiding of bron voor deze aantekening niet geven en verwijst hierbij naar artikel 23, eerste lid van de AVG en artikel 41, eerste lid, onderdelen d, e, h en i van de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Het privacybelang van eiser als betrokkene weegt niet op tegen de toezichts-, opsporings- en controletaken van de overheid en de bescherming van privacy van derden. Juridisch kader 3. Het voor deze zaak relevante juridisch kader is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling 4. Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte niet volledig is tegemoetgekomen. Verweerder is ook gehouden om hem inzage te geven in de aanleiding van of reden voor de in de FSV over eiser opgenomen aantekening. Eiser wil weten hoe verweerder is omgegaan met de anonieme tip in zijn geval, welke stappen zijn gezet en aan welke instanties welke inlichtingen en/of welke instructies zijn gegeven. 5. De rechtbank heeft begrip voor de reden van het verzoek van eiser. Eiser heeft toegelicht dat de inval in zijn woning niet alleen gevolgen heeft gehad voor hem, maar ook voor zijn familie. Eiser wil daarom graag weten wat de aanleiding voor die inval is geweest. Toch bestaat volgens de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte geen inzage heeft gegeven over de bron en/of aanleiding van de over eiser in de FSV opgenomen aantekening. Vooropgesteld dient te worden dat eiser het niet delen van gegevens op grond van de privacy van anderen niet betwist. Over dergelijke gegevens hoeft dan ook geen inzage aan eiser te worden verschaft. Daar komt bij dat wat eiser in beroep aanvoert niet ziet op de overige weigeringsgronden van het door hem gedane inzageverzoek van zijn persoonsgegevens in de FSV. Verweerder heeft ook overigens nog toegelicht dat het bij het bestreden besluit aan eiser verstrekte overzicht niet met andere overheidsinstanties is gedeeld en dat deze informatie daarom niet de aanleiding kan zijn geweest voor de doorzoeking in de woning door de FIOD. Op 27 februari 2020 is de FSV in de digitale kluis geplaatst en niet meer benaderbaar voor medewerkers van de Belastingdienst, terwijl de door de FIOD verrichtte doorzoeking eind 2020 plaatsvond. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de uitzonderingsgronden van artikel 23, eerste lid, van de AVG en artikel 41, eerste lid, onderdelen d, e, h en i van de UAVG kunnen toepassen en de verdere inzage op goede gronden geweigerd. Conclusie 6. Het beroep is dus ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan op 25 april 2023. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. BIJLAGE Algemene verordening gegevensbescherming Op grond van artikel 15, eerste lid, heeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.