← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2023:4208

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10236305 CV EXPL 22-37604 datum uitspraak: 12 mei 2023 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser01] , woonplaats: [woonplaats01] , eiser, gemachtigde: mr. A. Frederiksen, tegen [gedaagde01] , woonplaats: [woonplaats02] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd. 1 De procedure 1.

  1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 6 december 2022, met bijlagen; het antwoord; de repliek; de dupliek; het tussenvonnis van 10 maart
  2. 2 De verdere beoordeling 2.
  3. Bij tussenvonnis is [gedaagde01] in de gelegenheid gesteld zijn stelling dat hij het van [eiser01] geleende geld heeft terugbetaald, te bewijzen. [gedaagde01] heeft niet gereageerd, zodat niet is komen vast te staan dat hij het geld heeft terugbetaald. De vordering van [eiser01] tot terugbetaling van het geleende bedrag van € 1.450,- wordt dan ook toegewezen. 2.
  4. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De rente wordt toegewezen, omdat [eiser01] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde01] dat niet heeft betwist. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, nu niet is gesteld of gebleken dat de kosten voor dagvaarding dan wel voor de ingebrekestelling door eisende partij zijn betaald aan de gemachtigde. 2.
  5. [gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). Nu [eiser01] procedeert op basis van een toevoeging blijven de proceskosten beperkt tot het verschuldigde griffierecht van € 86,- en € 398,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 199,-). Dit is totaal € 484,-. Voor kosten die [eiser01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 99,50 (1/2 punt x € 199,-). Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853). 2.
  6. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). 3 De beslissing De kantonrechter: 3.
  7. veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 1.713,18 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.450,- vanaf 7 maart 2022 tot de dag van volledige betaling; 3.
  8. veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser01] vastgesteld op € 86,- aan verschotten en € 398,- aan salaris voor de gemachtigde, van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan; 3.
  9. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  10. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken. 527

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.