Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/165286.22 Datum uitspraak: 5 april 2023 Tegenspraak Tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte01] , geboren te [geboorteland01] op [geboortedatum01], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres01] , [postcode01] te [plaats01] , preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres01], raadsman mr. F.S. Jansen, advocaat te Bleiswijk. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 maart 2023. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd komt de verdenking erop neer dat de verdachte als eerste (primair) wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer01] , een jongen van twaalf jaar oud. Als dat niet kan worden bewezen, wordt de verdachte (subsidiair) verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met deze jongen, welke ontucht onder meer bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Uiterst subsidiair is, als binnendringen niet kan worden bewezen, de tenlastelegging toegespitst op de overige ontuchtige handelingen. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. T.J. Lindhout heeft gevorderd: vrijspraak van het primair ten laste gelegde; bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde behoudens het vijfde gedachtestreepje; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 263 dagen met aftrek van voorarrest; oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals genoemd in het rapport van Reclassering Nederland van 27 januari 2023 en met dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel; oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM). 4. Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraken Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde verkrachting wegens het ontbreken van bewijs voor dwang niet wettig en overtuigend bewezen is, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Daarnaast is voor het vijfde gedachtestreepje van het subsidiair ten laste gelegde (‘nemen van de penis van [slachtoffer01] in zijn mond’) onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig en komt de rechtbank, net als de officier van justitie en de verdediging voor dit onderdeel tot vrijspraak. Gelet op de ingenomen standpunten worden deze vrijspraken niet nader gemotiveerd. 4.2. Bewijswaardering 4.2.1. Standpunten officier van justitie en verdediging De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. De verdediging refereert zich ten aanzien van dat feit gelet op de bekennende verklaring van de verdachte, met uitzondering van het derde en vierde gedachtestreepje, het zoenen en het penetreren met de penis. 4.2.2. Beoordeling Op 2 juli 2022 aan het begin van de avond heeft er op straat een ontmoeting plaatsgevonden tussen de verdachte en de destijds 12-jarige [slachtoffer01] . Zij zijn samen naar de supermarkt Jumbo gelopen in de omgeving van de [straatnaam01] in [plaats01] . Daar heeft de verdachte wat drinken voor [slachtoffer01] gekocht. Vervolgens is [slachtoffer01] met de verdachte naar zijn huis gegaan. In de slaapkamer heeft [slachtoffer01] de verdachte meermalen gepijpt. De verdachte heeft [slachtoffer01] betast en anaal gepenetreerd met zijn vingers. [slachtoffer01] heeft van de verdachte op enig moment een bedrag van €20,- gekregen en is na afloop van de seksuele handelingen naar huis gegaan. Deze feiten en omstandigheden hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en staan om die reden vast. Wat ter terechtzitting wel onderwerp van debat is geweest, is of er nog andere seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer01] ook heeft gezoend en anaal heeft gepenetreerd met zijn penis. Daarover rechtbank oordeelt als volgt. Gedachtestreepje 3: zoenen Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, oordeelt de rechtbank dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het slachtoffer ook heeft gezoend. De verklaring van het slachtoffer tijdens het studioverhoor is voldoende consistent en betrouwbaar, zodat deze ook voor het onderdeel ‘zoenen’ voor het bewijs kan worden gebruikt. Bovendien vindt deze verklaring steun in de verklaring van de verdachte zelf dat hij het slachtoffer ‘aan zijn gezicht’ heeft gekust (tweede politieverhoor). Gedachtestreepje 4: anaal penetreren met penis De verdachte heeft in het politieverhoor en ter zitting steeds gezegd dat hij [slachtoffer01] anaal heeft gepenetreerd met twee vingers en hij heeft ontkend dat hij [slachtoffer01] met zijn penis heeft gepenetreerd. [slachtoffer01] heeft verklaard dat hij heeft gevoeld dat de verdachte hem anaal penetreerde, maar de rechtbank begrijpt uit zijn verklaring dat hij niet gezien heeft hoe de verdachte dat deed, omdat de verdachte achter hem stond. Voor het onderdeel dat de verdachte de anus van [slachtoffer01] met zijn penis heeft gepenetreerd, is dan ook onvoldoende bewijs. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken. 4.2.3. Conclusie Bewezen is dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een 12-jarig kind, welke handelingen bestonden uit het betasten, pijpen, zoenen en het anaal penetreren met de vingers (gedachtestreepjes 1 tot en met 4 van het subsidiair ten laste gelegde). 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 2 juli 2022 te Rotterdam, met [slachtoffer01] , geboren op [geboortedatum02] 2010, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer01] , te weten het: - meermalen betasten en aanraken van het lichaam van die [slachtoffer01] , en - meermalen, brengen van zijn penis in de mond van die van [slachtoffer01] en zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer01] , en - eenmaal zoenen van die [slachtoffer01] , en - eenmaal brengen van zijn vinger in de anus van die [slachtoffer01] , Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. 5. Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 6. Strafbaarheid verdachte Na sluiting van het onderzoek is bij de beraadslaging gebleken dat het onderzoek ten aanzien van de persoon van verdachte niet volledig is geweest. De ernst van het hierboven bewezen verklaarde feit roept zonder meer vragen op over de beweegredenen en de persoonlijkheid van verdachte. Daarover is uit het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende naar voren gekomen. Psychiater [naam01] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 november 2022. Dit rapport houdt onder andere het volgende in: Er is bij de verdachte sprake van een matig ernstige verstandelijke beperking (IQ 56). Door de ontwijkende respons van onderzochte bij de seksuele anamnese kan een diagnose van een parafiele stoornis niet worden gesteld, noch worden uitgesloten, voor zover bij een matig ernstige verstandelijke beperking al een diagnose van een parafiele stoornis gesteld zou kunnen worden; Door zijn duurzame matig ernstige verstandelijke beperking functioneert de verdachte cognitief, emotioneel, sociaal en communicatief grotendeels op kinderlijk niveau en was de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde aanzienlijk beperkt in zijn algehele functioneren, met name ook in zijn vermogens tot oordeel en kritiek, communicatie en empathie en in zijn impulscontrole; Er wordt geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, omdat ondanks de beperkingen wel is gebleken van enig besef van de laakbaarheid van het door hem bekende tenlastegelegde; Het recidiverisico wordt als matig verhoogd tot hoog getaxeerd; Ondanks de blanco juridische en psychiatrische voorgeschiedenis van de verdachte is gezien zijn matig ernstige verstandelijke beperking, zijn Hiv-infectie en de ernst en aard van het ten laste gelegde langdurige en mogelijk blijvende begeleiding van en toezicht op de verdachte raadzaam; Geadviseerd wordt het recidivegevaar te beperken door aanvankelijk klinische behandeling en resocialisatie van de verdachte vanuit een instelling voor zorg aan verstandelijk beperkten en door langdurig toezicht door de reclassering in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf; Gezien de ernst van het ten laste gelegde komt wellicht ook het kader van tbs met voorwaarden in aanmerking; Een GVM zou ten uitvoer kunnen worden gelegd na behandeling in en resocialisatie vanuit een psychiatrische kliniek met expertise in de behandeling van verstandelijk beperkten in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf of tbs met voorwaarden. Psycholoog [naam02] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 oktober 2022 en naar aanleiding van vragen van de raadsman en de officier van justitie een aanvullend rapport gedateerd 21 december 2022. Deze rapporten houden onder meer het volgende in: - Er is bij de verdachte sprake van een forse intellectuele beperking en een verstandelijke beperking. Er zijn geen overtuigende concrete aanwijzingen om van een bestendige pedofiele stoornis te spreken behalve het ten laste gelegde zelf. Voor zover bekend is betrokkene niet eerder in de weer geweest met pedofiele activiteiten maar tegelijkertijd is dat ook niet uit te sluiten. Differentiaal diagnostisch wordt derhalve gesproken van een ongespecificeerde parafiele stoornis; De verstandelijke beperking is primair aanwezig en de ongespecificeerde parafiele stoornis secundair, namelijk voortkomend uit een gebrekkige beheersing van (seksuele) driften en (seksuele) impulsen, uit kritiek- en oordeelstoornissen en uit een gebrek aan vermogen om zich een voorstelling te vormen van de gevolgen van zijn gedrag voor de ander; De verdachte ziet nauwelijks de ernst van het ten laste gelegde in. Dit lijkt niet zozeer aan de procespositie van betrokkene te wijten als wel aan diens verstandelijke beperkingen. Betrokkene is zich nauwelijks van enig kwaad bewust en hij lijkt ook maar een zeer beperkt besef te hebben van de juridische consequenties van zijn handelen; Er wordt geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen; Het recidiverisico wordt als hoog getaxeerd. Er bestaat geen een-dimensionele aanpak van parafiele problematiek, zeker niet bij mensen met een verstandelijke beperking. Hoe meer controle betrokkene verwerft (ook middels adaptatie aan en acceptatie van zijn gebreken) over de genoemde kwetsbaarheden, hoe groter de kans dat het recidiverisico zal afnemen; Van belang is dat betrokkene via een speciaal trainingsprogramma voor verstandelijk beperkte mensen bij een forensisch psychiatrische polikliniek leert om te gaan met zijn kwetsbare kanten die als valkuil kunnen fungeren. Daarnaast zal vooral ook monitoring van zijn gedrag op langere termijn nodig zijn en is het van belang dat betrokkene wordt ingebed in een hulpverleningscircuit van de lvb; Het advies voor het juridisch kader is tweeledig. Primair is het advies om de mogelijkheid van een zorgmachtiging te onderzoeken als kader waarin de geadviseerde behandeling (in een forensisch psychiatrische polikliniek) zou kunnen plaatsvinden. De nadruk dient vooral te liggen op langdurige controle en monitoring. Wanneer de route van de zorgmachtiging niet wordt gebruikt, rest er een strafrechtelijke modaliteit. Geadviseerd wordt om de behandeling in eerste instantie in een kliniek te laten plaatsvinden (gespecialiseerd in de behandeling van mensen met een licht verstandelijke beperking) binnen het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf. Daarbij is nadien een langdurig vervolg van toezicht en monitoring nodig. Dit zou dan kunnen plaatsvinden binnen het kader van een GVM; Overwogen is om de klinische behandeling te laten plaatsvinden binnen het kader van een tbs met voorwaarden. Daaraan kleeft het risico dat de verdachte bij niet naleving van die voorwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.