RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 23/651 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2023 in de zaak tussen Delta Rijssen B.V. en Delta Rijssen Glasvezel Investeringen B.V., uit Rijssen, eiseressen, hierna: afzondelijk DR BV en DRGI BV, (gemachtigde: mr. C. van Deutekom), en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder, hierna: de minister, (gemachtigde: mr. K. Douma). Procesverloop Bij besluit van 24 december 2021 (primair besluit) heeft de minister zijn besluit van 21 december 2021 om spoedeisende bestuursdwang toe te passen, inhoudende maatregelen om uitspoeling van grond, zand en water uit het talud te voorkomen danwel te beperken, in het Leppa Akwaduct ter hoogte van Rijksweg 32 (A32), op schrift gesteld. Bij besluit van 25 april 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van DR BV tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 14 december 2022 (invorderingsbesluit) heeft de minister besloten dat de kosten voor het toepassen van bestuursdwang van € 11.066,78 (mede) op DR BV worden verhaald. Eiseressen hebben gronden tegen het invorderingsbesluit ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2023 op zitting behandeld. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door E. Heijting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. L. de Jong. Omdat de minister de gronden tegen het invorderingsbesluit niet voor de zitting had ontvangen, is het onderzoek ter zitting geschorst en is de minister in de gelegenheid gesteld alsnog op die gronden te reageren. Dat heeft de minister bij brief van 9 maart 2023 gedaan. Eiseressen hebben op 15 maart 2023 een schriftelijke reactie ingediend. Partijen is gevraagd of zij nog op een nadere zitting gehoord wilden worden. Daarop hebben zij niet gereageerd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten. Overwegingen 1.1. DRGI BV is met de gemeente Heerenveen overeengekomen dat zij een glasvezelnetwerk aanlegt in die gemeente. DRGI BV heeft Selecta Infrastructuur B.V. (Selecta) als onderaannemer de opdracht gegeven tot de aanleg van het glasvezelnetwerk. 1.2. Op 21 december 2021 heeft Rijkswaterstaat langs de Rijksweg 32 (A32) ter hoogte van hectometerpaal 59,2 meerdere schades aan het waterstaatswerk Leppa Akwaduct aangetroffen. De folieconstructie die onderdeel uitmaakt van het aquaduct bleek lek te zijn, waardoor er een water-/zand-/grondmengsel uitspoelde. De schade is veroorzaakt door het uitvoeren van een of meer gestuurde boringen binnen het gebied waarvoor de minister het bevoegde gezag is op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr). Rijkswaterstaat is uitvoerend orgaan namens de minister. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door Selecta zonder dat daarvoor een vergunning op grond van de Wbr is aangevraagd of verleend. De minister heeft spoedeisende bestuursdwang toegepast, bestaande uit maatregelen om uitspoeling van grond, zand en water uit het talud te voorkomen of te beperken. De minister heeft Selecta en DR BV aangemerkt als overtreders. De minister heeft DR BV aangemerkt als overtreder, omdat de overtreding haar als opdrachtgever van de werkzaamheden kan worden toegerekend. Tegen de beschikking gericht aan Selecta loopt een beroepsprocedure met zaaknummer 22/3556. 2. Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt. Het primaire besluit, het bestreden besluit en het invorderingsbesluit zijn gericht tot DR BV. Het belang van DRGI BV is niet rechtstreeks bij die besluiten betrokken. DRGI BV is daarom geen belanghebbende en kan daarom geen beroep instellen tegen het bestreden besluit. Het beroep voor zover ingesteld door DRGI BV is daarom niet-ontvankelijk. 3.1. Eiseressen voeren aan dat de minister DR BV om verschillende redenen ten onrechte heeft aangemerkt als overtreder. Ten eerste heeft DR BV de opdracht niet verstrekt aan Selecta, maar heeft DRGI BV een raamovereenkomst en projectovereenkomst met Selecta gesloten. DR BV verricht enkel holdingactiviteiten en DRGI BV is verantwoordelijk voor de vergunning en wordt eigenaar van het glasvezelnetwerk. Ten tweede stelt de minister ten onrechte dat DR BV een zorgplicht heeft geschonden, omdat het gaat om overtreding van de Wbr. Bovendien heeft DRGI BV in de oriëntatiefase gedaan wat van hoor verlangd mocht worden en zij heeft Selecta op de juiste wijze geïnformeerd. Zij heeft een oriëntatie en definitieve KLIC-melding bij het kadaster gedaan. Hieruit is niet gebleken dat sprake was van werkzaamheden bij een aquaduct met verdiepte ligging en een folieconstructie. Ten derde is in de vergunningaanvraag uitgegaan van een open ontgraving. Dat Selecta in afwijking hiervan is overgegaan tot boringen is DRGI BV niet toe te rekenen. Het kan niet van haar verwacht worden dat constant toezicht op het werk wordt gehouden. 3.2. De minister heeft toegelicht dat DR BV in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als enige aandeelhouder en enige bestuurder van Delta Infratechniek B.V. en DRGI BV staat geregistreerd. Alle drie de vennootschappen hebben hetzelfde bezoekadres, postadres en telefoonnummer. DR BV heeft daardoor zeggenschap over Delta Infratechniek B.V. en DRGI BV en had het daarom feitelijk en juridisch in haar macht om de overtreding te (doen) beëindigen. Volgens de minister kan DR BV daarom als overtreder worden aangemerkt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2005, r.o. 6.2) 3.3. De rechtbank begrijp het standpunt van de minister zo dat de overtreding mede aan DR BV als dader toegerekend moet worden. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 moet ook voor herstelsancties worden aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap. De uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019 is met deze nieuwe jurisprudentielijn niet in overeenstemming en mist daarom relevantie. Wat betreft de strafrechtelijke criteria voor het daderschap van rechtspersonen wijst de Afdeling in de uitspraak van 31 mei 2023 op de criteria die zijn geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 (Drijfmest-arrest), zoals verduidelijkt in het arrest van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733. In zijn arrest van 26 april 2016 heeft de Hoge Raad overwogen: “In zijn arrest van 21 oktober 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.