vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/646611 / HA ZA 22-852 Vonnis van 28 juni 2023 in de zaak van [eiseres01] , wonende te [woonplaats01] , eiseres, advocaat mr. S.X.J. Zuidema te Heerlen, tegen [gedaagde01] , wonende te [woonplaats01] , gedaagde, advocaat mr. O.R. van Hardenbroek te 's-Gravenhage. Partijen worden hierna [eiseres01] en [gedaagde01] genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 31 augustus 2022, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; de oproepingsbrief van deze rechtbank van 16 januari 2023; de akte houdende uitbreiding bewijsaanbod van [eiseres01] ; de brief van mr. Van Hardenbroek van 6 april 2023, met twee producties; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 april 2023; spreekaantekeningen van mr. Heutinck-Gomes (namens [gedaagde01] ); de brief van mr. Heutinck-Gomes van 17 april 2023; de brief van mr. Zuidema van 18 april 2023; de brief van mr. Heutinck-Gomes van 25 april 2023; de brief van mr. Zuidema van 1 mei 2023; de e-mail van mr. Heutinck-Gomes van 17 mei 2023; de brief van mr. Zuidema van 23 mei 2023; de brief van mr. Heutinck-Gomes van 24 mei 2023; de e-mail van de rechtbank van 5 juni 2023; de brief van mr. Heutinck-Gomes van 9 juni 2023, met daarbij gevoegd een akte uitlaten; de e-mail van de rechtbank van 9 juni 2023. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Partijen hebben meerdere jaren een affectieve relatie gehad. In 2020 is aan deze relatie een einde gekomen. 2.2. De laatste jaren van hun relatie woonden partijen in de woning aan de [adres01] in Vlaardingen (verder: de woning). [gedaagde01] is eigenaar van die woning. 2.3. Er zijn twee handgeschreven verklaringen opgesteld. Boven de eerste verklaring staat de datum 5 mei 2020. De tekst van de verklaring luidt als volgt: “ik [gedaagde01] geboren [geboortedatum01] -1982 verklaar hierbij dat [eiseres01] wonende aan de [adres01] te Vlaardingen in deze woning mag blijven wonen. Verder verklaar ik dat de helft van de woning ter samen met inboedel van mevrouw [eiseres01] is. Zo ook de helft van de schulden erop. Er vanuit gaande dat ik de schulden betaal.” 2.4. Onderaan deze eerste verklaring staan de namen “ [gedaagde01] ” en “ [eiseres01] ” . Onder beide namen staat een handtekening. 2.5. Boven de tweede verklaring staat de datum 26 mei 2020. De tekst van de verklaring luidt als volgt: “Hierbij verklaar ik [gedaagde01] geboren [geboortedatum02] 1982 te [geboorteplaats01] . Dat indien [eiseres01] geboren [geboortedatum03] 1984 mij zegt dat ik de woning moet verlaten, ik de woning aan de [adres01] te Vlaardingen verlaat. Zonder enig protest. En de andere helft van de woning ook geef.” 2.6. Onderaan deze tweede verklaring staan de namen “ [gedaagde01] ” en “ [eiseres01] ” . Onder beide namen staat een handtekening. 2.7. Een schriftelijke verklaring van de heer [naam01] , huidig partner van [eiseres01] , luidt als volgt: “in de moeilijke periode van de verbroken relatie van [eiseres01] was ik veel bij haar om haar te steunen. Ik heb zelf ook een paar telefoon gesprekken meegeluisterd waarin [gedaagde01] aan gaf en smeekte dat ze huis niet uit moet. Mevrouw had tijdelijk huis gekocht zodat ze af was van huizelijk geweld op de [adres01] . [gedaagde01] had mevrouw gevraagd om het tijdelijk gekochte huis te verhuren en hij maakte beloofde om het huis aan de [adres01] aan haar te geven. Omdat ze bang was dat hij weer in huis zou komen voor mishandeling had ik haar geadviseerd om het op papier te laten zetten. Zodat ze enigzins zekerheid had. Ik ben bereid dit ook te verklaren onder ede” 2.8. Een schriftelijke verklaring van mevrouw [naam02] , zus van [eiseres01] , luidt als volgt: “ [gedaagde01] heeft tegen mij gezegd dat hij het huis [adres01] in vlaardingen aan [eiseres01] heeft gegeven en dit heeft hij schriftelijk ook op papier gezet. Hij heeft toe mij gebeld en gezegd dat hij het huis aan [eiseres01] heeft gegeven en we gaan nu ook een auto als cadeau geven aan haar en dan gaat ze me zeker vergeven” 2.9. Een schriftelijke verklaring van de heer [naam03] , zoon van [eiseres01] , luidt als volgt: “Ik ben [naam03] : [gedaagde01] zei tegen mij dat we niet hoeven te verhuizen omdat hij ons huis dus [adres01] aan mijn moeder heeft gegeven als cadeau. Hij zei dat mijn moeder dan het tijdelijk huis moest verhuren. Hij vroeg aan mij om mijn moeder over te halen door een bedrag te willen geven aan mij, ik heb dit bedrag geweigerd en vertelde hem dat ik helemaal geen geld hoefde van hem. Ik heb mijn moeder en [gedaagde01] ook aan tafel zien zitten waarbij [gedaagde01] een blaadje voor hem had. [gedaagde01] kwam meerdere malen langs om het goed te maken met mijn moeder door middel van cadeaus te geven aan mij en mijn moeder.” 3 Het geschil 3.1. [eiseres01] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde01] veroordeelt om binnen één maand na betekening van het vonnis medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van de woning aan [eiseres01] , ten overstaan van een door [eiseres01] , althans een door partijen of de rechtbank aangewezen notaris, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde01] niet meewerkt, althans een in goede justitie te bepalen maatregel; II. bepaalt dat, bij gebreke van de medewerking van [gedaagde01] binnen de gestelde termijn, de rechtbank vervangende toestemming verleent aan [eiseres01] om namens [gedaagde01] de akte van levering te laten opmaken alsook te ondertekenen en verder ter zake alle feitelijke rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor het realiseren van de eigendomsoverdracht c.q. levering van de woning aan [eiseres01] , althans een in goede justitie te bepalen maatregel; III. bepaalt dat de woning vrij van lasten en gebreken, onbezwaard, althans vrij van hypotheek en beslag aan [eiseres01] dient te worden geleverd; IV. bepaalt dat de kosten die verbonden zijn aan de levering volledig voor rekening van [gedaagde01] komen; V. [gedaagde01] veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten. 3.2. [eiseres01] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Partijen hadden een affectieve relatie. Die relatie werd op zeker moment turbulent; [gedaagde01] heeft [eiseres01] behoorlijk veel leed en verdriet aangedaan. Op het moment dat [eiseres01] besloot de relatie te beëindigen, haalde [gedaagde01] alles uit de kast om de relatie te redden. Dat deed hij onder andere door haar de woning te schenken. [gedaagde01] heeft de schenking bevestigd in twee handgeschreven verklaringen die door [gedaagde01] zijn ondertekend. 3.3. [gedaagde01] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres01] , met veroordeling van [eiseres01] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten. [gedaagde01] betwist dat hij de woning aan [eiseres01] heeft geschonken. Ook betwist hij dat hij de twee handgeschreven verklaringen heeft ondertekend. Verder voert [gedaagde01] aan dat de verklaringen, ook al zou hij ze hebben ondertekend, de vorderingen van [eiseres01] niet kunnen dragen. De eerste verklaring bevat immers geen verklaring dat [gedaagde01] de woning volledig aan [eiseres01] zou overdragen. De tweede verklaring bevat een potestatieve voorwaarde, zodat geen rechtsverhouding tot stand is gekomen. Bovendien is die voorwaarde niet in vervulling gegaan. 4 De beoordeling A. Samenvatting 4.1. De rechtbank oordeelt dat vooralsnog niet vaststaat dat [gedaagde01] de woning aan [eiseres01] heeft geschonken. Evenmin staat op dit moment vast dat als [gedaagde01] de woning aan [eiseres01] heeft geschonken, hij de woning onbezwaard, althans vrij van hypotheek en beslag moet leveren. [eiseres01] krijgt daarom een bewijsopdracht. Voor het geval komt vast te staan dat [gedaagde01] de woning aan [eiseres01] heeft geschonken, oordeelt de rechtbank reeds nu dat [gedaagde01] niet gehouden is de woning vrij van lasten en gebreken te leveren, maar wel de kosten van de levering voor zijn rekening moet nemen. B. Beoordeling vordering I tot en met IV Schenking staat vooralsnog niet vast (vordering I en II) 4.2. De rechtbank licht eerst toe waarom vooralsnog niet vaststaat dat [gedaagde01] de woning aan [eiseres01] heeft geschonken. 4.3. Uitgangspunt bij de beoordeling is artikel 7:175 lid 1 BW. Dat artikel bepaalt dat schenking de overeenkomst om niet is, die ertoe strekt dat de ene partij (de schenker) ten koste van zijn eigen vermogen de andere partij (de begiftigde) verrijkt. Een schenking is niet aan vormvoorschriften gebonden en kan dus ook mondeling tot stand komen. Dat geldt, anders dan [gedaagde01] heeft aangevoerd, ook als het een schenking van een onroerende zaak betreft. Het schriftelijkheidsvereiste waar [gedaagde01] naar heeft verwezen, kennelijk doelend op artikel 7:2 lid 1 BW, heeft namelijk alleen betrekking op koop overeenkomsten, niet op schenkings overeenkomsten. Handgeschreven verklaringen die van [gedaagde01] zouden zijn hebben vooralsnog geen bewijskracht 4.4. Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde01] de woning aan [eiseres01] heeft geschonken, beroept [eiseres01] zich in de eerste plaats op twee handgeschreven verklaringen. Deze zijn volgens haar door [gedaagde01] ondertekend. Die verklaringen zijn onderhandse akten in de zin van artikel 156 lid 3 Rv. Een onderhandse akte levert dwingend bewijs op van de waarheid van de in de akte opgenomen partijverklaringen (artikel 157 lid 2 Rv). Een onderhandse akte, waarvan de ondertekening door de partij waartegen zij dwingend bewijs zou leveren, stellig wordt ontkend, levert echter geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is (artikel 159 lid 2 Rv). 4.5. [gedaagde01] heeft stellig ontkend dat hij de verklaringen heeft ondertekend, zodat daaraan in ieder geval op dit moment geen bewijskracht toekomt. De bewijslast van de echtheid van de handtekeningen rust op [eiseres01] nu zij zich op de verklaringen beroept. 4.6. Bewijslevering ter zake de echtheid van de handtekeningen (wat [eiseres01] heeft aangeboden) is alleen zinvol als de inhoud van die verklaringen tot de conclusie kan leiden dat [gedaagde01] de woning aan [eiseres01] heeft geschonken. De rechtbank oordeelt dat de inhoud van de tweede verklaring, behoudens tegenbewijs, zelfstandig tot die conclusie kan leiden. De rechtbank licht dat toe, waarbij zij uitgaat van de vooralsnog hypothetische situatie dat [gedaagde01] die verklaring heeft ondertekend. Inhoud van tweede verklaring leidt tot conclusie dat [gedaagde01] de woning heeft geschonken 4.7. [gedaagde01] verklaart in de tweede verklaring dat hij “de andere helft van de woning ook geef[t]” op het moment dat [eiseres01] hem vraagt de woning te verlaten. Hoewel in de verklaring niet expliciet staat aan wie [gedaagde01] de andere helft van de woning geeft, volgt uit het geheel van de verklaring dat hij die aan [eiseres01] geeft. Uit de hiervoor geciteerde woorden volgt bovendien dat [gedaagde01] de eerste helft van de woning op een eerder moment al aan [eiseres01] heeft gegeven. Uit de tweede verklaring volgt dus dat [gedaagde01] uiteindelijk de gehele woning aan [eiseres01] geeft: de eerste helft is al gegeven, de andere helft geeft [gedaagde01] op het moment dat [eiseres01] tegen [gedaagde01] zegt dat hij de woning moet verlaten. 4.8. De rechtbank passeert de verweren die [gedaagde01] ter zake de inhoud van de tweede verklaring heeft gevoerd. Ten eerste bevat de tweede verklaring, anders dan [gedaagde01] heeft aangevoerd, geen zuivere potestatieve voorwaarde. Van een zuivere potestatieve voorwaarde is immers sprake als de vervulling ervan afhangt van de enkele wil van de schuldenaar . De voorwaarde waar [gedaagde01] naar verwijst is afhankelijk van de wil van [eiseres01] . [eiseres01] is geen schuldenaar, maar beweerdelijk schuldeiser . Ten tweede is de voorwaarde wel degelijk in vervulling gegaan. Voor zover [eiseres01] niet vóór de datum van dagvaarding tegen [gedaagde01] heeft gezegd dat hij de woning moet verlaten, is de voorwaarde in vervulling gegaan door middel van het uitbrengen van de dagvaarding. Daaruit blijkt immers afdoende dat [eiseres01] wil dat [gedaagde01] de woning verlaat. Schriftelijke getuigenverklaringen hebben onvoldoende bewijskracht 4.9. Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde01] de woning aan [eiseres01] heeft geschonken, beroept [eiseres01] zich verder op drie schriftelijke getuigenverklaringen. Aan deze verklaringen kan echter niet de door [eiseres01] gewenste waarde worden gehecht, reeds omdat de getuigen niet onder ede zijn gehoord. Het staat niet vast dat [gedaagde01] in een eerder stadium, bij gelegenheid van de verhuizing van Leiden naar Vlaardingen, een mondelinge toezegging heeft gedaan 4.10. Tijdens de zitting heeft [eiseres01] gesteld dat [gedaagde01] haar de woning (ook) al op een eerder moment heeft geschonken, namelijk op het moment dat partijen van Leiden naar Vlaardingen verhuisden. De rechtbank oordeelt dat dat niet vaststaat. [gedaagde01] heeft die stelling van [eiseres01] namelijk betwist. Het had vervolgens op de weg van [eiseres01] gelegen haar stelling nader te onderbouwen. Zeker nu die stelling lastig valt te rijmen met een andere stelling van [eiseres01] , namelijk dat de schenking van de woning een ‘goedmaker’ was voor de vele ruzies tussen partijen. [eiseres01] heeft niet gesteld dat partijen al ten tijde van de verhuizing naar Vlaardingen ruzie hadden met elkaar. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt dan ook niet in te zien wat voor [gedaagde01] de aanleiding was om de woning ten tijde van de verhuizing aan [eiseres01] (mondeling) te schenken. Bewijsopdracht 4.11. De bewijslast van de stelling dat [gedaagde01] de woning aan [eiseres01] heeft geschonken, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [eiseres01] . De rechtbank draagt [eiseres01] daarom op te bewijzen dat [gedaagde01] de woning aan haar heeft geschonken. Levering vrij van lasten en gebreken en onbezwaard? (vordering III) 4.12. [eiseres01] vordert dat de rechtbank bepaalt dat [gedaagde01] de woning (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.