← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2023:581

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10239612 / VV EXPL 22-515 datum uitspraak: 24 januari 2023 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van [eiseres01] , wonende in [woonplaats01] , eiseres, gemachtigde: mr. J.M. Krommendijk te Zoetermeer, tegen [gedaagde01] , die handelt onder de naam [bedrijf01] , wonende in [woonplaats02] , gedaagde, gemachtigde: mr. M. van der Chijs te Zoetermeer. De partijen worden hierna ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd. 1 De procedure 1.

  1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 21 december 2022, met bijlagen 1 tot en met 7; de e-mail van 6 januari 2023 van [gedaagde01] , met bijlagen 1 tot en met 10; de e-mail van 9 januari 2023 van [eiseres01] , met bijlage 8; de pleitnota van mr. Krommendijk; de spreekaantekeningen van mr. Van der Chijs. 1.
  2. Op 10 januari 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Daarbij was mevrouw [eiseres01] aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [gedaagde01] was zijn gemachtigde aanwezig. 2 De beoordeling Wat wil [eiseres01] in deze zaak? 2.
  3. [eiseres01] stelt zich op het standpunt dat zij op 6 mei 2019 op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [gedaagde01] in dienst is getreden en dat zij nog steeds bij hem in dienst is. [eiseres01] is van mening dat zij sinds de maand september 2022 ten onrechte geen loon meer betaald heeft gekregen van [gedaagde01] . In deze zaak eist [eiseres01] dan ook dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om het aan [eiseres01] toekomende loon van € 1.663,95 bruto per maand vanaf de maand september 2022 aan [eiseres01] te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Verder eist [eiseres01] op straffe van een dwangsom dat aan haar deugdelijke salarisspecificaties worden verstrekt. Tot slot eist [eiseres01] dat [gedaagde01] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure. Wat is het verweer van [gedaagde01] ? 2.
  4. [gedaagde01] erkent dat hij vanaf de maand september 2022 geen loon meer aan [eiseres01] heeft betaald. Volgens [gedaagde01] is [eiseres01] als gevolg van een overgang van onderneming vanaf de maand september 2022 ook niet meer werkzaam voor [gedaagde01] c.q. [bedrijf01] , maar voor [bedrijf02] . [gedaagde01] is dan ook van mening dat de eis van [eiseres01] moet worden afgewezen. Het oordeel van de kantonrechter: de eis van [eiseres01] wordt afgewezen. 2.
  5. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres01] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde01] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. 2.
  6. Uit de omstandigheid dat [eiseres01] sinds de maand september 2022 al geen loon meer ontvangt, vloeit voort dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar eis in deze zaak. De eis van [eiseres01] kan dan ook inhoudelijk worden beoordeeld. 2.
  7. [eiseres01] stelt dat zij nog steeds bij [gedaagde01] in dienst is. [gedaagde01] betwist dit gemotiveerd en hij heeft die betwisting onderbouwd met een “verklaring overname [bedrijf01] door [bedrijf02] ”, meerdere WhatsApp-berichten, een e-mail en een loonstrook van “ [bedrijf02] ” op naam van [eiseres01] betreffende de maand september
  8. Gelet op deze gemotiveerde en onderbouwde betwisting door [gedaagde01] zou de kantonrechter (één van) partijen normaal gesproken een bewijsopdracht geven, maar voor bewijslevering is in een kort geding geen plaats. Zonder bewijslevering kan in deze zaak echter niet als vaststaand worden aangenomen dat [eiseres01] nog bij [gedaagde01] in dienst is en dat [eiseres01] dus recht heeft op doorbetaling van loon door [gedaagde01] . Het is hierdoor onvoldoende aannemelijk geworden dat de eis van [eiseres01] in een gewone procedure wordt toegewezen. De eis van [eiseres01] in dit kort geding wordt daarom afgewezen. [eiseres01] moet de proceskosten van [gedaagde01] betalen. 2.
  9. [eiseres01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 BW). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag vast op € 498,00 aan salaris voor de gemachtigde. Voor kosten die [gedaagde01] maakt na deze uitspraak moet [eiseres01] een bedrag betalen van € 124,
  10. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2022:853). 3 De beslissing De kantonrechter: 3.
  11. wijst de vordering af; 3.
  12. veroordeelt [eiseres01] in de proceskosten die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op € 498,
  13. Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken. 38671

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.