Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10.169900.22 Datum uitspraak: 23 juni 2023 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], niet ingeschreven in de basisregistratie personen, raadsvrouw mr. L. Huigsloot, advocaat te Rotterdam. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 juni 2023. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Samengevat wordt de verdachte verweten dat hij onder feit 1) samen met anderen cocaïne en heroïne voorhanden heeft gehad, onder feit 2) samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht met betrekking tot drugshandel en/of -productie, en onder feit 3) vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak van feiten 1 en 2 4.1.1. Standpunt officier van justitie Het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden. De verdachte is aangetroffen in een pand waarin twee vuurwapens, 4,1 gram cocaïne en 1335,1 gram heroïne, versnijdingsmiddelen en goederen zoals weegschalen, persen, gasmaskers, gardes en tape zijn aangetroffen. Het ging om een zogeheten versnijdingspand. De verdachte wist hiervan en verdiende hier zijn geld mee. De verklaring van de verdachte dat hij in het pand aanwezig was om de post op te halen en de planten te verzorgen, is ongeloofwaardig. 4.1.2. Beoordeling Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank licht dit toe. De politie heeft blijkens het proces-verbaal van bevindingen ([proces-verbaalnummer]) in het pand aan de [adres] onder andere meerdere zakken met daarin bepaalde stoffen (aangeduid als ‘substanties’, poeder’ of ‘brokken’) aangetroffen en inbeslaggenomen. Aan deze in beslag genomen stoffen zijn in het proces-verbaal geen goednummers toegekend. Voorts ontbreken de bijbehorende kennisgevingen van inbeslagname in het dossier. De rechtbank kan daarom op basis van dit dossier niet vaststellen dat de in de woning aangetroffen en inbeslaggenomen stoffen, dezelfde zijn als de door de Forensische opsporing onderzochte stoffen (die volgens de indicatieve tests paracetamol en mannitol bleken te zijn of te bevatten) en de door het NFI onderzochte stoffen (die cocaïne en heroïne bleken te zijn of te bevatten). Kortgezegd: de inbeslaggenomen stoffen zijn niet te relateren aan de door de Forensische opsporing en NFI onderzochte stoffen. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende andere concrete aanknopingspunten op grond waarvan de verdachte in verband kan worden gebracht met de ten laste gelegde feiten onder 1 en 2, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. 4.1.3. Conclusie Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering ter zake van feit 3 4.2.1. Standpunt verdediging De verdachte dient van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken te worden. Aangevoerd is dat de wapens en munitie zijn aangetroffen in de slaapkamer van het doorzochte pand. Op basis van het dossier is niet vast te stellen dat de verdachte op de dag van de aanhouding op de slaapkamer is geweest. Daarnaast is het DNA-rapport onvoldoende duidelijk, nu de bewijswaarde van de vermeende DNA-sporen van de verdachte niet of onvoldoende wordt toegelicht. Er is geen onderzoek gedaan naar de aard van het DNA-materiaal en het is niet duidelijk wanneer het DNA van de verdachte op de (verplaatsbare) objecten terecht is gekomen. Tot slot kan secundaire overdracht van het DNA van de verdachte niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten, omdat het DNA van zijn medeverdachte [naam medeverdachte] – die hij op de dag van aanhouding heeft gesproken – ook is aangetroffen op de onderdelen van de wapens. 4.2.2. Beoordeling De verdachte is op 6 juli 2022 aangetroffen in de woning aan de [adres]. De bewoner was afwezig en de verdachte had een sleutel. In een lade in de slaapkamer van de woning zijn twee vuurwapens (pistolen) aangetroffen. Beide vuurwapens zijn aangetroffen met een patroonmagazijn met daarin munitie die geschikt was om met het bijbehorende vuurwapen af te schieten. Uit onderzoek van The Maastricht Forensic Institute (TMFI) volgt dat er aan de binnenzijde van de lopen van beide vuurwapens een DNA-mengprofiel is aangetroffen en dat daarvan een DNA-hoofdprofiel is afgeleid waarvan de verdachte de mogelijke donor is. De frequentie van dit hoofdprofiel is volgens het TMFI in beide gevallen kleiner dan één op één miljard. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is het rapport (in ieder geval ten aanzien van het DNA op de binnenzijde van de lopen van beide vuurwapens) met betrekking tot de bewijskracht voldoende duidelijk. Dit betekent namelijk dat de kans dat een willekeurig gekozen andere persoon ook dit DNA-profiel heeft kleiner is dan één op één miljard. Voor wat betreft het verweer dat sprake is geweest van secundaire overdracht, acht de rechtbank dat onwaarschijnlijk. Zoals gezegd, zijn aan de binnenzijde van de loop van beide vuurwapens DNA-mengprofielen aangetroffen, waaruit een DNA-hoofdprofiel is afgeleid van de verdachte. De overige donoren in het mengprofiel waren minder prominent aanwezig. Er is op basis van de rapportage geen aanwijzing dat medeverdachte [naam medeverdachte] een van deze overige donoren van het DNA-mengprofiel was. Met andere woorden: er is meer DNA van de verdachte aangetroffen dan van andere donoren, en niet is gebleken dat [naam medeverdachte] een van de andere donoren was. Dat maakt het onwaarschijnlijk dat het DNA van de verdachte via [naam medeverdachte] op deze onderdelen terecht is gekomen. Gelet op het hierboven gestelde in onderling verband en samenhang bezien is het voor de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat de vuurwapens en bijbehorende munitie zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en dat bij de verdachte wetenschap bestond ten aanzien van het voorhanden hebben van die vuurwapens en bijbehorende munitie. Het onder 3 ten laste gelegde kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden. 4.2.3. Conclusie Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van vuurwapens en daarbij behorende munitie. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 6 juli 2022 te Rotterdam een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten: - een pistool, van het merk Sig Sauer, type P 226, kaliber 9 mm (9x19
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.