Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/233532-22 Datum uitspraak: 30 mei 2023 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1988, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres01] , [postcode01] [plaats01] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres01] , raadsvrouw mr. P.H. Ruys, advocaat te Rotterdam. 1 Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2023. 2 Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 Eis officier van justitie De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde en partiële vrijspraak ten aanzien van de ten laste gelegde MDMA pillen; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak feit 1 primair Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Rechtmatigheid van het bewijs 4.2.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de informatie uit het onderzoek Argus met betrekking tot de identificatie van de verdachte als gebruiker van de SkyECC-accounts [accountnaam01] , [accountnaam02] en [accountnaam03] niet als bewijs mag dienen, aangezien de resultaten van dit onderzoek zonder rechtsgeldige machtiging van de rechter-commissaris met het onderzoek Candara zijn gedeeld. Op het moment dat nader onderzoek werd gedaan naar het Sky-ID [accountnaam04] bleek niet dat er sprake was van een strafbaar feit dat in georganiseerd verband is gepleegd of beraamd en dat er sprake was van een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Uit de chats blijkt dat het aan de verdachte toegeschreven Sky-ID zich als solist bezig leek te houden met kleinschalige drugshandel. Er bestond daarom onvoldoende aanleiding tot verstrekking van deze gegevens. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de verkregen gegevens. 4.2.2. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekking van de gegevens uit de SkyECC-accounts rechtmatig heeft plaatsgevonden en dat geen sprake is van een vormverzuim. De chatberichten kunnen daarom voor het bewijs worden gebruikt. 4.2.3. Beoordeling Uit het dossier volgt dat op 15 augustus 2022 door de rechter-commissaris in het onderzoek Argus toestemming is verleend om aanvullend onderzoek te doen naar de communicatie van de gebruiker van de Sky-ID’s [accountnaam01] , [accountnaam04] en [accountnaam03] en van zijn/haar contacten. Van enige onrechtmatigheid bij deze procedure is de rechtbank niet gebleken. Voor zover de verdediging dit anders ziet, acht de rechtbank dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Dat de verdachte, zoals is gesteld, een ondergeschikte rol zou hebben gespeeld binnen het georganiseerd verband waarop het onderzoek Argus zich richtte, betekent niet dat de verstrekking van de aan hem toegeschreven chatberichten ten behoeve van het onderhavige opsporingsonderzoek daarmee onrechtmatig zou zijn. Dit betekent dat voor bewijsuitsluiting geen reden bestaat en dat de rechtbank de SkyECC-berichten zal betrekken bij de verdere beoordeling van het bewijs. 4.3. Bewijswaardering feit 1 subsidiair 4.3.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft vermeld dat de verdachte ontkent dat hij de gebruiker is van voornoemde SkyECC- accounts en daarnaast zich op het standpunt gesteld dat – indien de rechtbank hier anders over denkt - het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen kan worden, omdat de rol van de verdachte dermate gering is geweest dat hooguit medeplichtigheid bewezen kan worden en dit is niet ten laste gelegd. De verdachte moet ook om deze reden worden vrijgesproken. 4.3.2. Standpunt officier van justitie Uit het identificatie onderzoek blijkt onmiskenbaar dat de verdachte de gebruiker is geweest van de in het dossier genoemde SkyECC-accounts. Op basis van de chatberichten acht de officier van justitie het medeplegen door de verdachte van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen. 4.3.3. Beoordeling Zaak Karper In de ochtend van 7 oktober 2020 heeft een gewapende overval plaatsgevonden in de Container Terminal op het binnenhaventerrein aan de [adres02] te [plaats02] . Ter plaatse werd een hoeveelheid van ongeveer 230 kilo cocaïne aangetroffen bij een container en een aantal lege zakken met witte poederrestanten. Uit het onderzoek Argus is naar voren gekomen dat vermoedelijk sprake is geweest van een uithaalactie na het invoeren van een grotere partij (vermoedelijk 1000 kilo) cocaïne uit Brazilië. Uit de chatberichten in het dossier volgt dat in de nacht van 5 oktober 2020 op dezelfde locatie al eerder een uithaalactie heeft plaatsgevonden, die echter werd onderbroken, en dat de uithaalactie op 6 oktober 2020 bedoeld was om het restant van de cocaïne op te halen. De politie is in het kader van dat onderzoek gestuit op de gebruiker van de SkyECC-accounts [accountnaam01] , [accountnaam04] en [accountnaam03] met de gebruikersnamen ‘ [gebruikersnaam01] ’, ‘ [gebruikersnaam02] ’, ‘ [gebruikersnaam03] ’ of variaties op deze namen. In een uitgebreid identificatieonderzoek in het dossier Candara heeft de politie de conclusie getrokken dat voornoemde SkyECC-accounts en de bijbehorende chats afkomstig zijn van de verdachte. Op 13 september 2022 is de verdachte aangehouden vanwege zijn mogelijke betrokkenheid bij de genoemde uithaalactie. Identificatie van de verdachte als gebruiker van de SkyECC-accounts Het politieonderzoek is vastgelegd in het zaaksdossier Karper. De chatberichten die zich in het dossier bevinden in het Aanvullend proces-verbaal Chats Sky-ID [accountnaam04] , zijn een weergave van de communicatie die in de periode 6 oktober 2020 om 11:14 en 7 oktober 2020 om 03:43 te [plaats02] aan de [adres02] , bij de Container Terminal heeft plaatsgevonden tussen de verdachte ( [gebruikersnaam03] ) en derden. Bij de behandeling door de rechtbank van het onder feit 2 ten laste gelegde zal verwezen worden naar het zaaksdossier Snoek, waarin dezelfde SkyECC-accounts zijn geïdentificeerd als behorend bij de verdachte. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte ontkent dat hij de gebruiker is van voornoemde SkyECC-accounts, maar de rechtbank stelt vast dat de verdachte zich in het onderzoek en op de terechtzitting heeft beroepen op zijn zwijgrecht. De verdachte heeft aldus geen verklaring gegeven voor de aard en betekenis van de aangetroffen chatberichten. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in het proces-verbaal van identificatie, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die gebruik heeft gemaakt van genoemde SkyECC-accounts. De rechtbank stelt daarom vast dat de verdachte de persoon is geweest die de aan deze accounts gekoppelde chatberichten heeft verzonden/ontvangen en daarbij onder meer wordt aangeduid met de bijnaam ‘ [gebruikersnaam03] ’. Medeplegen van voorbereidingshandelingen Uit de in het dossier vermelde chatberichten volgt dat de verdachte, die in de betrokken periode van 6 op 7 oktober 2020 voortdurend in contact was met een aantal medeverdachten, hen, samen met gereedschap, heeft vervoerd, afgezet en opgewacht, daartoe een voertuig ter beschikking heeft gesteld en op de uitkijk heeft gestaan bij een uithaalactie van minstens enkele honderden kilo’s cocaïne. Dat de verdachte in dit samenspel niet zélf op het terrein is geweest en er ook sprake is geweest van (al dan niet goed begrepen) instructies in zijn richting, doet er niet aan af dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte, gezien de aard, omvang en intensiteit van zijn rol blijkens de chats, medepleger is van voorbereidingshandelingen voor de (verlengde) invoer van de cocaïne. 4.3.4. Conclusie Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde 4.4. Bewijswaardering feit 2 4.4.1. Standpunt verdediging De verdachte ontkent dat hij in verdovende middelen heeft gehandeld. De chatberichten moeten – indien de rechtbank vaststelt dat de verdachte een van de deelnemers was - worden aangemerkt als grootspraak. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken. Op basis van de bevindingen uit het opsporingsonderzoek kan niet worden vastgesteld dat daadwerkelijk een koop tot stand is gekomen en kan hooguit een poging daartoe worden bewezen. Nu dit niet ten laste is gelegd, dient ook om die reden vrijspraak te volgen. 4.4.2. Standpunt officier van justitie Op basis van de chatberichten acht de officier van justitie het medeplegen door de verdachte van de onder 2 ten laste gelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen. 4.4.3. Beoordeling Zaak Snoek In het dossier Candara zijn door de politie chatberichten aangetroffen die zijn ondergebracht in een apart zaaksdossier Snoek. Deze chatberichten zijn met dezelfde SkyECC-accounts uitgewisseld die in het identificatiedossier zijn gerelateerd aan de verdachte. De rechtbank stelt vast dat de verdachte in de ten laste gelegde periode de gebruiker is geweest van de SkyECC-accounts [accountnaam01] en [accountnaam04] . In de met deze accounts gevoerde chats wordt gesproken over speed, over ‘bollie en collie’ en worden getallen genoemd. Hierover bevraagd heeft de verdachte zich consequent beroepen op zijn zwijgrecht. De verdachte heeft aldus geen verklaring gegeven ten aanzien van de aard en betekenis van de aangetroffen chatberichten. Uit de chatberichten blijkt dat de verdachte foto’s stuurt van blokken van een witte substantie met daarop stempelafdrukken. Hij schrijft daarover dat het gaat om ‘collie en bollie’, wat volgens de politie in het drugsmilieu wordt gebruikt als aanduiding voor cocaïne uit Colombia en Bolivia. Gesproken wordt over de prijs van ‘a-olie’, volgens de politie een gangbare term voor amfetamine. In verschillende chatgesprekken wordt voorts gesproken over kwaliteit van de getoonde en aangeboden goederen en over de mogelijkheid voor de verdachte om speed te leveren. De herhaaldelijke vermelding van getallen kan in de context van alle gesprekken niet anders worden opgevat dan als het noemen van prijzen en hoeveelheden. Uit de chats blijkt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode aan zijn gesprekspartners ook daadwerkelijk drugs heeft verkocht. Op grond hiervan verwerpt de rechtbank het verweer dat het hooguit zou gaan om een poging tot handel in verdovende middelen. Dat slechts sprake zou zijn van grootspraak van de verdachte is door de verdediging op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht hiermee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode heeft gehandeld in cocaïne en amfetamine en dat hij deze middelen ook voorhanden heeft gehad. Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de verkoop van MDMA pillen niet bewezen, zodat de verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken. 4.4.4. Conclusie Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde. 4.5. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1 subsidiair. (zaak Karper) hij op tijdstip(pen in de periode van 6 oktober 2020 tot en met 7 oktober 2020 te [plaats02] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen, - zich en/of (een) ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.