RECHTBANK ROTTERDAM Wrakingskamer zaaknummer: C/10/657677 / HA RK 23-474 Beslissing van 29 juni 2023 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [naam verzoeker] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. P. Joele, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure 1.1. Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met nummer 10122537 CV EXPL 22-33879. Die zaak betreft een geschil tussen verzoeker en de heer [naam gedaagde] (hierna: [naam gedaagde] ). Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer. 1.2. Het verloop van de procedure blijkt verder uit: het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 12 mei 2023; de schriftelijke reactie van de rechter van 12 mei 2023; het proces-verbaal van de op 8 mei 2023 gehouden mondelinge behandeling in de civiele zaak. 1.3. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. De rechter had voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te zullen verschijnen. De heer [naam gedaagde] is zonder bericht niet verschenen. 2Het wrakingsverzoek 2.1. Verzoeker heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. 2.2. De rechter is op zitting vooringenomen geweest. Aan het begin van de zitting van 8 mei 2023 heeft de rechter te kennen gegeven dat verzoeker een zwakke zaak had. Met betrekking tot de eis in reconventie van [naam gedaagde] gaf de rechter aan dat hij wat “hobbels” te nemen had, waardoor bij verzoeker de indruk ontstond dat de rechter die eis wilde toewijzen. Verzoeker werd tijdens de zitting een aantal maal onderbroken in zijn antwoorden op vragen van de rechter en toen verzoeker vroeg waarom de rechter hem niet liet uitpraten, gaf de rechter aan dat hij de regie bepaalde. Daarnaast werd het bezwaar van verzoeker tot toelating van producties 3 en 7 van de wederpartij pas behandeld nadat verzoeker de rechter daaraan herinnerde. De rechter bleef op dit punt maar vragen stellen, waardoor verzoeker het gevoel kreeg dat hij een bepaalde richting op gepusht werd. 2.3. Daarnaast is de weigering van de afgifte van het proces-verbaal van de zitting van 8 mei 2023 de anticlimax geweest van een opeenstapeling van de gebeurtenissen tijdens die zitting. 2.4. De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken. 3De beoordeling De ontvankelijkheid van het verzoek 3.1. Aan de orde is de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden, zoals artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereist. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de feitelijke grond tot wraking bekend is geworden, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. 3.2. Verzoeker baseert zijn wrakingsverzoek op uitlatingen en gedragingen van de rechter op de zitting van 8 mei 2023 en op de weigering tot afgifte van het proces-verbaal bij brief van 9 mei 2023 van de griffier aan verzoeker. Verzoeker heeft deze brief op 11 mei 2023 ontvangen. Verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer toegelicht dat hij het verzoek tot wraking niet tijdens de zitting van 8 mei 2023 heeft ingediend, omdat hij geïmponeerd was door de manier van optreden van de rechter. Hij had waarschijnlijk afgezien van het wrakingsverzoek, als zijn verzoek om het proces-verbaal van de zitting te mogen ontvangen, was gehonoreerd. Toen dat verzoek werd afgewezen met de motivering dat verzoeker geen belang had, was dat de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen en hij heeft hij de dag na die afwijzing alsnog het verzoek tot wraking ingediend. 3.3. Gelet op deze toelichting van verzoeker, is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. Dit leidt tot de conclusie dat verzoeker ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek. Is het wrakingsverzoek toewijsbaar? 3.4. Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. Rechter op zitting vooringenomen 3.5. De eerste wrakingsgrond ziet op de vooringenomenheid van de rechter op zitting. 3.6. De omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging partijdig is. 3.7. Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar niet doorslaggevend. 3.8. De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is. Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek gesteld dat het proces-verbaal van de zitting van 8 mei 2023 pas is geschreven nadat het wrakingsverzoek was ingediend en dat de tekst van het proces-verbaal op de grieven uit het wrakingsverzoek is aangepast. Er zijn daardoor nuances aangebracht en de toonzetting is anders dan verzoeker op de zitting heeft ervaren. Verzoeker heeft echter niet betwist dat het proces-verbaal een adequate weergave geeft van hetgeen op de zitting op 8 mei 2023 aan de orde is geweest. Daar komt bij dat een proces-verbaal van een zitting per definitie een zakelijke - en dus geen letterlijke - weergave geeft van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden. Dat laatste heeft verzoeker tijdens de zitting ook erkend. Uit het feit dat de rechter te kennen heeft gegeven dat verzoeker een zwakke(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.