RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 22/913 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2023 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser, gemachtigde: mr. M.R. Dill, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder, gemachtigde: mr. S. Roodenburg. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn ZW-uitkering. Het UWV heeft eisers ZW-uitkering met het besluit van 24 oktober 2019 beëindigd met ingang van 25 november 2019. Met het bestreden besluit van 19 januari 2022 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de beëindiging van de ZW-uitkering gebleven. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 20 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Totstandkoming van het besluit Inleiding 1.1. Eiser is voor het laatst werkzaam geweest als brandpreventiemonteur en industrieel schoonmaker voor gemiddeld 36,71 uur per week. Op 9 oktober 2018 heeft eiser zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld vanwege psychische en lichamelijke klachten. Eiser is hierna in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering. Voorafgaande procedure 1.2. In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is eiser op 11 september 2019 op het spreekuur van de primaire arts van het UWV verschenen. In diens rapport heeft de arts, onder contraseign van een verzekeringsarts, overwogen dat niet volledig kan worden meegegaan in de door eiser gestelde beperkingen, maar dat er wel duidelijke klachten zijn die voortvloeien uit een (medisch) substraat. Er zijn daardoor milde, vooral preventieve, beperkingen van toepassing. De arts heeft gelet op eisers kwetsbaarheid voor depressie ook preventief beperkingen ten aanzien van werktijden en deadlines aangenomen. Ten behoeve van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft de arts op 2 oktober 2019 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van persoonlijk functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. 1.3. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen geconcludeerd dat eiser niet meer in staat is het eigen werk als brandpreventiemonteur en industrieel schoonmaker te verrichten. Wel heeft de arbeidsdeskundige met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiser een aantal gangbare functies geduid. Op basis van die functies heeft eiser een verdiencapaciteit van meer dan 65%, namelijk 74,15%. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen. 2.1. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 2 januari 2020 na dossieronderzoek geconcludeerd dat er geen reden is om de door de primaire arts vastgestelde beperkingen in de FML te wijzigen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er bij eiser geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden (‘geen duurzaam benutbare mogelijkheden’), omdat eiser niet is opgenomen in een AWBZ(-erkende) inrichting, geen tijdsintensieve behandeling ondergaat, geen zeer slechte levensprognose op korte termijn heeft en voldoende kan functioneren op micro-, meso- en macroniveau en heeft de primaire arts daarom terecht een FML opgesteld. De primaire arts heeft bij zijn lichamelijk onderzoek hypertonie in de paravertebrale spieren en een pijnlijke heupfunctie bij endorotatie en een pijnlijke rugfunctie bij anteflexie vastgesteld en heeft beperkingen aangenomen ten aanzien van zware rug- en schouderbelasting. Ten aanzien van de psychische belastbaarheid heeft de primaire arts rekening gehouden met een verminderde stressbelastbaarheid door beperkingen te stellen ten aanzien van frequente deadlines en productiepieken, wat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep passend is te achten bij de voorgeschiedenis van eiser en het gegeven dat er bij het psychisch onderzoek geen bijzonderheden waren. Verder is er rekening gehouden met het belang van een intact bioritme door werken in de nacht te beperken en met een licht energetisch verminderde belastbaarheid door aan te geven dat eiser niet meer dan ongeveer 8 uur per dag en ongeveer 40 uur per week arbeid kan verrichten in niet sterk onregelmatige diensten. Deze urenrestrictie past volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed bij de aard van eisers aandoeningen en waarborgt ook voldoende recuperatietijd. 2.2. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in haar rapport van 8 januari 2020 geconcludeerd dat één van de eerder geselecteerde functies ongeschikt blijkt voor eiser, maar vastgesteld dat er voldoende functies resteren om de schatting op te baseren. Dit heeft geleid tot een verdiencapaciteit van eiser van 72,06%, zodat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de conclusie van de arbeidsdeskundige heeft onderschreven dat eiser meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. 2.3. Op grond van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 januari 2020 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 januari 2020 heeft het UWV het primaire besluit vervolgens met het bestreden besluit gehandhaafd. Bij uitspraak van 10 december 2021 (zaaknummer ROT 21/2078) heeft deze rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard omdat het UWV de op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft overgelegd en niet bij de rechtbank is verschenen en heeft het UWV opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Het bestreden besluit 3. Met het bestreden besluit van 19 januari 2022 heeft het UWV opnieuw het primaire besluit gehandhaafd onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 januari 2020 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 januari 2020. Standpunten in beroep 4.1. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen en dat het onderzoek van het UWV onzorgvuldig is. Hij acht zich vanwege zijn rugklachten en zijn psychische klachten niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een second opinion (de rechtbank begrijpt: om een onafhankelijke deskundige te benoemen). Hij wijst erop dat het bestreden besluit te laat is genomen en op dezelfde afwijzingsgronden berust als de eerder vernietigde beslissing op bezwaar. Zonder enige inhoudelijke behandeling of inachtneming van zijn bezwaren heeft het UWV vertraging in de behandeling van de zaak veroorzaakt. Eiser is van mening dat na de vernietiging van de vorige beslissing op het bezwaar hem een ZW-uitkering toegekend had moeten worden. 4.2. Omdat eiser in beroep de medische grondslag van de besluitvorming heeft betwist, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser op 5 mei 2022 op het spreekuur gezien. In haar rapport van 25 mei 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat eisers rugklachten tijdens de primaire beoordeling zijn erkend en dat in de FML beperkingen voor zware rugbelasting zijn aangenomen. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in lijn met de bevindingen van de primaire arts, geen objectiveerbare tekenen van vermoeidheid of aanwijzingen voor een evident verminderde fysieke en/of mentale belastbaarheid heeft waargenomen, concludeert zij dat de combinatie van fysieke beperkingen als gevolg van de rugklachten en de instructies ten aanzien van werktijden in voldoende mate eventuele energetische beperkingen van eiser verdisconteren. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er bij eiser op de datum in geding geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden (‘geen benutbare mogelijkheden’), omdat er geen sprake is van bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid (ADL: algemene dagelijkse levensverrichtingen), opname in een WLZ-erkende instelling, terminale situatie, onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op basis van een ernstige psychiatrische aandoening, wisselende mogelijkheden waarbij dan periodiek langere tijd sprake is van een situatie waarin iemand niet of nauwelijks zelfredzaam is, of verlies aan mogelijkheden waardoor iemand binnen drie maanden de zelfredzaamheid zal verliezen. In de chronisch inactieve hepatitis B van eiser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien beperkingen ten aanzien van arbeid aan te nemen om bloed-bloed contact met derden te vermijden. Deze wijziging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 25 mei 2022 in een nieuwe FML vastgelegd. 4.3. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 22 juni 2022 geconcludeerd dat één van de eerder geselecteerde functies ongeschikt blijkt voor eiser, maar vastgesteld dat er voldoende functies resteren om de schatting op te baseren. Dit heeft niet geleid tot een wijziging van de mediaanfunctie en dus niet tot een gewijzigde verdiencapaciteit van eiser, zodat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de conclusie van de arbeidsdeskundige dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft onderschreven. Beoordeling door de rechtbank Wettelijk kader 5.1. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.