Rechtbank Rotterdam Straf team 2 Parketnummer: 10-750242-18 Datum uitspraak: 19 januari 2023 Tegenspraak (gemachtigd raadsman) VONNIS van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de ontnemingszaak tegen: [veroordeelde01] , geboren te [geboorteplaats01] (Turkije) op [geboortedatum01] 1956, niet ingeschreven in de basisregistratie personen in Nederland, huidig adres [adres01] , [woonplaats01] in Turkije, raadsman mr. C. Crince le Roy, advocaat te Amsterdam. 1.Inleiding De officier van justitie mr. M.D. Hes heeft een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 317.037,83. Op de terechtzittingen van 15 april 2021 en 19 januari 2023 is deze vordering behandeld. 2.Standpunten De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. De ontnemingsrapportage is gebaseerd op een kasopstelling, voortvloeiend uit artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv). Dat betekent dat sprake moet zijn van een veroordeling wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. De heer [veroordeelde01] is in eerste aanleg door de rechtbank vrijgesproken, maar door het gerechtshof veroordeeld voor de zogenaamde overtredingsvariant van de invoer van een hoeveelheid cocaïne. Daarmee is naar het oordeel van het Openbaar Ministerie niet voldaan aan de voorwaarde ex artikel 36e lid 3 Sv. Er is nog onderzocht of het mogelijk is de rapportage “om te bouwen” naar een rapportage ex artikel 36e lid 2 Sv, maar omdat de cocaïne in beslag is genomen, kon niet aannemelijk worden gemaakt dat de veroordeelde van die partijen waarvoor hij veroordeeld is wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De verdediging is van oordeel dat vastgesteld dient te worden dat de veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gehad. Of dit tot de conclusie moet leiden tot afwijzing van de vordering of niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie, is de verdediging om het even. 3.Beoordeling Gelet op de inhoud van het dossier en het standpunt van de officier van justitie, dient de vordering te worden afgewezen omdat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. 4.Beslissing De rechtbank: wijst af de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis is gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 januari 2023 door: mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzitter, en mrs. B.E. Dijkers en J.L. Luiten, rechters, in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.