vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/684763 / KG ZA 24-817 Vonnis in kort geding van 24 september 2024 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] , gevestigd te Den Haag, eiseres, advocaat: mr. B. Ivanov-Petkova te Den Haag, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] , gevestigd te Vlaardingen, gedaagde, niet verschenen. Partijen worden hierna ook [eiseres] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 29 augustus 2024, met 13 producties. De nagekomen producties 14 en 15 worden buiten beschouwing gelaten, omdat [eiseres] deze niet aan [gedaagde] heeft gezonden. 1.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 september
- 2De beoordeling 2.
- Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat het gevraagde verstek wordt verleend. 2.
- [eiseres] vordert in dit kort geding betaling door [gedaagde] van € 357.047,61 (incl. btw) aan openstaande facturen. Deze vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Daartoe wordt het volgende overwogen. 2.2.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de vordering van [eiseres], gelet op de onderbouwing daarvan en de overgelegde stukken, voldoende aannemelijk. Daar komt bij dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. [eiseres] heeft, zo stelt zij, gegronde redenen om aan te nemen dat [gedaagde] binnen afzienbare tijd wordt ontbonden. Daarnaast heeft [eiseres] toegelicht dat de continuïteit van haar onderneming in gevaar is. Zij heeft meerdere jaren (vrijwel) uitsluitend werkzaamheden voor [gedaagde] verricht, waardoor haar bestaan op dit moment afhankelijk is van betalingen door [gedaagde]. Het is namelijk niet eenvoudig gebleken om op korte termijn soortgelijke projecten aan te trekken. Omdat [gedaagde] sinds 27 april 2024 niet meer betaalt en de financiële buffer van [eiseres] opraakt, dreigt het faillissement van [eiseres]. Inmiddels heeft ook de Belastingdienst zich bij [eiseres] gemeld en bankbeslag gelegd. Het restitutierisico van [gedaagde] staat om voornoemde redenen niet aan de toewijsbaarheid van de vordering in de weg. 2.
- De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat tijdens de mondelinge behandeling namens [eiseres] is verklaard dat deze niet zijn gemaakt. 2.
- [gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (incl. nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - dagvaarding: € 112,37 - griffierecht: € 688,00 - salaris advocaat: € 715,00 - nakosten: € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal: € 1.693,37 3De beslissing De voorzieningenrechter 3.
- verleent verstek tegen [gedaagde], 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een bedrag van € 357.047,61 (incl. btw) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 27 april 2024 tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.693,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 3.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 24 september
- [2917/106]