RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11230641 VZ VERZ 24-7113 Proces-verbaal van de door de kantonrechter op 14 oktober 2024 gehouden mondelinge behandeling in de zaak van [naam verzoeker] , woonplaats: Den Haag, verzoeker, gemachtigde: mr. M. Koolhoven, tegen Attractiepark en Camping Duinrell B.V., vestigingsplaats: Wassenaar, verweerster, gemachtigde: mr. C.P. Zwaanswijk. De partijen worden hierna ‘de werknemer’ en ‘de werkgever’ genoemd. De kantonrechter is mr. C.J. Frikkee en de griffier is mr. R.A.M. van der Heijde. Aanwezig zijn: de werknemer, met mr. Koolhoven; de werkgever, vertegenwoordigd door de heer [persoon A] (commercieel directeur), met mr. Zwaanswijk. Waar gaat deze zaak over? Het gaat om de vraag of de werkgever een aanzegvergoeding verschuldigd is. De werknemer heeft bij de werkgever gewerkt op basis van drie aaneengesloten arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. In die arbeidsovereenkomsten staat steeds de volgende bepaling: “De werkgever informeert de werknemer, dat de arbeidsovereenkomst, na het verstrijken van de overeengekomen duur niet zal worden voortgezet (art. 7:668 Burgerlijk Wetboek).” De arbeidsovereenkomst is tweemaal verlengd, de derde arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd. De mondelinge behandeling De kantonrechter deelt mee dat de zaak verwezen is door de rechtbank Den Haag, in verband met betrokkenheid tussen de werknemer en die rechtbank. Vastgesteld wordt dat iedereen over dezelfde stukken beschikt. De zaak wordt met partijen besproken, waarbij - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende naar voren wordt gebracht. De gemachtigde van de werknemer voert het woord aan de hand van een pleitnota, die achter dit proces-verbaal gevoegd is. De gemachtigde van de werknemer wijst erop dat in weerwil van de aanzegging dat arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet na het verstrijken van de duur waarvoor de overeenkomst was aangegaan, tweemaal het tegenovergestelde is gebeurd. Dan komt de werkgever geen beroep meer toe op de betreffende contractsbepaling. De gemachtigde van de werkgever geeft te kennen dat zijn cliënt het verweer handhaaft dat zij het einde van de arbeidsovereenkomst tijdig heeft aangezegd. Dat is schriftelijk gebeurd in de arbeidsovereenkomst. In de arbeidsovereenkomst staat namelijk al dat de werknemer wordt geïnformeerd dat de overeenkomst na het verstrijken van de overeengekomen duur niet zal worden voortgezet, onder verwijzing naar artikel 7:668 BW. Daarom geeft de werkgever zijn werknemers ook steeds een nieuw contract als de arbeidsovereenkomst toch wordt voortgezet en werkt zij niet met een addendum bij het bestaande contract. Deze werkwijze van de werkgever is duidelijk en transparant. Het is in lijn met de cao en de wetsgeschiedenis. Nadat partijen te kennen hebben gegeven verder niets meer naar voren te willen brengen, deelt de kantonrechter mee dat zij mondeling uitspraak zal doen. De mondelinge uitspraak De beslissing De kantonrechter: - veroordeelt de werkgever om aan de werknemer te betalen € 2.126,72 aan aanzegvergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 7 mei 2024 tot de dag dat volledig is betaald; - veroordeelt de werkgever in de proceskosten, die aan de kant van de werknemer worden vastgesteld op € 87,- aan griffierecht en € 543,- aan salaris voor de gemachtigde; - verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. De reden voor deze beslissing
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.