← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:10531

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/2680 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2024 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder (gemachtigde: mr. P.A.M. Badal). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering de gegevens uit twee geboorteaktes te registreren in de basisregistratie personen (de Brp). 1.
  2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2023 afgewezen. Eiser heeft op 16 november 2023 bezwaar ingesteld en om een voorlopige voorziening gevraagd bij deze rechtbank. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 29 november 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:11350) de gevraagde voorziening afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
  3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit
  5. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij wil dat in de Brp vermeld komt te staan dat hij twee (Nederlandse) kinderen heeft, namelijk [naam kind 1] en [naam kind 2] . Eiser heeft hiervoor op 3 mei 2023 twee gelegaliseerde geboorteakten ingeleverd. Het college heeft deze geboorteakten laten onderzoeken door Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat de geboorteakten en de legalisaties vals zijn. Verweerder heeft vervolgens met het primaire besluit besloten om de geboorteakten niet te accepteren en eisers Brp-gegevens dus niet te wijzigen.
  6. Eiser heeft bezwaar gemaakt en om een voorlopige voorziening gevraagd. In het kader van de voorlopige voorziening heeft verweerder telefonisch informatie opgevraagd bij Bureau Documenten. De telefonisch verkregen informatie heeft verweerder mede ten grondslag gelegd aan het betreden besluit, waarmee het bezwaar ongegrond is verklaard.
  7. Op 21 december 2023 heeft eiser een nieuw verzoek ingediend met twee nieuwe geboorteaktes. Op 4 juni 2024 heeft verweerder, na onderzoek van de aktes door Bureau Documenten, op deze nieuwe aanvraag beslist en besloten om de kinderen van eiser op zijn persoonslijst te registreren. Beoordeling door de rechtbank
  8. 5.
  9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen belang meer heeft bij zijn beroep tegen het bestreden besluit. Dit betekent dat de inhoudelijke gronden van eiser niet worden besproken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.
  10. De rechtbank stelt vast dat de gegevens van eisers kinderen inmiddels en naar aanleiding van een tweede verzoek per 4 juni 2024 in de Brp zijn ingeschreven. Daarmee heeft eiser bereikt wat hij met de onderhavige procedure heeft willen bereiken. 5.
  11. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangevoerd dat door deze procedure de inschrijving van de gegevens van de kinderen een eerdere ingangsdatum zou kunnen krijgen en dat dit mogelijk later gunstig is in een vreemdelingrechtelijke procedure. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Daartoe is van belang dat eiser in deze procedure de valsheid van de in eerste instantie ingediende geboorteaktes niet inhoudelijk gemotiveerd heeft bestreden. Het inschrijven van gegevens in de Brp kan pas vanaf het moment dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Na het indienen van de geboorteaktes op 21 december 2023 zijn deze aktes voor onderzoek opgestuurd naar Bureau Documenten. Nadat verweerder het rapport van dit onderzoek had ontvangen zijn de kinderen van eiser met het besluit van verweerder van 4 juni 2024 in de Brp geregistreerd. Ook wanneer deze documenten in de eerste procedure waren betrokken, zou registratie in de Brp niet eerder hebben kunnen plaatsvinden dan dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Dat was pas na de uitkomst van het onderzoek naar de op 21 december 2023 ingediende documenten. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij een oordeel van de rechtbank wil over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, levert dat op zichzelf geen procesbelang op. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat eiser met zijn beroep niet in een betere rechtspositie kan komen te verkeren. Conclusie en gevolgen
  12. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober
  13. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.