Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/750127-19 (ontneming) Datum uitspraak: 17 oktober 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortdatum] 1998, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] , raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht. 1Procedure Na indiening op 22 juni 2020 van de vordering tot ontneming heeft de officier van justitie op 25 juni 2020 een conclusie van eis ingediend. Hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, is namens [veroordeelde] geen conclusie van antwoord ingediend. 2Onderzoek op de terechtzitting Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2024, tegelijkertijd met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak die onder hetzelfde parketnummer aanhangig is gemaakt tegen de veroordeelde. 3Procesafspraken De ontnemingsvordering maakt onderdeel uit van procesafspraken die de officier van justitie en de verdediging hebben gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken. Wat betreft de ontnemingsvordering zijn partijen schriftelijk overeengekomen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel én de betalingsverplichting zullen worden vastgesteld op € 6.000.000,00 en dat de maximale duur van de gijzeling die bij niet betalen kan worden toegepast wordt vastgesteld op 1 dag. Tijdens de inhoudelijke behandeling zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsman besproken. De verdachte heeft verklaard dat hij goed begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn zaak hebben. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, ook waar het gaat om de door de verdachte te aanvaarden betalingsverplichting samenhangend met het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks de gemaakte procesafspraken behoudt de rechtbank haar eigen verantwoordelijk-heid om te beoordelen of de vaststelling van het wederrechtelijk voordeel en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting plaatsvinden in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke regeling. Dit betekent dat zij in de onderhavige zaak zelfstandig moet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 36e Sr is voldaan. 4Voorafgaande veroordeling Bij vonnis van deze rechtbank van 17 oktober 2024 is de veroordeelde veroordeeld voor (onder meer) de diefstal van ruim 1.500 bitcoins samen met anderen. 5Vordering officier van justitie en standpunt verdediging De vordering van de officier van justitie, mr. J.M. Bonnes, die is gegrond op artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr, strekt tot: - het vaststellen van het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 6.000.000,00; - het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 6.000.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.