Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 83/088294-22 Datum uitspraak: 12 november 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] , raadsman mr. T. Yilmaz, advocaat te 's-Gravenhage. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 15 oktober en 29 oktober 2024. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie, mr. I. Hoek, stelt zich op het standpunt dat het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen kan worden en vordert – conform de tussen partijen gemaakte procesafspraken – een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en als bijkomende straf de oplegging van een beroeps- en bestuursverbod, eveneens voor de duur van 3 jaar. Als bijkomende straf wordt voorts de verbeurdverklaring gevorderd van 2 overbruggingshypotheken en van een lening voor een bedrag van in totaal € 672.000,=. 4Bewijswaardering De rechtbank stelt op basis van het dossier en het daarbij verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. [medeverdachte rechtspersoon] . [medeverdachte rechtspersoon] . (hierna: [medeverdachte rechtspersoon]) is opgericht op 9 januari 2020 en is gevestigd op het woonadres aan de [adres 2] in Den Haag. De verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) is via [naam bedrijf 1] V. de bestuurder en enig aandeelhouder van [medeverdachte rechtspersoon] . Bij de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) worden als bedrijfsactiviteiten van [medeverdachte rechtspersoon] genoemd: handelsbemiddelingen in voedings- en genotmiddelen, meubels, huishoudelijke artikelen, ijzerwaren, hout, vlakglas, sanitair, bouwmaterialen, grondverzet en samenwerkingsorganen op het gebied van gezondheidszorg en overige gezondheidszorg ondersteunende diensten. Er zijn geen personen werkzaam bij [medeverdachte rechtspersoon] , zo blijkt uit de inschrijving bij de KvK en bij de Belastingdienst is er geen fiscale activiteit voor loonheffing geregistreerd. Administratie [medeverdachte rechtspersoon] Bij het opsporingsonderzoek bleken op het woonadres van [verdachte] en het bedrijfsadres van [medeverdachte rechtspersoon] geen bedrijfsactiviteiten plaats te vinden; ook is er bij doorzoeking op geen van deze adressen fysieke administratie van [medeverdachte rechtspersoon] aangetroffen. De bewoners van het adres waar [medeverdachte rechtspersoon] staat ingeschreven hebben verklaard dat ze de enige bewoners zijn en dat zij de onderneming [medeverdachte rechtspersoon] en diens bestuurder [verdachte] niet kennen. De enige bedrijfsadministratie van [medeverdachte rechtspersoon] is aangetroffen op een usb-stick in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Op deze usb-stick stonden 628 (concepten van) verkoopfacturen op naam van [medeverdachte rechtspersoon] . of [naam bedrijf 2] . uit de jaren 2020, 2021 en 2022. Van deze facturen zijn er 563 door [medeverdachte 1] opgesteld. Ook zijn er op verzoek van [medeverdachte 1] facturen opgesteld door medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en incidenteel door [persoon A] en [persoon B] , andere medewerkers van [naam bedrijf 3] . (hierna: [naam bedrijf 3] ), waar [medeverdachte 1] eigenaar van is. De omschrijving op de facturen van de geleverde diensten betreft veelal arbeidsintensieve werkzaamheden waar personeel voor nodig is. Bankrekeningen [medeverdachte rechtspersoon] In de periode van 9 januari 2020 tot en met 12 januari 2023 wordt er op de bankrekeningen van [medeverdachte rechtspersoon] ten minste een bedrag van ruim € 4.500.000 bijgeschreven. Deze betalingen zijn voornamelijk afkomstig van bedrijven die actief zijn in de bouwbranche, grondverzet of tuinbouw, dan wel in de dienstensector/payrolling. Ook dit betreft arbeidsintensieve activiteiten waar personeel voor nodig is. Uit onderzoek op de bankrekeningen van [medeverdachte rechtspersoon] blijkt dat er geen betalingen hebben plaatsgevonden aan salaris of personeel. Er vinden vrijwel geen contante opnamen van de bankrekeningen van [medeverdachte rechtspersoon] plaats waarmee personeel betaald zou kunnen zijn, en er worden geen kosten gemaakt of betaald die in relatie staan tot de gestelde handelsactiviteiten van [medeverdachte rechtspersoon] . [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] hadden de beschikking over de bij [medeverdachte rechtspersoon] behorende bankrekeningen. Bij [medeverdachte 1] zijn bankpassen van [verdachte] (BUNQ- en RABO-bankrekening) aangetroffen. Ook is bij [medeverdachte 1] een telefoon aangetroffen waarop zich onder meer een Hotmail- en een Gmail-account op naam van [verdachte] bevonden. Dit toestel is gebruikt om digitaal te bankieren op de rekeningen bij ING-bank van [verdachte] en [medeverdachte rechtspersoon] . Via de IP-adressen van [medeverdachte 2] en vanaf het IP-adres van [naam bedrijf 3] is (veelvuldig) ingelogd op de bankrekeningen van [medeverdachte rechtspersoon] en [verdachte] . Daarnaast is er vanaf het IP-adres van [medeverdachte 1] via het Knaken-account op naam van [verdachte] een bitcoin opgenomen. Uit gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] komt naar voren dat [verdachte] inlog -en pincodes naar [medeverdachte 2] heeft verstuurd. Ook verstuurde [verdachte] aan [medeverdachte 2] een kopie van zijn paspoort, een foto van zijn bankpas, facturen gericht aan [medeverdachte rechtspersoon] , het saldo van de rekening van [medeverdachte rechtspersoon] en SMS-codes om in te loggen op Mijn-ING. Daarbij kreeg [verdachte] van [medeverdachte 2] de instructie om geld te pinnen en om op een locatie personen te ontmoeten. Inkomende contante geldstroom Uit chat en OVC-gesprekken blijkt dat de inkomende geldstroom van [medeverdachte rechtspersoon] afkomstig is uit contante gelden. In de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn verschillende chatconversaties aangetroffen waarin wordt gesproken over het inleggen van contant geld en het weer giraal beschikbaar stellen dan wel uitbetalen van dit geld via bankrekeningen van [medeverdachte rechtspersoon] . Uit deze chats blijkt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] betrokken waren bij deze geldoverdrachten. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] spraken met derden af waarbij tijdstippen, ontmoetingsplaatsen en andere gegevens werden uitgewisseld. Daarbij werden zogeheten tokens gebruikt als wederzijdse identificatie. De chats bevatten afbeeldingen van tokens en afbeeldingen van grote pakken geld. Deze werkwijze omtrent het innemen van contante gelden wordt eveneens bevestigd door de OVC-gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , en tussen [medeverdachte 1] en [persoon B] . Zij spreken hierin onder andere over het innemen van cash door [medeverdachte 2] , het brengen van geld naar het kantoor en over het cash dat op de rekening zou staan. Uitgaande girale geldstroom De uitgaande betalingen vanaf de bankrekeningen van [medeverdachte rechtspersoon] zijn voornamelijk gedaan aan personen en bedrijven gevestigd in het buitenland, in het bijzonder Hong Kong, China, Turkije en Spanje. Bedragen worden afgeschreven met omschrijvingen die onder meer verwijzen naar betalingen voor een hypotheek, investeringen en aankoop van een villa, waarbij ook factuurnummers worden vermeld. Aan de hand van de onderzochte uitgaande betalingen kan geen relatie worden gelegd met geleverde diensten zoals die staan vermeld op de facturen die de inkomende geldstromen zouden moeten verklaren. De afschrijvingen zijn daarnaast bedrijfsvreemd en passen dus niet binnen de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de KvK-registratie. Niet is gebleken dat er door [medeverdachte rechtspersoon] daadwerkelijk diensten en/of goederen zijn geleverd of dat [medeverdachte rechtspersoon] diensten en/of goederen heeft afgenomen. Gelet op voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verkoopfacturen die op de usb-stick in de woning van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen vals zijn. Op de facturen werd immers vermeld dat [medeverdachte rechtspersoon] werkzaamheden zou hebben verricht, terwijl niets erop duidt dat deze werkzaamheden in werkelijkheid ook hebben plaatsgevonden. De valse facturen hebben er dus kennelijk toe gediend om de herkomst van de geldstromen binnen [medeverdachte rechtspersoon] en de contante oorsprong daarvan te verhullen. Ten aanzien van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten oordeelt de rechtbank, mede op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden als volgt. Gewoontewitwassen De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, rechtvaardigen een vermoeden van witwassen. Er is sprake van een grote girale geldstroom die wordt afgedekt door middel van valse facturen en die een contante oorsprong heeft. Bij deze stand van zaken mag van de verdachte een verklaring worden verlangd voor de herkomst van de gelden die op de bankrekeningen van [medeverdachte rechtspersoon] zijn bij- en afgeschreven. Door geen van de verdachten is een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd waaruit zou blijken dat de geldstroom over de bankrekeningen van [medeverdachte rechtspersoon] niet uit misdrijf afkomstig is. Op grond hiervan is er geen andere conclusie mogelijk dan dat het geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf en dat [verdachte] dat wist. Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat sprake was van een duidelijke werkwijze en rolverdeling en dus van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarmee kan worden bewezen [verdachte] dit feit in vereniging met anderen heeft gepleegd. Het witwassen heeft drie jaar geduurd en heeft in die periode een zodanige omvang en continuïteit gehad dat naar het oordeel van de rechtbank ook bewezen kan worden dat [verdachte] tezamen met anderen van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Criminele organisatie Er is gedurende een langere periode sprake geweest van gewoontewitwassen, het plegen van valsheid in geschrift en het beïnvloeden van getuigen. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [persoon A] en [persoon B] vormden samen met de rechtspersonen [medeverdachte rechtspersoon] en [naam bedrijf 3] een organisatie die zeer grote contante geldbedragen afkomstig uit misdrijf ontving, en vervolgens een girale geldstroom op gang bracht die werd afgedekt middels valse facturen. Binnen de organisatie was sprake van een zekere duurzaamheid en structuur en de samenwerking was gericht op het gewoontewitwassen, het plegen van valsheid in geschrift om dit witwassen te verhullen en (na de aanhouding van [medeverdachte 1] ) het beïnvloeden van getuigen. Gedurende een periode van drie jaar is er een groot geldbedrag op de hiervoor beschreven wijze via de rekeningen van [medeverdachte rechtspersoon] gelopen. [medeverdachte rechtspersoon] was hierbij niets meer dan een witwasvehikel; binnen het bedrijf vonden sinds de oprichting geen bedrijfseconomische activiteiten plaats. Uit de verschillende chat- en OVC-gesprekken blijkt dat de gespreksdeelnemers elkaar (goed) kennen, elkaar uitzonderlijk grote sommen geld toevertrouwen en van elkaar weten wie welke taak heeft. De gesprekken geven blijk van een zekere routine, waarbij men vaak aan een half woord genoeg heeft; instructies worden kort en zakelijk gegeven en worden ook opgevolgd. [naam bedrijf 3] hield administratie bij van de bedrijven die giraal geld overboekten naar [medeverdachte rechtspersoon] en naast [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben ook medewerkers van [naam bedrijf 3] valse facturen opgemaakt. Het na de aanhouding van [medeverdachte 1] beïnvloeden van getuigen was van belang voor het in stand houden van de criminele organisatie en maakt hier daarom deel uit van het oogmerk van de organisatie. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode deel uitmaakte van een criminele organisatie met [voornaam medeverdachte 1] , [voornaam medeverdachte 2] , [persoon A] , [persoon B] en de rechtspersonen [medeverdachte rechtspersoon] en [naam bedrijf 3] . [verdachte] heeft binnen de criminele organisatie een onmisbare, faciliterende rol vervuld. Hij heeft [medeverdachte rechtspersoon] opgericht en dit bedrijf, evenals de bijbehorende bankrekeningen, bankpassen en inlogcodes ter beschikking gesteld aan de organisatie. Daarnaast is [verdachte] tenminste één keer door [medeverdachte 2] op pad gestuurd om contant geld op te halen. 4.1. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1 primair Hij, in de periode van 1 januari 2020 tot en met 1 februari 2023, te ’s-Gravenhage en Nieuwersluis en elders in Nederland en Turkije en Spanje, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, van één of meer voorwerpen, te weten: geldbedragen en/of een hoeveelheid bitcoins, de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.