beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven Zittingsplaats Rotterdam zaaknummer / rekestnummer: C/10/683527 / HA RK 24-706 Beschikking van 25 november 2024 in de zaak van [persoon A] , wonende te Rhoon, verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek, advocaat mr. H.A.A. Voermans, advocaat te Rotterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf B] ., gevestigd te Amsterdam, verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek, advocaten mr. A.H. Arts en mr. S. van Waegeningh, advocaten te Amsterdam. Partijen worden hierna nader aangeduid als “ [persoon A] ” en “ [bedrijf B] ”. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken: - het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 46; - het verweerschrift, tevens houdende tegenverzoeken met productie 1 tot en met 32; - de akte wijziging verzoek, tevens akte overlegging producties, met productie 47; - de akte aanvulling verzoek, tevens akte overlegging producties, met productie 48; - de akte overlegging producties aan de zijde van [persoon A] , met producties 49 tot en met 55; - de akte overlegging producties aan de zijde van [bedrijf B] , met productie 33 tot ten met 41; - de pleitnotities van de advocaat van [persoon A] ; - de pleitnotities van de advocaten van [bedrijf B] . 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 23 oktober 2024. [persoon A] is verschenen, vergezeld van haar echtgenoot [persoon B] en [persoon C] , voormalig voorzitter van de Raad van Commissarissen van [bedrijf B] en bijgestaan door de advocaat mr. H.A.A. Voermans. Namens [bedrijf B] zijn verschenen [persoon D] , Chief Executive Officer [persoon E] , [persoon F] , aandeelhouder in [persoon E] en [persoon G] , bijgestaan door de advocaten mr. S. van Waegeningh en mr. A.H. Arts. 2. De feiten 2.1. [bedrijf B] (althans de rechtsvoorganger [naam] ) is in april 2017 opgericht door [persoon A] en haar echtgenoot [persoon B] (hierna: [persoon B] ). [bedrijf B] richt zich op een breed scala aan financiële diensten, waaronder diverse betaalproducten voor zowel particulieren als bedrijven. 2.2. [bedrijf B] is in januari 2022 door [persoon A] en [persoon B] verkocht aan de huidige (100%) aandeelhouder [persoon E] Ve Elekronik Para Hizmetleri Anonim Sirketi (hierna [persoon E] ), een rechtspersoon naar Turks recht. De aandelen in [bedrijf B] zijn in oktober 2022 door de aandeelhouder Seber Holding B.V. (waarvan [persoon A] 100% aandeelhouder was) geleverd aan [persoon E] . [persoon E] is enig aandeelhouder van [bedrijf B] . [persoon F] en [persoon H] zijn aandeelhouders van [persoon E] . Bestuurders van [persoon E] zijn [persoon D] , [persoon I] en [persoon J] . De huidige bestuurders van [bedrijf B] zijn [persoon G] en [persoon K] . 2.3. [bedrijf B] is sinds augustus 2018 met een vergunning van De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) actief in Nederland als betaaldienstverlener. De financiële diensten van [bedrijf B] zijn onderworpen aan toezicht van zowel DNB als de Autoriteit Financiële Markten (AFM). 2.4. De toenmalige Chief Executive Officer van [bedrijf B] , [persoon L] heeft in samenwerking met KPMG in december 2022 bij de DNB een aanvraag gedaan voor een vergunning voor een Elektronische Geldinstelling (Electronic Money Institution). Het verkrijgen van de EMI-vergunning was essentieel voor [bedrijf B] voor het (volledig) aanbieden van haar betaaldiensten en is gebonden aan diverse (strikte) voorwaarden. 2.5. [persoon A] was vanaf 26 maart 2019 tot 6 juni 2023 bestuurder van [bedrijf B] en vanaf 26 maart 2019 tot 7 juni 2023 bestuurder van [bedrijf C] . Nadat de eerder aangestelde bestuurder [persoon M] (onverwacht) was afgetreden is [persoon A] op 5 april 2023 door middel van een aandeelhoudersbesluit benoemd tot statutair bestuurder van [bedrijf B] . De arbeidsovereenkomst van [persoon A] is aangegaan voor de duur van drie jaar, dat wil zeggen tot 4 april 2026. In de arbeidsovereenkomst is een tussentijds opzegbeding opgenomen. 2.6. Naast [persoon A] is [persoon B] vanaf eind 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [bedrijf B] werkzaam (geweest) in de functie van Directeur (Executive Vice President). [persoon B] was daarnaast tot 5 april 2023 lid van de Raad van Bestuur van [bedrijf B] en tot 16 november 2023 lid van de Raad van Bestuur van [persoon E] . [persoon B] heeft in Turkije voor [persoon E] de procedure doorlopen voor het verkrijgen van EMI-vergunning/e-money licentie. 2.7. Het laatstverdiende salaris van [persoon A] bedraagt € 15.500 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een bedrag van € 4.115,00 bruto aan mobiliteitstoeslag. In de arbeidsovereenkomst van [persoon A] is in artikel 5.3 een bonusregeling opgenomen (“The employee is entiteld tot a maximum bonus of 20% calculated on the gross annual salary, payable in May at the latest”). 2.8. In het (mede door haar) opgestelde Key Performance Indicators Scheme van [persoon A] zijn voor de evaluatieperiode van 5 april 2023 tot31 december 2023 indicatoren opgenomen die betrekking hebben op “General management”, Financial Management and Accounting en “EMI license application support”. Onder artikel 2 (Performance Measurement) is het volgende opgenomen: 2.1 [bedrijf B] / Supervisory Board will measure the performance of the Employee when and as frequent as they find necessary and will inform Employee if there are discrepancies, changes or adjustments requiered. 2.2 If Employee does not recieve any (written) feedback during the evaluation period from [bedrijf B] of the Supervisory Board regarding changes and/or adjustments tot its performance related tot the KPI’s mentioned in artikel 1, the Employee mag assume with certainty that she has fully complied with these KPI and is therefore entitled tot the full bonus as mentioned in article 5.3 of the beforementioned Employment Contract. 2.9. In artikel 16.9 van de statuten van [bedrijf B] is opgenomen dat de bezoldiging en de verdere arbeidsvoorwaarden voor iedere bestuurder afzonderlijk worden vastgesteld door de algemene vergadering. 2.10. [bedrijf B] is door DNB op 30 augustus 2023 op de hoogte gesteld van het feit dat de aanvraag voor de EMI vergunning nog niet compleet was, waarbij [bedrijf B] uitdrukkelijk is verzocht alsnog de ontbrekende informatie te verstrekken. 2.11. [persoon E] heeft [persoon A] in november en december 2023 via [persoon D] , Ayaz Law Firm en via Contextual Solutions verzocht (onder meer) de arbeidsovereenkomsten van alle medewerkers van [bedrijf B] te verstrekken. [persoon A] heeft dit geweigerd wegens strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). 2.12. Op 13 december 2023 heeft een meeting plaatsgevonden tussen [persoon E] ( [persoon F] , [persoon I] en [persoon D] ) en [bedrijf B] ( [persoon A] en [persoon B] ). Tijdens deze meeting is de financiële situatie van [bedrijf B] besproken waarbij [persoon E] opnieuw heeft verzocht om informatie zoals de stand van zaken van de lopende rechtszaken en de arbeidsvoorwaarden van de medewerkers van [bedrijf B] . [persoon E] heeft daarnaast aangekondigd dat zij opdracht heeft gegeven aan Fintechamps B.V. te Amsterdam om een audit te verrichten bij [bedrijf B] . [persoon A] heeft daartegen diverse bezwaren geuit en heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestuur van [persoon E] niet bevoegd was om een audit te initiëren bij [bedrijf B] en dat voor het laten plaatsvinden van een audit de RvC een verzoek moest doen aan het bestuur van [bedrijf B] . Nadat het advocatenkantoor Stibbe op verzoek van de RvC een advies had verstrekt over wie bevoegd was een audit te initiëren heeft de audit door Fintechamps uiteindelijk plaatsgevonden op 19 maart 2024. 2.13. De voorzitter van RvC, [persoon C] heeft per e-mail van 19 december 2023 aan [persoon E] advies uitgebracht met betrekking tot de bestuursstructuur van [bedrijf B] en de geldende wet- en regelgeving waaraan [bedrijf B] is gebonden. [persoon C] heeft op 25 december 2023 bij DNB melding gemaakt van een voor haar relevant incident dat betrekking heeft op de beheersing van de bedrijfsprocessen en de bedrijfsrisico's van [bedrijf B] , namelijk dat vanuit [persoon E] veel bemoeienis was ontstaan met de dagelijkse leiding en dat bovenmatig veel druk werd uitgeoefend op het huidige personeel van [bedrijf B] . Het ging daarbij om diverse incidenten, geïnitieerd door zowel [persoon I] als [persoon D] , waaronder het verbod op het aannemen van nieuw personeel, het opvragen van documenten in strijd met de AVG alsmede de benoeming van [persoon D] . Op 4 januari 2024 is [persoon C] afgetreden als voorzitter van de RvC 2.14. [persoon A] heeft [persoon E] op 19 december 2023 verzocht om een kapitaalinjectie voor [bedrijf B] tot een bedrag van € 1.350.000,00, te betalen uiterlijk vóór 31 december 2023. 2.15. Op 26 december 2023 heeft [persoon A] zich ziekgemeld. 2.16. Op 27 december 2023 heeft een meeting plaatsgevonden tussen [persoon E] (met [persoon F] en [persoon D] ), [persoon C] , [persoon A] en [persoon B] . Tijdens deze meeting is onder andere het voornemen besproken om [persoon A] te vervangen “due to loss of confidence, misinformation from the management and negative financial results”. 2.17. Nadat [persoon A] zich op 2 januari 2024 weer beter had gemeld, heeft zij zich bij e-mailbericht van 5 januari 2024 om 18:13 uur opnieuw ziekgemeld. Tot op heden is [persoon A] arbeidsongeschikt. 2.18. [persoon A] is bij e-mail van 5 januari 2024 om 10:54 uur door [persoon E] uitgenodigd voor een aandeelhoudersvergadering op 10 januari 2024. [persoon D] heeft in een e-mail van 10 januari 2024 aan [persoon A] de redenen voor het voorgenomen ontslag schriftelijk uiteengezet waarbij onder meer is genoemd de onvoldoende informatievoorziening aan de aandeelhouder, de discussie over de audit, de misinformatie ten aanzien van de lopende rechtszaken waarbij [bedrijf B] betrokken was, de kwestie rondom de kapitaalinjecties en in zijn algemeenheid het gebrek aan transparantie en betrouwbaarheid. 2.19. Na bezwaar van [persoon A] is de aandeelhoudersvergadering verzet naar 17 januari 2024. Op de agenda van deze vergadering stond het ontslag van [persoon A] , de benoeming van een nieuwe bestuurder, het ontslag van de voorzitter van de RvC en de benoeming van een nieuwe voorzitter alsmede de bespreking van het huidige management, de financiële problemen, de kapitaalinjectie en de lopende EMI procedure. 2.20. DNB heeft op 16 januari 2024 [persoon E] als aandeelhouder van [bedrijf B] gewezen op diverse (mogelijke) schendingen van het Besluit prudentiële regels Wft en de Wet op het financieel toezicht, omdat de benoeming van [persoon D] niet was medegedeeld en goedgekeurd en het feit dat [persoon A] op dat moment nog de enige goedgekeurde bestuurder van [bedrijf B] was. Door het ontslag van [persoon A] zou [bedrijf B] niet meer beschikken over een bestuurder die door DNB was goedgekeurd, hetgeen door DNB als een ernstig en onacceptabele situatie is bestempeld. Daarbij is aangegeven dat DNB verwachtte dat [persoon A] op haar post zou blijven totdat een nieuw bestuur zou worden goedgekeurd. De advocaat van [bedrijf B] heeft op 16 januari 2024 [persoon A] bericht dat het agendapunt dat betrekking heeft op het ontslag van [persoon A] als bestuurder werd uitgesteld (‘postponed’) tot nader order. 2.21. [bedrijf B] heeft via adviesbureau Finnick te Amsterdam op 23 januari 2024 aan DNB laten weten dat zij haar bedrijfsactiviteiten vanaf 23 januari 2024 opschort totdat governance and screening issues zijn opgelost. [bedrijf B] verzocht daarnaast de procedure voor de EMI vergunning op te schorten voor de duur van drie maanden. Als managing director werd voorgedragen [persoon K] en als de nieuwe Chief Executive Officer [persoon G] . 2.22. [persoon E] heeft [persoon A] op 6 mei 2024 uitgenodigd te reageren naar aanleiding van het voorgenomen aandeelhoudersbesluit tot het ontslag van [persoon A] als bestuurder. Daarin is onder meer het volgende opgenomen: (…) “As Shareholder, we are considering adopting the following resolutions outside a shareholders meeting on 14 May 2024: 1. the dismissal of Ms. [persoon A] as statutory director of the Company as per the date of the resolution; 2. to the extent necessary, confirmation of all resolutions adopted during the shareholders meeting of 17 January 2024; As a reminder, the dismissal of Ms. [persoon A] was scheduled for the shareholders meeting of 17 January 2024, but voting was at the time postponed. Rather than recovering a general meeting, the Shareholder is now considering adopting such resolution without actually convening a meeting”. (…) 2.23. [persoon A] is bij besluit van de AVA van 14 mei 2024 ontslagen als statutair bestuurder van [bedrijf B] wegens “an irreparably damaged employment relationship and a difference of opinion about the policy to be conducted”. In de ontslagbrief van 14 mei 2024 is daarnaast - voor zover van belang - het volgende opgenomen: (…) “You were informed that [persoon E] considered to adopt the resolution to dismiss you a director of [bedrijf B] . today (which was postponed since 17 January 2024). (…) As previously stated, several issues between [persoon E] and you have led to an unworkable sítuatíon. The lack of transparancy, increasing incomprehension, and a difference of opinion about the policy to be conducted make that it’s not a realistic option for [persoon E] to continue with you as a director of [bedrijf B] . This will not benefit the company, nor the people involved. The relationship between parties is significantly damaged and this can't be restored anymore. This is reason why [persoon E] adopted the resolution of dismissal of you as (statutory) director of [bedrijf B] as per 14 May 2024. This means that you are no longer director of [bedrijf B] . (…) Your dismissal as a director of [bedrijf B] . also leads to the termination of your employment agreement on the basis of art. 7:669 par.3 sub g and /or h BW. No suitable redeployment options exist. Therefore we hereby inform you about the termination of your employment contract. Taking into account the (statutory) notice period of one month, your employment agreement with [bedrijf B] . ends as per 1 July 2024 and your last day of employment is 30 June 2024. You will remain entitled to your salary until the termination date.” (…) 2.24. Op 24 mei 2024 heeft [persoon B] namens [bedrijf B] een bonus van € 41.050,27 bruto uitbetaald aan [persoon A] en een bonus van € 37.946,70 bruto aan zichzelf. In totaal is door [persoon B] een bedrag van € 123.631,48 bruto aan bonussen aan medewerkers uitgekeerd. [bedrijf B] heeft aan alle medewerkers verzocht de bonus terug te betalen. [persoon A] is daartoe niet overgegaan. [bedrijf B] heeft [persoon B] op 7 juni 2024 op staande voet ontslagen. [persoon B] is het met dat ontslag niet eens en hij heeft in verband daarmee een gerechtelijke procedure tegen [bedrijf B] aanhangig gemaakt bij de kantonrechter te Rotterdam. De mondelinge behandeling van die zaak staat gepland op woensdag 27 november 2024. 2.25. [persoon E] heeft in 2024 besloten de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf B] te staken. De onderneming zal naar verwachting per 1 januari 2025 worden geliquideerd. DNB heeft op 24 september 2024 bevestigd dat de vergunning van [bedrijf B] als betaaldienstverlener is ingetrokken. De arbeidsovereenkomsten van alle (overige) werknemers van [bedrijf B] zijn met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 oktober 2024. 3Het geschil In het verzoek 3.1. [persoon A] heeft (na wijziging) verzocht om ten laste van [bedrijf B] een billijke vergoeding toe te kennen ter hoogte van totaal € 750.000,00 bruto, op grond van artikel 7:682 lid 3 sub a en b BW. [bedrijf B] heeft de arbeidsovereenkomst van [persoon A] beëindigd in strijd met artikel 7:671b BW en er is geen sprake van een redelijke grond zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW. Daarnaast heeft [bedrijf B] de arbeidsovereenkomst van [persoon A] beëindigd in strijd met het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW, omdat zij arbeidsongeschikt is en is door [bedrijf B] ernstig verwijtbaar gehandeld. 3.2. [persoon A] maakt aanspraak op een bedrag van € 500.000,00 bruto vanwege het gemiste salaris over de periode van 1 juli 2024 tot aan 4 april 2026, te vermeerderen met de overeengekomen bonus van 20%, € 250.000,00 bruto vanwege inkomensverlies op de lange termijn (na 4 april 2026) en € 20.885,00 bruto aan achterstallig salaris over de maand juni 2024. [persoon A] maakt daarnaast aanspraak op toekenning van een bedrag van € 10.394,00 aan transitievergoeding, € 25.000,00 aan immateriële schadevergoeding, € 30.317,37 aan juridische kosten dan wel € 16.265,93 aan buitengerechtelijke kosten, € 151,58 aan beslagkosten, een en ander te vermeerderen met rente en kosten zoals in het verzoekschrift omschreven. 3.3. Aan haar verzoek heeft [persoon A] - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Het ontslagbesluit is door [bedrijf B] in strijd met een opzegverbod genomen en mist een wettelijke opzeggrond. [bedrijf B] presenteert onjuiste bevindingen als “feiten”, terwijl het in werkelijkheid ging om valse beschuldigingen, die door [persoon A] steeds zijn weerlegd. De door [bedrijf B] (achteraf) aangevoerde g-grond en h-grond zijn niet aan het besluit tot ontslag van [persoon A] ten grondslag gelegd. [persoon A] voelt zich onheus en onrechtvaardig behandeld terwijl zij (zeer) druk bezig was om de EMI-vergunning te verkrijgen, waarbij zij rekening moest houden met de vele belangen van alle partijen en ingewikkelde regelgeving. Daarvoor bestond onbegrip bij [persoon E] , terwijl [persoon A] altijd heeft getracht medewerking te verlenen aan de verzoeken van [persoon E] . Er is tussen partijen geen sprake van een verschil van inzicht over het te voeren beleid. [persoon E] heeft na de overname van [bedrijf B] de strategie bepaald en [persoon A] heeft dat beleid uitgevoerd. De “feiten” die [bedrijf B] presenteert leveren ook geen ernstig verstoorde arbeidsrelatie op. [persoon E] heeft enkel problemen gesignaleerd om die [persoon A] te kunnen verwijten. Door de handelwijze van [persoon E] is het verkrijgen van de EMI vergunning in gevaar gekomen. Het ontslag ontbeert volgens [persoon A] dan ook feitelijk en juridische gronden. 3.4. [persoon A] stelt voorts dat [bedrijf B] / [persoon E] ernstig verwijtbaar jegens haar heeft gehandeld. [bedrijf B] heeft haar zorgplicht tijdens de ziekte van [persoon A] geschonden en heeft haar (in de vorm van de aandeelhouders van [persoon E] ) onheus, onrechtvaardig, nodeloos dominant en vijandig benaderd. Bij de hoogte van de billijke vergoeding dient rekening te worden gehouden met het feit dat als [bedrijf B] / [persoon E] niet voortijdig was overgegaan tot het intrekken van de EMI procedure de vergunning in 2024 zou zijn verleend en de arbeidsovereenkomst van [persoon A] was voortgezet voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst en daarna wellicht nog was verlengd. [persoon A] dient gecompenseerd te worden voor de schade die zij lijdt en nog zal lijden vanwege de door [bedrijf B] veroorzaakte arbeidsongeschiktheid, de financiële en emotionele impact die de handelwijze van [bedrijf B] op [persoon A] had en haar verminderde kansen op de arbeidsmarkt. Door het onrechtmatig handelen van [bedrijf B] heeft [persoon A] immateriële schade geleden. [persoon A] heeft daarnaast extra kosten moeten maken voor juridisch advies en voor psychische bijstand. 3.5. Het verweer van [bedrijf B] strekt tot afwijzing van alle verzoeken van [persoon A] . 3.6. Door [bedrijf B] is - samengevat weergegeven - het volgende naar voren gebracht. [bedrijf B] heeft de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [persoon A] gebaseerd op een onoverbrugbaar verschil van inzicht over het te voeren beleid van [bedrijf B] (artikel 7:669 sub h BW) en een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 sub g BW). Er is volgens [bedrijf B] geen sprake van een opzegverbod tijdens ziekte, zodat het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit van 14 mei 2024 de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft meegebracht. 3.7. Het was voor [bedrijf B] van groot belang dat zij zo snel mogelijk de EMI vergunning zou verkrijgen van de DNB. Ondanks diverse kapitaalinjecties van [persoon E] heeft [bedrijf B] onder het bestuur van [persoon A] geen positief resultaat behaald. Op basis van de door [persoon A] (en [persoon B] ) verstrekte informatie verkeerde [persoon E] in de veronderstelling dat de vergunning binnen een aantal maanden verkregen zou worden. Vanaf juni 2023 deed zich volgens [bedrijf B] een keerpunt voor in de verhouding tussen [persoon A] en [persoon E] en zijn de verhoudingen verslechterd. [persoon A] weigerde keer op keer medewerking aan (de redelijke) verzoeken tot het verstrekken van inlichtingen, stelde niet de goede prioriteiten en toonde zich niet bereid om verandering in de bedrijfsvoering aan te brengen. Het conflict tussen partijen kwam vooral tot uiting in de communicatie over de audit, het gebrek aan transparantie met betrekking tot de lopende rechtszaken waarbij [bedrijf B] betrokken was en de kapitaalinjecties waar [persoon A] (last minute) om verzocht. [persoon A] heeft zich geen betrouwbaar bestuurder getoond, accepteerde geen inmenging en zij gaf keer op keer blijk van een gebrek van inzicht in de ernst van de situatie. [persoon E] stuitte steeds op een muur van weerstand en wantrouwen. De verhoudingen tussen de aandeelhouders en [persoon A] zijn ernstig beschadigd en er was geen mogelijkheid meer voor een constructieve samenwerking. Voor [bedrijf B] is het duidelijk dat daarnaast sprake is van een totale mismatch tussen de aanpak van [persoon A] en de eisen die [persoon E] en [bedrijf B] stellen. 3.8. [persoon A] heeft geen recht op een billijke vergoeding. De opzegging berust op twee redelijke gronden en van een opzegverbod is geen sprake. Van ernstig verwijtbaar handelen door [bedrijf B] is evenmin sprake. [bedrijf B] heeft haar zorgplicht jegens [persoon A] niet geschonden. Het was nooit de intentie van [persoon E] om [persoon A] voor een periode van drie jaar als bestuurder van [bedrijf B] aan te houden, terwijl rekening dient te worden gehouden met het feit dat [bedrijf B] op korte termijn zal worden geliquideerd. Voor zover [persoon A] al aanspraak kan maken op een billijke vergoeding dient deze te worden gematigd tot nihil, dan wel te worden vastgesteld op een (substantieel) lager bedrag dan is verzocht. [persoon A] heeft daarnaast niet aangetoond dat er een relatie bestaat tussen haar ziekte en het handelen van [bedrijf B] , zodat aan haar geen immateriële schadevergoeding toekomt. De verzochte juridische kosten dan wel de buitengerechtelijke kosten dienen te worden afgewezen, althans te worden gematigd. In het tegenverzoek 3.9. In het tegenverzoek heeft [bedrijf B] verzocht te bepalen dat de aan [persoon A] betaalde bonus van € 41.050,27 bruto onverschuldigd is betaald, dat [bedrijf B] gerechtigd was het bedrag van € 41.050,27 bruto te verrekenen met het salaris van [persoon A] over de maand juni 2024 (inclusief mobility allowance), de vakantietoeslag, openstaande verlof en de transitievergoeding, dat [persoon A] gehouden is het na verrekening resterende bedrag van € 6.053,84 bruto terug te betalen aan [bedrijf B] , te vermeerderen met wettelijke rente en te bepalen dat [persoon A] een bedrag van € 13.678,81 aan schadevergoeding dient te betalen althans een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede [persoon A] te veroordelen tot afgifte van de laptop, iPhone en desktop op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten. 3.10. [bedrijf B] heeft - samengevat weergegeven - het volgende aan haar verzoeken ten grondslag gelegd. [persoon A] had geen recht op een bonus over 2023. [persoon B] was niet bevoegd tot het uitkeren van de bonus aan [persoon A] en hij heeft dit in strijd met de statuten gedaan zonder voorafgaande toestemming van de aandeelhouders of overleg of mededeling aan de bestuurders of de RvC van [bedrijf B] . [persoon E] wist niets van het KPI scheme af en voor zover deze al rechtsgeldig is overeengekomen is het voor [bedrijf B] evident dat [persoon A] daaraan niet heeft voldaan, terwijl zij ook had moeten weten dat zij in redelijkheid geen recht had op een bonus, omdat zij al was ontslagen. De redelijkheid en billijkheid staan in de weg aan enige aanspraak van [persoon A] op een bonus. Het bedrag van € 41.050,27 is onverschuldigd betaald en [bedrijf B] mocht overgaan toe verrekening. Door de beslaglegging van [persoon A] op de bankrekening van [bedrijf B] zijn de salarissen van de werknemers in augustus 2024 niet tijdig betaald en heeft [bedrijf B] schade geleden doordat zij wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd is geworden aan haar werknemers. [persoon A] dient deze schade te vergoeden. 3.11. [persoon A] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de tegenverzoeken. Door [persoon A] is daartoe - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd. [bedrijf B] heeft geen recht op terugbetaling van de bonus. De arbeidsvoorwaarden en de bonusregeling zijn vastgesteld door [persoon E] en opgenomen in de arbeidsovereenkomst van [persoon A] . Het KPI scheme van [persoon A] dat is opgesteld ter invulling van de bonusregeling in de arbeidsovereenkomst is door [persoon E] geaccordeerd. Binnen die voorwaarden is de bonus met instemming van de RvC terecht aan [persoon A] uitgekeerd. Van een onrechtmatig gelegd beslag is daarnaast volgens [persoon A] geen sprake. Evenmin staat vast dat [bedrijf B] als gevolg van het beslag schade heeft geleden. [persoon A] heeft geen gebruik gemaakt van een laptop, desktop en iPhone van [bedrijf B] . 3.12. De overige stellingen van partijen worden - voor zover van belang - hierna bij de beoordeling betrokken. 4De beoordeling In het (gewijzigde) verzoek ex artikel 7:682 BW 4.1. De rechtbank stelt vast dat de rechtspersoonlijke relatie tussen partijen is geëindigd door het ontslagbesluit van 14 mei 2024. De rechtsgeldigheid van dit besluit is niet in geschil. Inleiding en toetsingskader 4.2. [persoon A] is tot statutair bestuurder benoemd om onder toezicht van de RvC [bedrijf B] te besturen. Deze vennootschappelijke verhouding brengt mee dat [persoon A] te allen tijde zonder diens instemming of preventieve toets door de AVA als bevoegd orgaan kan worden ontslagen (artikel 2:224 BW). Het uitgangspunt is dat het rechtsgeldig ontslag van een statutair bestuurder uit zijn of haar rechtspersoonlijke positie als regel ook opzegging van de arbeidsovereenkomst met zich brengt, zoals volgt uit de zogeheten “15 april-arresten” van de Hoge Raad. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering als sprake is van een opzegverbod of als partijen anders zijn overeengekomen. Opzegverbod 4.3. [persoon A] heeft uitdrukkelijk een beroep gedaan op het opzegverbod tijdens ziekte, zodat de eerste vraag die voorligt is of [bedrijf B] in strijd met het opzegverbod tijdens ziekte tot het ontslag van [persoon A] is overgegaan. Volgens bestendige rechtspraak zijn de ontslagverboden onverkort van toepassing op de bestuurder van een vennootschap, evenals de bijbehorende arbeidsrechtelijke sancties. Indien sprake is van een opzegging in strijd met het opzegverbod, dan duurt de arbeidsovereenkomst voort, ondanks het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit. 4.4. In de rechtspraak is aanvaard dat het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing is ten aanzien van een bestuurder in het geval de ziekte een aanvang heeft genomen nadat de bestuurder de uitnodiging heeft ontvangen voor de algemene vergadering waarbij het ontslag van die bestuurder als onderwerp is aangekondigd. Daarmee wordt voorkomen dat de bestuurder zich kort voor een algemene vergadering ‘strategisch’ ziek kan melden, om daarmee een ontslag te voorkomen. Voor wat betreft de toepasselijkheid van het opzegverbod tijdens ziekte gaat de rechtbank uit van het (objectief bepaalbare) moment waarop [persoon A] de uitnodiging voor de AVA heeft ontvangen, te weten 5 januari 2024 (bij e-mail van 10:54 uur). Bij de uitnodiging voor de aandeelhoudersvergadering is op de bijgevoegde agenda opgenomen: “To discuss the current CEO’S dismissal and the appointment of new CEO”. 4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat [persoon A] zich eerst op 26 december 2023 heeft ziekgemeld, dat zij zich vervolgens op 2 januari 2024 weer beter heeft gemeld en dat zij zich vervolgens op 5 januari 2024 per e-mail om 18:13 uur opnieuw heeft ziekgemeld. Ter onderbouwing van haar standpunt dat als datum van ziekmelding 26 december 2023 moet worden genomen stelt [persoon A] dat na de ziekmelding van 5 januari 2024 geen nieuwe ziekteperiode is gestart, omdat [persoon A] binnen vier weken opnieuw is uitgevallen. Dat de ziektedagen in het kader van loondoorbetaling tijdens ziekte op grond van artikel 7:629 lid 10 BW bij elkaar worden opgeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, is onvoldoende om aan te nemen dat [persoon A] in het kader van het opzegverbod vanaf 26 december 2023 ziek is geweest en dat van die datum moet worden uitgegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de toepasselijkheid van het opzegverbod een ander peilmoment te hanteren dan het moment van de ontvangst van de uitnodiging van de AVA en de ziekmelding op 5 januari 2024. [persoon A] is daarmee duidelijk (schriftelijk) vóór de ziekmelding geïnformeerd over het ontslagvoornemen van [persoon E] . Uit de e-mail van de advocaat van [bedrijf B] van 16 januari 2024 blijkt duidelijk dat na instructie van DNB het agendapunt ontslag van de huidige bestuurder en benoeming van de nieuwe bestuurder is uitgesteld (“only therefore postponed until further notice”). [persoon A] had dit niet anders kunnen begrijpen dan dat haar voorgenomen ontslag nog steeds op de agenda stond en slechts werd uitgesteld tot nader order. [persoon E] heeft [persoon A] uiteindelijk op 6 mei 2024 uitgenodigd te reageren op het eerder uitgestelde ontslag van [persoon A] als bestuurder, in die zin dat sprake was van een voorgenomen aandeelhoudersbesluit buiten vergadering. Weliswaar was [persoon A] op het moment van die uitnodiging ziek, maar daarmee is uiteindelijk geen sprake van een opzegging in strijd met het opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW. 4.6. Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat het ontslagbesluit van 14 mei 2024 heeft geleid tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [persoon A] per 1 juli 2024. Het arbeidsrechtelijk ontslag is daarmee een gegeven. Redelijke grond voor opzegging 4.7. Bij de toetsing of sprake is van een redelijke ontslaggrond als bedoeld in artikel 7:699 BW is van belang dat een statutair bestuurder niet zonder meer vergelijkbaar is met een “gewone” werknemer. Een statutair bestuurder heeft doorgaans een hoger afbreukrisico dan een andere werknemer en wordt daarmee blootgesteld aan een groter risico ontslagen te worden, ook wanneer hem of haar in beperkte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.