RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 11033751 CV EXPL 24-9298 datum uitspraak: 22 november 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Onderlinge Waarborgmaatschappij DSW Zorgverzekeraar U.A., vestigingsplaats: Schiedam, eiseres, gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V., tegen [gedaagde] , woonplaats: Rotterdam, gedaagde, die zelf procedeert. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 26 maart 2024, met bijlagen; het mondelinge antwoord; de akte van DSW van 22 oktober 2024, met bijlage. 1.
- Op 24 juli 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [persoon A] als gemachtigde namens DSW en [gedaagde] aanwezig. 2De beoordeling Wat is de kern van de zaak? 2.
- [gedaagde] heeft bij DSW een zorgverzekering afgesloten. Hij moet op grond van de overeenkomst elke maand premie aan DSW betalen. Volgens DSW heeft [gedaagde] niet alle premies betaald en is hij ook zijn betalingsregeling niet nagekomen. DSW wil dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 1.201,43 inclusief rente en kosten te betalen. DSW krijgt gelijk. [gedaagde] moet de premieachterstand van € 1.057,25 betalen 2.
- De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag van € 1.057,25 aan zorgpremies toe. [gedaagde] erkent namelijk dat hij dit bedrag nog moet betalen. [gedaagde] heeft op de zitting gezegd dat hij zich zou wenden tot de schuldhulpverlening en hierna een nieuwe betalingsregeling kon treffen. Hier heeft [gedaagde] drie maanden de tijd voor gekregen. Ondanks een herinnering van DSW is [gedaagde] deze afspraak niet nagekomen. DSW en [gedaagde] hebben dus geen betalingsregeling getroffen. De kantonrechter kan geen betalingsregeling vaststellen in dit vonnis. Daarvoor moet DSW namelijk toestemming geven en dat heeft DSW niet gedaan (artikel 6:29 BW). [gedaagde] moet de incassokosten betalen 2.
- De incassokosten van € 74,78 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). [gedaagde] moet rente betalen 2.
- De wettelijke rente van € 69,40 wordt toegewezen, omdat [gedaagde] de verschuldigde premie niet (op tijd) heeft betaald. Hij is daarom op grond van artikel 6:119 BW wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat hij met de betaling in verzuim is. DSW heeft gesteld dat de wettelijke rente tot en met 26 maart 2024 € 69,40 is en [gedaagde] heeft dat niet betwist. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 2.
- [gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van DSW op € 137,38 aan dagvaardingskosten, € 328,- aan griffierecht, € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 135,-) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 802,
- Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.
- Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat DSW dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan DSW te betalen € 1.201,43 met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.057,25 vanaf 27 maart 2024 tot de dag dat volledig is betaald; 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van DSW worden vastgesteld op € 802,88; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken. 62914