← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:12510

RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: ROT 20/3337 en ROT 20/3336 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2024 in de zaken tussen wijlen [eiser], uit [plaatsnaam], eiser, en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. F. Huizinga en mr. M.S. Julen). Inleiding Met besluiten van 6 maart 2020 heeft verweerder de zorgtoeslag en de huurtoeslag van [eiser] over 2018 definitief vastgesteld. Met de besluiten van 30 mei 2020 op de bezwaren van [eiser] is verweerder bij die besluiten gebleven en zijn de bezwaren kennelijk ongegrond verklaard. [eiser] heeft hiertegen op 17 juni 2020 beroep ingesteld. De beroepszaak tegen de vaststelling van de zorgtoeslag over 2018 is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer ROT 20/

  1. De beroepszaak tegen de vaststelling van de huurtoeslag over 2018 is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer ROT 20/
  2. Bij brief van 7 oktober 2020 heeft Dienst Toeslagen de rechtbank in kennis gesteld dat [eiser] op 28 augustus 2020 is overleden. De rechtbank heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant van 23 september 2024 aangekondigd dat het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 9 oktober
  3. De rechtbank heeft de beroepen op 9 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Bij brief van 8 oktober 2020 is aan de erven van [eiser], per brief aan het laatst bekende adres van [eiser], gevraagd of zij het beroep wensen voort te zetten en verzocht binnen vier weken een verklaring van erfrecht in te dienen. Bij aangetekende brief van 4 februari 2021 is aan de erven van [eiser] nogmaals de gelegenheid geboden de verklaring van erfrecht in te zenden. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is retour gekomen naar de rechtbank. Vervolgens heeft de rechtbank gelijkluidende brieven d.d. 4 maart 2021, 23 april 2021 en 4 juni 2021 verzonden naar het adres van de zoon van [eiser]. Nadat hierop geen antwoord is ontvangen heeft de rechtbank op 23 september 2024 een aankondiging van de zitting van 9 oktober 2024 in de Staatscourant geplaatst. Er heeft zich niemand gemeld als erfgenaam van [eiser]. Niet is gebleken van erfgenamen die deze zaak zouden willen voortzetten. Ook na de aankondiging in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij te mogen deelnemen. Nu ook niemand is verschenen ter zitting van 9 oktober 2024 zullen de beroepen, wegens het ontbreken van belang bij voortzetting daarvan, niet-ontvankelijk worden verklaard. Conclusie en gevolgen De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Er is geen reden voor vergoeding van proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december
  4. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.