← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:12570

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 23/1808 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2024 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres (gemachtigde: mr. J.F. Cheung), en de minister van Financiën, verweerder (gemachtigden: V.N. Giang en mr. M.A. Balby). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om private schulden over te nemen. 1.
  2. Met het besluit van 24 mei 2022 heeft Sociale Banken Nederland (SBN) zes schulden overgenomen en is geweigerd zes schulden over te nemen. 1.
  3. Met het bestreden besluit van 3 februari 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2024 op zitting in het huis van de Wijk behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van verweerder en twee wijkcoaches van de gemeente Rotterdam, [persoon 1] en [persoon 2]. 1.
  5. Naar aanleiding van de bespreking van de zaak op de zitting is afgesproken de zaak te schorsen om eiseres in de gelegenheid te stellen meer informatie aan te leveren over de stand van zaken ten aanzien van de schuld van eiseres aan de gemeente Rotterdam en om te bezien of eiseres mogelijk een schuldhulpverleningstraject bij de gemeente Rotterdam in zou kunnen gaan. Dit is aan partijen bevestigd in een brief van 11 april 2024 onder toezending van de aantekeningen van de zitting. 1.
  6. Eiseres heeft de gevraagde nadere informatie toegestuurd met een brief van 2 mei 2024 met bijlagen en met een brief van 16 juli 2024 met bijlagen. Eiseres heeft daarin aangegeven dat ze niet bereid is om een schuldhulpverleningstraject in te gaan. Voor wat betreft de stand van zaken van de schuld van eiseres bij de gemeente Rotterdam wordt verwezen naar een besluit van 5 november 2021 waaruit blijkt dat het gaat om een terugvordering van bedrijfskapitaal op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) van € 15.175,24 (hoofdsom en rente) die niet kwijtgescholden wordt. Deze informatie is eveneens per post en desgevraagd ook per e-mail aan verweerder toegezonden. Verweerder heeft niet meer gereageerd. 1.
  7. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter nadere zitting achterwege gebleven. De rechtbank sluit het onderzoek. Totstandkoming van het besluit
  8. Tussen 2004 en 2019 is de kinderopvangtoeslag van een groot aantal ouders ten onrechte stopgezet en is eerder verleende kinderopvangtoeslag van hen ten onrechte teruggevorderd. De ouders zijn door de aanpak van verweerder in die tijd langdurig in een onmogelijke positie, in grote financiële problemen en in grote onzekerheid gebracht. Zij hebben financiële schade geleden en zijn aangetast in hun rechtsgevoel, omdat zij zijn bestempeld als fraudeur. Het kabinet heeft hiervoor excuses aangeboden en is een hersteloperatie gestart. 3 Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid bepaalde private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen. De regeling hiervoor was eerst opgenomen in het Besluit betalen private schulden, dat gold vanaf 29 oktober
  9. Op 2 november 2022 is deze regeling opgenomen in artikel 4.1 tot en met 4.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
  10. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aan SBN schuldenlijsten verstrekt. Met het besluit van 24 mei 2022 is geweigerd een aantal schulden over te nemen.
  11. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt voor zover verweerder geweigerd heeft haar schulden aan de gemeente Rotterdam, Yeaz!, ABN AMRO, Otto, Tinka Wehkamp Finance, Flanderijn en Menzis over te nemen.
  12. Met het bestreden besluit heeft verweerder aan de weigering van de overname van schulden aan Yeaz!, ABN AMRO, Flanderijn en Menzis ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van een schuld. De schuld aan de gemeente Rotterdam van € 7.001,44 en € 3.155,56, wordt als een publieke schuld gezien. De schuld aan Otto van € 293,-, in verband met een betalingsachterstand, is overgenomen en met betrekking tot de hoofdsom van € 2.958,99 afgewezen omdat deze niet binnen de periode na 31 december 2005 en voor 1 juni 2021 opeisbaar is gesteld. Met betrekking tot de schuld aan Tinka Wehkamp Finance wordt nog gewacht op informatie van de schuldeiser. Beoordeling door de rechtbank
  13. De rechtbank beoordeelt de weigering van verweerder om private schulden over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 8.
  15. De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
  16. Het beroep van eiseres richt zich tegen de weigering van de overname van de schulden aan de gemeente Rotterdam, Otto en Yeaz!. Schuld aan de gemeente Rotterdam
  17. Eiseres stelt dat het gaat om een private schuld omdat deze als lening is aangegaan ten behoeve van de eenmanszaak van eiseres. 10.
  18. De schuld van eiseres van € 7.001,44 en € 3.155,56 aan de gemeente Rotterdam betreft bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal die in de vorm van een rentedragende lening op grond van de Tozo door het college van burgemeester en wethouders (het college) is verstrekt. Het is daarmee een publiekrechtelijke schuld. Dat de schuld ten behoeve van een eenmanszaak is verstrekt, doet hier niet aan af. Op grond van hoofdstuk 3 van de Wht worden publieke schulden door de betreffende bestuursorganen zelf in kaart gebracht en door hen wordt getoetst of de schulden in aanmerking komen voor kwijtschelding. Dit is op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wht, gebeurd door het college gelet op het besluit van 5 november
  19. Dat besluit is inmiddels ook onherroepelijk geworden. De rechtbank ziet geen aanleiding in het kader van artikel 4.1 van de Wht anders te oordelen over deze schuld. De verplichting tot betaling van rente en aflossing van de lening ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal vangt, gelet op artikel 4b, tweede lid, van de Tozo-regeling, aan op 1 juli
  20. Op 31 december 2020 was daarom geen sprake van achterstallige betalingen zoals bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onder a, van de Wht. Daarnaast is geen sprake van een terugvordering van het verstrekte krediet op grond van artikel 58, tweede lid, onder b, van de Participatiewet als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onder b, van de Wht. De schuld kan ook op grond van artikel 4.1, derde lid, onder f en artikel 4.1, tweede lid van de Wht niet worden overgenomen. Schuld aan Otto
  21. Eiseres stelt dat de schuld aan Otto overgenomen moet worden omdat Otto heeft erkend dat er aanvankelijk een foutief bedrag aan verweerder was doorgegeven. Het betreft een oude kredietovereenkomst waarvan op 31 mei 2022 nog € 3.184,- open stond. Eiseres betaalt hierop momenteel € 88,- per maand af. 11.
  22. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat uit contact met Otto is gebleken dat eiseres de maandbedragen tijdig heeft betaald en dat er pas in 2022 opeisbare betalingsachterstanden waren. 11.
  23. Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht bepaalt dat de resterende hoofdsommen van leningen niet worden overgenomen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. Dit volgt ook uit de Memorie van Toelichting van de Wht. Alleen als de hoofdsom opeisbaar is geworden voor 1 juni 2021, bijvoorbeeld door betalingsachterstanden, wordt de (gehele) lening wel betaald. Dit om te voorkomen dat de schuldeiser incassomaatregelen neemt waardoor de gedupeerde ouder verder in de problemen komt. Verder volgt uit de Memorie van Toelichting dat de regeling voor het overnemen van private schulden niet bedoeld is als herstel van schade in het verleden, maar om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start. 11.
  24. Bij e-mail van 31 mei 2022 heeft een medewerker van Otto het volgende aan verweerder bericht: ‘Naar aanleiding van ons telefonisch gesprek van vorige week kan ik u het volgende melden. Helaas, heeft mijn collega abusievelijk een verkeerd opeisbaar bedrag doorgegeven door het niet beschikken over de juiste informatie. In augustus 2019 tot en met mei 2020 heeft de klant enkele maanden een achterstand bij ons gehad en was het opeisbare bedrag op dat moment € 3.917,
  25. Vervolgens is betreffende achterstand ingelost en sinds april vorig jaar

(2021)hebben wij naar aanleiding van de toeslagenaffaire de saldo van de klant bevroren. Dit houdt in dat er al ruim een jaar geen enkele betaling is gedaan en het opeisbare bedrag momenteel € 3.184,96 (totaal openstaande saldo) bedraagt.’ 11.
  1. Gelet op artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Wht is de eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden of de private schuld bij Otto, opeisbaar is geworden vóór 1 juni
  2. Die vraag beantwoordt de rechtbank met ‘nee’. Eiseres heeft de betalingsachterstand die was ontstaan tot en met mei 2020 ingelost. Niet is gebleken dat de vordering op 1 juni 2021 vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden. De schuld bij Otto bestaat daarom, zoals verweerder terecht stelt, uit lopende betalingsverplichtingen. Deze betalingsverplichtingen kan verweerder op grond van art 4.1, tweede lid, aanhef en sub b, van de Wht niet overnemen. De rechtbank overweegt hierbij dat deze bepaling dwingend is geformuleerd.
  3. Eiseres stelt dat doordat zij de achterstanden heeft ingelost, de schuld nu niet wordt overgenomen. Zij ervaart het als een straf voor het feit dat ze de afbetaling van deze schuld met veel moeite heeft opgepakt. Hoewel dit gevoel te begrijpen is, moet de rechtbank ook vaststellen dat de in de Wht gestelde voorwaarden aan het overnemen van private schulden en de gevolgen die deze afbakening in de praktijk voor gedupeerde ouders met schulden met zich brengen wel in overeenstemming zijn met de wil van de wetgever. Het beroep op de hardheidsclausule wordt afzonderlijk besproken in rechtsoverweging
  4. Schuld aan Yeaz!
  5. Eiseres stelt dat de schuld aan Yeaz! van € 14.605,05 overgenomen moet worden omdat er diverse incassopogingen zijn mislukt en dat dit gelijkgesteld moet worden aan het mislukken van het opeisen van schuld waardoor de schuld opeisbaar is geworden. Het betreft een doorlopend bedrijfskrediet dat eiseres is aangegaan in 2018 waarover eiseres uitsluitend rente betaalde. 13.
  6. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat eiseres pas vanaf 14 april 2021 tot en met 29 maart 2022 betalingen aan Yeaz! heeft verricht en dat niet gebleken is dat het hier om opeisbare betalingsachterstanden gaat. Het gaat om een doorlopend krediet zonder aflosverplichting. 13.
  7. De rechtbank trekt ook hier, onder verwijzing naar overweging 11.2, de conclusie dat het moet gaan om een schuld die voor 1 juni 2021 is opgeëist als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid van de Wht. Lopende betalingsverplichtingen kunnen door verweerder niet worden overgenomen. Uit de beschikbare informatie blijkt niet dat er voor 1 juni 2021 sprake is geweest van opeisbare betalingsachterstanden.
  8. Eiseres beroept zich verder op de hardheidsclausule en voert in dat kader aan dat Yeaz! zich niet aan de pauzeknop heeft gehouden en eiseres rente heeft laten doorbetalen. Zodoende heeft eiseres vanaf 16 april 2021 tot en met 29 maart 2022 ruim € 3.000,- in mindering op deze schuld betaald. Als eiseres dat niet zou hebben gedaan, zou de schuld vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden en zou deze schuld wel zijn overgenomen. Hardheidsclausule
  9. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een ‘onbillijkheid van overwegende aard’. Daarvan is sprake als bijzondere omstandigheden tot een schrijnende situatie leiden. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 4.1 van de Wht volgt dat de hardheidsclausule het belang beschermt van gedupeerde ouders bij een kans op een nieuwe start, waarbij de ontvangen compensatie zoveel mogelijk moet worden ontzien. Het is daarbij niet het doel van de regeling om ouders volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. De rechtbank neemt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, in aanmerking dat de regeling alleen is bedoeld om opeisbare betalingsachterstanden over te nemen en te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen van de schuldeiser. De regeling is geen vorm van schadevergoeding; daarvoor bestaan andere regelingen in de Wht. De regeling is gericht op het bieden van een nieuwe start aan gedupeerde ouders door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. 15.
  10. Ter zitting heeft eiseres verteld dat zij in dubbel opzicht is geraakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag, namelijk als gastouder in de kinderopvang en als moeder van kinderen die naar de kinderopvang gingen. Vanwege de eerdere problemen met de kinderopvangtoeslag durft eiseres sinds 2016 geen kinderopvangtoeslag meer aan te vragen. Dit was ook de reden om een lening bij de gemeente aan te vragen voor haar gastouderbureau en het krediet bij Yeaz! aan te gaan. Eiseres heeft al sinds 2008 financiële problemen. Er lopen verschillende betalingsregelingen. De echtgenoot van eiseres heeft ook schulden. Hij heeft geen werk. Eiseres werkt nog steeds als gastouder, heeft hulp vanuit de gemeente Rotterdam in de vorm van huisbezoeken en er is achterstallig onderhoud aan de woning aangepakt; ook heeft het wijkteam tevergeefs geprobeerd Yeaz! ertoe te bewegen de pauzeknop toe te passen. Eiseres wil geen gebruik maken van minnelijke dan wel wettelijke schuldsanering vanuit de gemeente. Zij heeft hier geen vertrouwen in. 15.
  11. Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk dat de situatie van eiseres nog steeds moeilijk is. Dit ligt vooral aan het feit dat zij op twee fronten met problemen (als gastouder en als vraagouder) met de problemen rondom de kinderopvangtoeslag is geconfronteerd. De schulden die in deze periode zijn ontstaan, zijn nog steeds niet allemaal opgelost. Zoals hierboven is aangegeven, is de regeling omtrent het overnemen van private schulden echter niet bedoeld om ouders te vrijwaren van alle betalingsverplichtingen en ziet de regeling alleen op opeisbare schulden en dus niet op, bijvoorbeeld, de rente die in 2021en 2022 is betaald aan YEAZ! in het kader van het niet opeisbaar geworden doorlopende krediet. Niet is gebleken dat eiseres te maken heeft met incassomaatregelen van schuldeisers of van deurwaarders. De regeling omtrent het overnemen van private schulden is geen vorm van schadevergoeding. Voor het herstel van haar schade zijn andere regelingen in de Wht, zoals de herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag en de mogelijkheid van het indienen van een verzoek aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade. Eiseres heeft op deze regelingen ook een beroep gedaan. Alles bij elkaar is de rechtbank van oordeel dat er niet is gebleken van een schrijnende situatie die niet door de wet is voorzien en die verweerder had moeten leiden tot het toepassen van de hardheidsclausule. 15.
  12. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Conclusie en gevolgen
  13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van het griffierecht en haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Nieuwstraten, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december
  14. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) Op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Wht, voor zover van belang, scheldt het college van burgemeester en wethouders ambtshalve schulden kwijt die verband houden met de uitvoering van de Participatiewet, voor zover die op 31 december 2020 niet voldaan waren of voor zover die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2020 en de schuld na die datum is vastgesteld, van een persoon als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid. Op grond van artikel 3.8, vijfde lid, van de Wht scheldt het college van burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste en derde lid een lening verstrekt als bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal als bedoeld in artikel 78f van de Participatiewet slechts kwijt of restitueert deze slechts voor zover het betreft: a. achterstallige betalingen; of b. de hoofdsom, welke op grond van artikel 58, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet voor 1 januari 2021 is teruggevorderd. Op grond van artikel 4.1, tweede lid van de Wht worden geldschulden overgenomen die zijn ontstaan na 31 december 2005, voor 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder f, van de Wht, zijn geldschulden en kosten die worden overgenomen bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk
  15. Op grond van artikel 9.1, tweede lid, onder d, van de Wht kan, voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden, het college van burgemeester en wethouders afwijken van artikel 3.8 of 2.
  16. Participatiewet (Pw) Op grond van artikel 58, tweede lid, onder b, van de Pw kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen. Op grond van artikel 78f van de Pw worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10, 11, 32, 34, 40, 41, 45, 58, 69, 77 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.
  17. Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (het Tozo-besluit) Op grond van artikel 16, tweede lid, van het Tozo-besluit vangt de verplichting tot betaling van rente en aflossing aan op 1 januari
  18. In het tijdvak van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 wordt geen rente opgebouwd. Tijdelijke regeling overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (de Tozo-regeling) Op grond van artikel 4b, tweede lid, van de Tozo-regeling vangt in afwijking van artikel 16, tweede lid, van het Tozo-besluit de verplichting tot betaling van rente en aflossing van de lening ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan op 1 juli 2022 en wordt in het tijdvak van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 geen rente opgebouwd. Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p
  19. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2024 , ECLI:NL:RVS:2024:2040, ro. 2, 13 t/m
  20. Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p 46.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.