Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummers: 10-172271-24, 10-169896-22 Datum uitspraak: 16 december 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] , locatie [detentielocatie] . Raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 december 2024. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en van een doorlopende nummering voorzien. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. Kruit heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 – voor zover het de in de tenlastelegging hoeveelheid van 990,8 gram betreft –, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak van het onder 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde 4.1.1. Standpunt officier van justitie Strafzaak 2024; het onder 2 ten laste gelegde In deze strafzaak is door de politie waargenomen dat de verdachte de woning aan de [adres 2] in Rotterdam verliet. De verdachte had de sleutel van de voordeur van die woning in zijn bezit. De vuurwapens zijn in een vacuümzak onder de kussens van een bankstel aangetroffen. Daarmee hebben de vuurwapens zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden, zodat het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Strafzaak 2022; het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde Alle drie de ten laste gelegde feiten die betrekking hebben op deze strafzaak kunnen worden bewezen. Door de politie is waargenomen dat de verdachte uit de woning kwam en vervolgens de voordeur van die woning op slot draaide. In de woning die – gelet op de staat waarin de woonkamer en de keuken zijn aangetroffen – werd gebruikt als versnijdingspand, zijn verdovende middelen, vuurwapens, versnijdingsmiddelen en toebehoren om verdovende middelen te kunnen verwerken aangetroffen. Op de vuurwapens is DNA van de verdachte aangetroffen, zodat bewezen kan worden dat de verdachte die vuurwapens op die dag voorhanden heeft gehad. 4.1.2. Beoordeling Strafzaak 2024; het onder 2 ten laste gelegde De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van wapens in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat de verdachte die wapens bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van de wapens of tot de exacte locatie van die wapens. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over de wapens heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. In deze strafzaak lagen de vuurwapens niet in het zicht. Ze waren verpakt in een vacuümzak en ze lagen onder een zitkussen van één van de bankstellen. In de bemonsteringen van de vuurwapens is geen DNA van de verdachte aangetroffen. Gelet op die omstandigheden kan niet bewezen worden dat de verdachte zich bewust is geweest, of moet zijn geweest, van de aanwezigheid van de vuurwapens in de woning. De woning was niet ingericht voor bewoning, maar als versnijdingspand. Om die reden maakt de omstandigheid dat de sleutel van die woning bij de verdachte is aangetroffen, niet dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van die vuurwapens. De verdachte zal van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken. Strafzaak 2022; het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde Door de politie is gezien dat de verdachte de woning aan de [adres 3] in Rotterdam verliet. De politie is de woning kort daarna binnengetreden, en heeft daar verdovende middelen, vuurwapens, versnijdingsmiddelen en toebehoren om verdovende middelen te kunnen verwerken aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij niet in de woning zelf is geweest. De deur aan de straatkant komt uit in een halletje met een trap die vervolgens naar de voordeur van de woning leidt. De verdachte heeft verklaard dat hij enkel in dat halletje heeft gestaan, maar niet in de woning zelf is geweest. Die verklaring is bevestigd door een medeverdachte die als getuige is gehoord. Voorts is voor de beoordeling van de zaak van belang dat de sleutel van de woning niet bij de verdachte is aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden, en ook overigens, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte in de woning is geweest. In het verlengde daarvan kan niet worden bewezen dat de verdachte de goederen die in de woning zijn aangetroffen opzettelijk aanwezig of voorhanden heeft gehad of zich hiervan zelfs maar bewust van is geweest. Dat geldt ook voor de vuurwapens waarop DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met het DNA van de verdachte. Alhoewel die match een sterke aanwijzing is voor het aanraken en wellicht zelfs het voorhanden hebben van die wapens door de verdachte op enig moment, kan gelet op het voorgaande niet worden bewezen dat de verdachte die wapens – zoals tenlastegelegd – op die dag voorhanden heeft gehad. 4.1.3. Conclusie Het onder 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering met betrekking tot het onder 1 en 3 ten laste gelegde 4.2.1. Standpunt verdediging Bepleit is dat de staandehouding van de verdachte en ook de daarop volgende fouillering en het gebruik van de bij de verdachte aangetroffen sleutel voor de toegang tot de woning aan de [adres 2] in Rotterdam, onrechtmatig waren. Uit het dossier wordt onvoldoende duidelijk welke van de in het dossier genoemde woningen, huisnummer 192 of 194, mogelijk betrokken zou zijn geweest. Daarnaast maakt het dossier niet duidelijk wanneer de verdachte zou zijn gaan rennen. Dat maakt dat het bewijs door een onherstelbaar vormverzuim is verkregen en moet worden uitgesloten, als gevolg waarvan de verdachte van het onder 1 en 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Subsidiair is verwezen naar de ontkennende verklaring van de verdachte die verder inhoudt dat hij maar kort – enkele minuten – in de woning is geweest en dat hij de sleutel had gekregen om terug te kunnen keren met het eten dat hij zou gaan halen. Hij heeft ontkend dat hij iets wist van de goederen die in de woning aanwezig waren, zodat vrijspraak moet volgen voor het onder 1 en 3 ten laste gelegde. 4.2.2. Beoordeling De rechtbank stelt met de raadsman vast dat in het dossier zowel de huisnummers 194 als 192 van de [straatnaam] worden genoemd. Uit het dossier blijkt echter ook dat waarnemingen van de politie op 15 mei 2024 aanleiding gaven om het kenteken van een Toyota Aygo op te nemen in een ANPR-referentiebestand. In het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] is vermeld dat politieagenten de inzittenden van die Toyota Aygo op 15 mei 2024 hebben zien uitstappen en lopen in de richting van de [adres 2] . Voorts is vermeld dat de politieagenten niet exact konden zien welk pand de drie personen betraden, omdat er drie voordeuren naast elkaar zijn gevestigd. Ten aanzien van de onduidelijkheid over het rennen door de verdachte en zijn medeverdachte op 23 mei 2024 is in het proces-verbaal beschreven dat politieagenten zagen dat de verdachten het portiek uit kwamen rennen in de richting van de plek waar (andere) politieagenten de bestuurder van de Toyota Aygo aanhielden. Op een andere plek in het dossier staat dat de verdachten wegrenden nadat zij de aanhouding en de politie zagen. De rechtbank acht dat onderscheid gelet op het voorgaande niet van doorslaggevend belang en stelt op basis van het dossier vast dat de verdachten op enig moment zijn gaan rennen. Gelet op al het voorgaande bestond ten aanzien van de verdachte een verdenking van overtreding van de Opiumwet zodat de staandehouding en de daarop volgende handelingen niet onrechtmatig waren. Daarbij geldt bovendien dat het door de raadsman naar voren gebrachte belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Het verweer wordt verworpen. De woning aan de [adres 2] in Rotterdam is door de politie betreden door gebruik te maken van de sleutel die bij de verdachte werd aangetroffen. Gezien is dat de woning kennelijk werd gebruikt als een zogenaamd versnijdingspand voor verdovende middelen. In de woonkamer stonden meerdere bankstellen. In die kamer is ook een blokverpakking aangetroffen. Later is vastgesteld dat het materiaal in die verpakking cocaïne bevat. In de andere ruimten zijn versnijdingsmiddelen en aanverwante goederen aangetroffen. Uit één van de kamers die als versnijdingsruimte is aangeduid, is een plastic zakje met wit poeder in beslag genomen. De knoop van dat plastic zakje is bemonsterd op DNA. In die bemonstering is DNA aangetroffen. Gelet op het onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) stelt de rechtbank vast dat dit het DNA van de verdachte betreft. De verklaring van de verdachte dat hij slechts enkele minuten in de woning is geweest en dat hij vervolgens de sleutel van die woning mee had gekregen om weer naar binnen te kunnen met het eten dat hij zou gaan halen, is niet aannemelijk geworden. Naast hetgeen hiervoor is overwogen, is door de politie geen andere persoon gezien die de sleutel aan de verdachte zou hebben kunnen geven. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en de waargenomen gezamenlijke uitvoering met de medeverdachte [medeverdachte], kan het onder 1 en 3 ten laste gelegde worden bewezen. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde alleen geldt voor het opzettelijk aanwezig hebben van de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid van 990,8 gram van een materiaal dat cocaïne bevat. Van de andere genoemde hoeveelheden zal de verdachte partieel worden vrijgesproken. 4.2.3. Conclusie Het onder 1 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 23 mei 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, - 990,8 gram van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 3. hij op 23 mei 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, - voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededader, wist(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.