vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/670292 / HA ZA 23-1076 Vonnis van 18 december 2024 in de zaak van 1. [persoon A], handelend als executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [persoon B] , wonend in Tilburg, 2. [bedrijf B], gevestigd in Zoetermeer, eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, advocaat mr. A.I. Keur te Amsterdam, tegen 1 [persoon 1] , wonend in Moordrecht, gedaagde, advocaat mr. A.W. Veth te Rotterdam, 2. [persoon 2], wonend in Zevenhuizen, gedaagde in conventie,eiser in reconventie, advocaat mr. M.P. Harten te Rotterdam, 3. [persoon 3], wonend in Nieuwerkerk aan den IJssel, niet verschenen. Partijen worden hierna aangeduid als [persoon A] , [bedrijf B] , (eiseressen gezamenlijk:) [persoon A] c.s., [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in incident van 8 mei 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;- de conclusie van antwoord van [persoon 1] , met producties 1 tot en met 4; - de brief van de rechtbank van 2 juli 2024 met een oproep voor de mondelinge behandeling; - de brief van de rechtbank van 5 juli 2024 met een zittingsagenda;- de akte overleggen producties van [persoon 2] , met producties 4 tot en met 10;- de akte houdende overlegging producties van [persoon 1] , met producties 5 tot en met 7;- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte overleggen producties, met producties 24 tot en met 37; - de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling op 12 augustus 2024. 1.2. Tegen [persoon 3] , die bij exploot van 8 april 2024 als gedaagde is opgeroepen in het geding, is verstek verleend. 1.3. Na de mondelinge behandeling is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [bedrijf B] was een onderneming van wijlen [naam overledene] , de vader van [persoon B] (hierna: de heer [naam overledene] ). 2.2. [persoon B] mailde op 11 maart 2020 naar de heer [persoon C] , de toenmalige huisarts van de heer [naam overledene] , onder meer het volgende: “Mijn vader - [naam overledene] - is bij u geweest en u heeft voor hem een verwijsbrief voor de geheugenpoli in Woerden gemaakt. Dit dateert van begin februari. Doordat wij nog steeds niets van de geheugenpoli hebben gehoord, heb ik telefonisch contact met hen opgenomen. De situatie is dat de wachtlijst zo lang is dat mijn vader misschien pas in juni of juli aan de beurt is. Daar het 1e onderzoek van meer dan twee jaar geleden is, kan de arts van de Geheugenpoli op basis van dat onderzoek geen verklaring meer afgeven. Wat zij wel willen is alle documentatie van dat 1e onderzoek naar u sturen. Hiervoor is het noodzakelijk dat u hen daartoe schriftelijk verzoekt. Ik vraag u namens mijn vader dat op te vragen zodat zijn dossier bij u bijgewerkt is.” 2.3. De huisarts stuurde de volgende reactie per e-mail van 13 maart 2020: “Dank voor uw email. Vandaag is de verwijzing omgezet naar het Bronovo ziekenhuis. Uw vader heeft hem zelf opgehaald. In de verwijzing is ook de informatie van de geheugenpoli meegenomen. Dit zou genoeg moeten zijn. Zo niet, dan horen wij dat waarschijnlijk wel van het Bronovo. Ik hoop dat hij nu wat sneller aan de beurt komt.” 2.4. [persoon A] stelde in maart 2020 een document op met de titel “Wat ons opvalt bij pa”. Hierin staat onder meer het volgende vermeld: “(…) Een opvallende gedragsverandering is dat hij zijn geld en zaken volledig aan anderen overlaat zo zijn wij achter gekomen. Hij heeft een boekhoudster die alle betalingen voor hem doet en een accountant die alles voor hem regelt. Als wij hem een vraag stellen dan kan hij daar echt geen antwoord op geven en zegt dat [persoon D] dat allemaal weet; (…) Wij weten van zijn accountant dat deze accountant hem voor steeds meer dingen in de recente jaren heeft moeten behoeden. Een voorbeeld. Onze vader heeft z’n leven lang veel autogereden en om auto’s gegeven; deze koos hij met zorg uit. Ik ( [persoon A] ) ben elektrisch gaan rijden en constateerde met hem dat dit voor hem geen goede stap meer zou zijn omdat het bedienen van zo’n auto best erg anders is. Eind november blijkt hij ineens zomaar een elektrische auto te hebben gekocht waar hij met een proefrit niet eens de snelweg mee is opgegaan. Echt NIETS voor hem. Toen hij de auto kreeg raakte hij op de snelweg helemaal in paniek en heeft de auto binnen een week weer teruggebracht naar de garage. Daar heeft hij hem (met fiks verlies) ingeruild tegen een andere vrijwel nieuwe auto met vergelijkbare moeilijke knopjes. Ook deze is binnen de kortste keren weer ingeruild. Deze grap heeft naar schatting wel degelijk zo’n € 39.000,- gekocht maar onze vader vertelt vooral hoe lief de mensen in de garage waren. Samengevat zien we hem dus zeer impulsief dingen doen, waarbij hij nooit impulsief is geweest; (…) Wij komen erachter dat hij aan diverse mensen geld heeft uitgeleend waaronder aan zijn accountant € 50.000,-. Huurders van units in zijn bedrijfspand heeft hij regelmatig huurverlagingen gegeven als zij aangaven de huur moeilijk te kunnen betalen. Sommige huren zitten op 50% van de oorspronkelijke huur. Dit past niet bij onze vader die altijd stevig onderhandelde over iedere cent en z’n geld altijd in z’n zak hield.” 2.5. Daarnaast heeft [persoon A] samen met haar zus [persoon E] (hierna samen: de dochters) een verzoek tot het benoemen van een bewindvoerder voor de heer [persoon B] voorbereid. Voor dit traject lieten zij meerdere verklaringen opstellen over de geestelijke gesteldheid van de heer [persoon B] , waaronder een verklaring van de heer [persoon F] , een neef van de heer [persoon B] , van 26 februari 2020. Hierin wordt onder meer het volgende vermeld: “Na het overlijden van [persoon G] in maart 2018 viel me in de eerste fase na dit verlies zijn emotionele "mood swings" op maar dit achtte ik normaal voor iemand in de rouw. Dit werd echter niet minder maar werd later alleen maar erger. Met deze "mood swings" gingen zijn plannen en ideeën alle kanten op. Het ene moment wilde hij alles verhuren wat hij heeft, dan weer verkopen en dan weer behouden. Het ene moment wil hij veel reizen, het andere lekker thuis blijven. Tijdens gesprekken valt hij enorm veel in herhaling en grijpt iedere keer terug op zaken die niet meer aan de orde zijn of reeds geregeld. Mij valt op dat als ik hem op deze dingen wijs, hij zich dit echt niet meer herinnert. Mei 2018 heeft ome [roepnaam overledene] mij gevraagd of ik zijn executeur testamentair wilde worden. Om deze reden ben ik nauw betrokken geweest bij het opstellen van zijn testament en daarna zijn levenstestament. Ik ben hiervoor ook vaak mee geweest op gesprek bij zijn notaris. Vanwege ome [roepnaam overledene] zijn beïnvloedbaarheid, wisselvalligheid en vergeetachtigheid is het een langslepend en moeizaam traject geweest om tot ondertekening te komen. Net wie hij gesproken heeft wil hij weer iets anders. Het ene moment wil hij een dochter onterven, het andere moment niet meer. Dit is niet zoals ik ome [roepnaam overledene] ken uit het verleden. Ik ervaar hem nu duidelijk als een oudere man die dit soort zaken eigenlijk niet goed zelfstandig meer kan regelen. Ome [roepnaam overledene] is veel minder scherp dan hij vroeger was. Hij neemt besluiten nu emotioneel en "ad-hoc" (bv de grote lening aan zijn accountant). Als hij daarna begrijpt dat hij eigenlijk iets verkeerds heeft gedaan dan weet hij niet meer goed hoe dit te corrigeren. Hij is veelal bezig om bevestiging te zoeken van wat hij wil en grijpt naar goedkeuring van zijn omgeving (bij mij en vele anderen). (…) Ook zijn lening aan [persoon 2] (accountant) was voor mij een zorgpunt, wat ik veel met hem besproken heb. Hij gaf toe dat het niet klopte maar niet goed te weten hoe dit op te lossen. Het vervolgens niet aflossen en doorschuiven van de aflossing was ook voor hem zorgelijk, alleen wilde hij geen conflict. Ook hierover heb ik zijn dochter gewaarschuwd.” 2.6. [persoon 2] , die in de stukken vaak [persoon 2] wordt genoemd, heeft een onderneming genaamd [naam onderneming] . Hij heeft jarenlang werkzaamheden verricht voor de heer [persoon B] en [bedrijf B] . In een verklaring die op 28 februari 2020 door [persoon 2] is ondertekend en op briefpapier van zijn onderneming is opgesteld, wordt het volgende vermeld: “Sinds 1997 ben ik de accountant voor de heer [naam overledene] en zijn BV’s. Ik geef hem al meer dan 23 jaar financieel advies voor al zijn zakelijke activiteiten en heb altijd alle fiscale aangiften voor hem gedaan. Ook in 2019 heb ik minstens 2 keer per maand een afspraak gehad met [roepnaam overledene] . Sinds het overlijden van [persoon G] heb ik gezien dat [roepnaam overledene] erg onrustig is in zijn hoofd en zoekende. Vooral het laatste jaar is sprake van toenemende verwarring en vergeetachtigheid. Het ging mij steeds meer opvallen dat hij -vooral wanneer het gaat over financiële zaken- de gevolgen van zijn handelen niet meer overziet. Ik heb dit vooral gemerkt doordat ik mijn adviezen aan hem steeds opnieuw moest herhalen maar ook uitleggen. Dit is niet zoals ik [roepnaam overledene] in zijn goede doen heb gekend. Om deze reden ben ik mijn adviezen aan hem ook op papier (mail) gaan zetten want ik merkte dat hij het gewoon niet opneemt en onthoudt. Normaliter volgende hij mijn adviezen waarover we tot overeenstemming waren gekomen altijd op. Inzake de Staringlaan begrijp ik nu dat hij niets met mijn adviezen heeft gedaan. Als ik hem daarover spreek dan kan hij zich de adviezen niet meer herinneren. [roepnaam overledene] treedt ook heel geregeld in herhaling en vergeet nu vaak eerdere gesprekken, adviezen en afspraken. Mijn bevinding is bovendien dat [roepnaam overledene] niet altijd meer goed weet wat hij wilt en zeer beïnvloedbaar is geworden. Ook kan hij niet meer goed overzien wat wel of niet in zijn belang is. Bewind voering over zijn zaken lijkt me raadzaam, zo niet noodzakelijk.” 2.7. Op 20 april 2020 is een document opgesteld, genaamd “Afspraken en opdrachtbevestiging” en ondertekend door de heer [persoon B] en de dochters. Hierin is onder meer het volgende opgenomen: “Ter ontzorging en verzorging van [naam overledene] zijn in diverse bijeenkomsten met wisselende samenstellingen bijeen geweest [naam overledene] , [persoon E] , [persoon 2] , [persoon F] en [persoon B] . In die afzonderlijke bijeenkomsten zijn afspraken gemaakt die in deze notitie zijn samengevoegd en ter bevestiging en akkoord ondertekend worden door [roepnaam overledene] , [persoon E] en [persoon A] . Bestuur en bewindvoering BV’s • [roepnaam overledene] , [persoon E] en [persoon A] worden gedrieën bestuurders van de BV's zodat als [roepnaam overledene] iets overkomt dit bestuur geruisloos kan worden voortgezet; • [persoon E] / [persoon A] gaan als uitvoerend bestuurders/bewindvoerders de activiteiten in [roepnaam overledene] zijn BV's beheren en waar mogelijk en verantwoord verder afbouwen; (…) Financieel management en administratie • [persoon A] gaat alle administratie en betalingen doen voor zowel facturen BV's als privé conform wet- en regelgeving en draagt zorg voor deugdelijke archivering van alle financiële, fiscale, notariële en juridische stukken; (…) • [persoon A] spreekt [persoon 2] lx per kwartaal om dan de ordners met bankafschriften en bijbehorende facturen over te dragen en door te nemen; • [persoon 2] boekt voortaan de facturen en verzorgt in samenspraak met [persoon A] de diverse belastingaangiften;” 2.8. Op 12 maart 2021 vond een gesprek plaats tussen de heer [persoon B] , [persoon I] (de echtgenoot van [persoon E] ) en [persoon 2] . In een e-mail van dezelfde dag schreef [persoon E] onder meer het volgende aan de dochters: “Vanochtend 2 uur met jullie vader en [persoon 2] gesproken en nog een half uur met [persoon 2] alleen. Ik heb geen zin om elk detail nu op te schrijven, maar uiteindelijk ook voor mij vreselijk irritant dat "Pa" het niet begrijpt. Werkelijk, ik heb alle registers open getrokken, alle voorbeelden op tafel gelegd omtrent zijn gedrag en de gevolgen ervan voor nu en voor de toekomst, dat jullie hem tonnen hebben bespaard, dat zijn geld jullie niet interesseert, dat hij blijft manipuleren, dat hij jullie privacy niet respecteert, van alles doet om aandacht te krijgen .... etc. etc.. Ik ken hem als mijn broekzak, ook al ben ik soms nog steeds verrast, maar in de relationele sfeer is hij niet meer te helpen. (…) Tot slot heb ik met [persoon 2] gesproken om hem toch maar niet volledig aan zijn lot over te laten. [persoon 2] deelde deze mening en neemt zo gauw jullie dit aangeven het stokje over. Voorwaarde van hem is wel dat met mij kan blijven klankborden en zo zijn we dan ook verbleven. De toezegging van [persoon 2] is dat hij in vertrouwen en in de geest van "jullie" de financiële situatie van jullie vader gaat begeleiden en bewaken. Denk dat hij van zijn kant nog wel iets op papier zal zetten. Mijn vertrouwen hierin is groot en door hem af en toe te ondersteunen zal hij ons ontzorgen.” 2.9. [persoon 1] en [persoon 3] waren de bestuurders van de inmiddels failliet verklaarde [bedrijf C] . (hierna: [bedrijf C] ). [bedrijf C] hield zich bezig met het speculeren op de koers van financiële markten. 2.10. De heer [persoon B] heeft met [persoon 1] en [persoon 3] op 27 april 2021 twee overeenkomsten gesloten, te weten: “ “Overeenkomst van geldlening met nummer [naam omschrijving] ” voor een bedrag van € 150.000,00, over te maken op het rekeningnummer van [bedrijf C] ; Op 28 april 2021 heeft de heer [persoon B] drie keer een bedrag van € 50.000,00 overgemaakt op het genoemde rekeningnummer, met omschrijving “lening u/g voor prive”. “ “Overeenkomst van geldlening met nummer [nummer 1] ” voor een bedrag van € 50.000,00, over te maken op het rekeningnummer van [persoon 1] ; Op 28 april 2021 heeft de heer [persoon B] een bedrag van € 50.000,00 overgemaakt op het genoemde rekeningnummer, met omschrijving “lening u/g [nummer 1] ”. In de overeenkomsten is onder meer het volgende opgenomen: “De ondergetekenden: [persoon 1] en de heer [persoon 3] beide gevestigd aan de [adres 1] , [postcode 1] te Moordrecht, hierna te noemen "debiteur". Welke als privé persoon vertegenwoordigd wordt door de heer [persoon 1] , met rijbewijsnummer [nummer 2] en de heer [persoon 3] met rijbewijsnummer [nummer 3] . EN De heer [naam overledene] , wonende te [adres 2] , [postcode 2] Waddinxveen, hierna te noemen "crediteur" Verklaren een overeenkomst van een geldlening met nummer (…) te zijn aangegaan. De hoofdsom bedraagt € (…) en hierna te noemen 'de hoofdsom'. Debiteur verklaart na ontvangst, van de hoofdsom van de geldlening van crediteur, hoofdelijk de hoofdsom verschuldigd te zijn aan de crediteur, zulks te vermeerderen met renten. Crediteur verklaart hierbij aan debiteur bij wijze van geldlening de hoofdsom ter hand te stellen. Debiteur verklaart hierbij van crediteur bij wijze van geldlening het bedrag van de hoofdsom te ontvangen, zijnde € (…). Betaling geschiedt op IBAN nummer: (…) Partijen verklaren deze overeenkomst van geldlening te zijn aangegaan onder de navolgende bepalingen: Art. 1. Duur van de overeenkomst en opzegging. 1.1 Deze overeenkomst wordt voor een onbepaalde overeengekomen. Deze overeenkomst start op de dag dat de hoofdsom op het rekeningnummer van (…) is bijgeschreven. 1.2.Debiteur is hoofdelijk schuldenaar voor alle verplichtingen, welke uit deze overeenkomst voortvloeien, waaronder begrepen de tijdige terugbetaling van de hoofdsom en betaling van renten. 1.3. Crediteur is ten allen tijd bevoegd onverminderd zijn wettelijke rechten op ontbinding en schadevergoeding, de overeenkomst te beëindigen door een schriftelijke opzegging met inachtneming van een termijn van 3 maanden. 1.4. Na beëindiging van de overeenkomst zal de hoofdsom van deze overeenkomst terstond opvorderbaar zijn. 1.4.Na opzegging heeft Debiteur een maximale betalingstermijn van twee weken tot voldoening van de hoofdsom. Art. 2. Rente en betaling. 2.1. Over de hoofdsom zal door de debiteur een rente verschuldigd zijn van 12% per 12 maanden. 2.2. Partijen zijn overeen gekomen dat Crediteur per maand tot uitkering dient over te gaan, zijnde een bedrag van € (…) per maand. Indien tot uitbetaling overgegaan dient te worden, zal dit geschieden in de eerste week van de daarop volgende maand.” 2.11. In de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2021 is acht keer een bedrag van € 375,00 overgemaakt naar [persoon 2] vanaf een Litouwse bankrekening op naam van [bedrijf C] , met in de omschrijving “ [naam omschrijving] ”. 2.12. In een “gespreksverslag: [naam overledene] / [persoon 2] en beleggingen” met datum 7 juli 2021, ondertekend door [persoon 2] en de heer [persoon B] , staat het volgende vermeld: “Belegging: vakantiehuizen en hoe verder [roepnaam overledene] heeft wederom diverse parken bezocht om te beleggen in vakantiehuizen. Groot nadeel blijft dat moeilijk uitgestapt kan worden. [roepnaam overledene] heeft inmiddels € 50.000,- ingelegd in een zeer risicovolle belegging op mijn advies als een soort gokje. Ik ( [persoon 2] ) adviseer [roepnaam overledene] om voorzichtig te zijn om nog meer zo risicovol te beleggen en adviseert [roepnaam overledene] om met de beleggers [persoon 1] en [persoon 3] te gaan praten en zolang niets in te leggen. [roepnaam overledene] wil uitbreiden met € 400.000,- tegen het advies van [persoon 2] . [roepnaam overledene] vindt de maandelijkse bijschrijving van de rente prettig en wil meer rendement maken met zijn geld. [persoon 2] heeft dit vervolgens voor [roepnaam overledene] in gang gezet.” 2.13. Op dezelfde dag heeft de heer [persoon B] met [persoon 1] en [persoon 3] een derde overeenkomst gesloten, met grotendeels dezelfde bepalingen als de overeenkomsten van 27 april 2021, te weten: “Overeenkomst van geldlening met nummer [nummer 1] ” van 7 juli 2021 voor een bedrag van € 200.000,00, over te maken op het rekeningnummer van [bedrijf C] ; Op 8 juli 2021 heeft de heer [persoon B] vier keer een bedrag van € 50.000,00 overgemaakt op het genoemde rekeningnummer, met omschrijving “volgens lening [nummer 1] ”. 2.14. In de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 is vier keer een bedrag van € 500,00 overgemaakt naar [persoon 2] vanaf een Litouwse bankrekening op naam van [bedrijf C] , met in de omschrijving “ [naam omschrijving] ”. 2.15. In een “gespreksverslag: [naam overledene] / [persoon 2] verdere inleg” met datum 19 augustus 2021, ondertekend door [persoon 2] en de heer [persoon B] , staat het volgende vermeld: “Belegging: risico extra belegging bij [persoon 1] en [persoon 3] [roepnaam overledene] is blij met de maandelijkse rendementen en wil nog meer inleggen. Ik ( [persoon 2] ) heb [roepnaam overledene] uitgelegd dat hij inmiddels al € 450.000,- heeft ingelegd in een zeer risicovolle belegging en raadt [roepnaam overledene] af om nog meer in te leggen. [roepnaam overledene] wil geen negatieve rente en wil toch de inleg verhogen. [persoon 2] geeft nogmaals aan dit niet te doen en eerst een afspraak te maken met de beleggers om zich te laten informeren vooral over de risico's. [roepnaam overledene] wil toch doorzetten en nog eens € 700.000,- inleggen. [roepnaam overledene] heeft gevraagd of ik dit verder kan regelen.” 2.16. Op dezelfde dag heeft de heer [persoon B] met [persoon 1] en [persoon 3] een vierde, vijfde en zesde overeenkomst gesloten met grotendeels dezelfde bepalingen als de overeenkomsten van 27 april 2021 en 7 juli 2021, te weten: “ “Overeenkomst van geldlening met nummer 21.P074” van 19 augustus 2021 voor een bedrag van € 100.000,00, over te maken op het rekeningnummer van [persoon 1] ; Op 20 augustus 2021 heeft de heer [persoon B] twee keer een bedrag van € 50.000,00 overgemaakt op het genoemde rekeningnummer, met omschrijving “ [naam omschrijving] ”. “ “Overeenkomst van geldlening met nummer [nummer 4] ” van 19 augustus 2021 voor een bedrag van € 100.000,00, over te maken op het rekeningnummer van [persoon 3] ; Op 20 augustus 2021 heeft de heer [persoon B] twee keer een bedrag van € 50.000,00 overgemaakt op het genoemde rekeningnummer, met omschrijving “ [naam omschrijving] ”. “ “Overeenkomst van geldlening met nummer [naam omschrijving] ” van 19 augustus 2021 voor een bedrag van € 550.000,00, over te maken op het rekeningnummer van [bedrijf C] . Op 20 augustus 2021 heeft de heer [persoon B] elf keer een bedrag van € 50.000,00 overgemaakt op het genoemde rekeningnummer, met omschrijving “ [naam omschrijving] ”. 2.17. In de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 is vier keer een bedrag van € 1.375,00 overgemaakt naar [persoon 2] vanaf een Litouwse bankrekening op naam van [bedrijf C] , met in de omschrijving “ [naam omschrijving] ”. 2.18. In een bericht van een neuroloog van het St. Antonius Ziekenhuis in Woerden van 14 oktober 2021 wordt onder meer het volgende vermeld: “Bovengenoemde patient zag ik op 14-10-21 op onze polikliniek. Reden van verwijzing [waarschijnlijk een tekst van de huisarts; opmerking rechtbank]. Graag uw herbeoordeling ivm toename geheugenklachten en beperkingen in het dagelijks leven. Eea wordt nog steeds gecompliceerd door psychische klachten. Heeft reeds diagnose MCI. (…) Actieve problemen patiënt Diagnose - kortetermijn-geheugenverlies 2017 mild cognitive impairment. DD relatie met stemmingsklachten en rouw. (…)Conclusie Toename cognitieve stoornissen. DD beginnende dementie (geen hetero-anamnese beschikbaar), DD Alzheimer.” 2.19. Op 2 maart 2022 hebben [persoon E] en [persoon 2] elkaar via Whatsapp onder meer de volgende berichten gestuurd: “ [persoon E] : Is wel degelijk dementie vast gesteld [persoon 2] : Oeps. (…) [persoon 2] : De diagnose moet nog gebeuren? [persoon E] : Nee in Utrecht gebeurd, zij hebben de verslagen” 2.20. De heer [persoon B] heeft [persoon A] en andere familieleden begin 2022 ingelicht over het verlies dat hij heeft geleden als gevolg van voornoemde overeenkomsten van 27 april 2021, 7 juli 2021 en 19 augustus 2021. 2.21. [persoon 2] stuurde op 20 april 2022 een e-mail aan [persoon 1] en [persoon 3] , waarin hij onder meer schreef: “Hierbij verzoekt de heer [naam overledene] om de door hem uitgeleende gelden volgens de overeenkomst van geldlening met nummer [nummer 1] en [nummer 4] af te lossen binnen 3 maanden conform Artikel 1.3 van de genoemde overeenkomst”. 2.22. Op 21 april 2022 stuurde [persoon 2] per e-mail aan [persoon E] en [persoon I] het volgende: “Ik heb de volledige boekhouding van [bedrijf C] gekregen. Onderstaande bedragen zijn bij [bedrijf C] binnengekomen en vervolgens doorgestort naar een beleggersrekening bij IG. IG is een handelsplatform voor financiële produkten. Ik heb ook de beleggersrekening ingezien en er zijn forse verliezen geleden, helaas. Het is natuurlijk verschrikkelijk, maar er is niets strafbaar gedaan. Ik heb ook geconstateerd dat bij [bedrijf C] geen gelden zijn weggesluisd dan wel verduisterd. Ik probeer nu de ingelegde gelden bij de heren in privé te onderzoeken. Ik hou jullie op de hoogte over de bevindingen.” 2.23. Op 23 april 2022 is een verklaring opgesteld, waarop een handtekening van de heer [persoon B] is gezet en waarin het volgende is opgenomen: “De heer [persoon B] in privé en als directeur van [bedrijf B] . verklaart, dat de heer [persoon 2] NIMMER aansprakelijk zal worden gesteld door de heer [naam overledene] vanuit privé en vanuit [bedrijf B] . voor de mogelijke verliezen uit uitgeleende gelden aan [bedrijf C] ., de heer K. [persoon 1] en de heer [persoon 3] door de heer [roepnaam overledene] in privé en door [bedrijf B] . De heer [persoon 2] zal zich inspannen om de verliezen zoveel mogelijk te beperken.” 2.24. De heer [persoon B] is op 25 september 2022 op 83-jarige leeftijd overleden. 2.25. Per e-mail van 12 december 2022 liet [persoon 2] aan [persoon B] onder meer het volgende weten: “In augustus is de heer [persoon 3] failliet verklaard en het faillissement van de heer [persoon 1] is aangehouden omdat de heer [persoon 1] in de schuldsanering wil teneinde faillissement te voorkomen. Dit loopt nog. (…) Verder is het inderdaad een dramatisch verhaal en ervaring. Helaas is er niets meer te verhalen, dit is de uitkomst na onderzoek van de curatoren. De curator van de heer [persoon 3] heeft niet eens aan ons gevraagd om de vordering in te dienen.” 2.26. Naar aanleiding van een klacht over schending van de zorgplicht van de bank tegenover de heer [persoon B] liet een adviseur klantenservice MKB van de Rabobank per e-mail van 22 juli 2023 aan [persoon B] onder meer het volgende weten: “Op 28-04-2021 heeft de Rabobank telefonisch contact opgenomen met uw vader ivm betalingen naar Litouwen. Uw vader gaf aan, via zijn accountant, in contact te zijn gekomen met [bedrijf C] . Het geld was voor aankoop van recreatiewoningen in Litouwen bestemd. Volgens uw vader een belegging waar hij zeer weinig voor hoefde te doen. De overboekingen zijn hierop goedgekeurd. In de toekomst zou meer geld overgemaakt gaan worden. Op 25-11-2021 is wederom telefonisch contact opgenomen met uw vader. De aankoop van de recreatiewoningen was niet doorgegaan, het geld werd in overleg met zijn accountant op een depot rekening gestort in Litouwen omdat de rente daar hoger dan in Nederland was en het geld binnen een maand beschikbaar kon zijn. De betalingen zijn allemaal digitale overboekingen geweest waarvoor ingelogd moet zijn in de bankomgeving en waarvan uw vader weet heeft gehad, bleek uit de telefoongesprekken.” 2.27. [persoon B] heeft [persoon 1] en [persoon 2] door middel van een brief van haar advocaat van respectievelijk 3 november 2023 en 8 november 2023 aansprakelijk gesteld voor onder meer het totale bedrag van € 1.150.000,00 dat de heer [persoon B] uit hoofde van voornoemde overeenkomsten van geldlening heeft betaald aan [persoon 1] , [persoon 3] en [bedrijf C] . 2.28. Volgens het faillissementsverslag van 7 november 2023 over [bedrijf C] beraadt de curator zich op vervolgstappen, omdat [persoon 1] volgens de curator onbehoorlijk bestuur kan worden verweten en het daartegen gevoerde verweer volgens de curator niet overtuigend is. 2.29. [persoon 2] wees per e-mail van zijn advocaat van 15 november 2023 alle aansprakelijkheid jegens [persoon B] van de hand. 2.30. [persoon 1] liet per e-mail van zijn advocaat van 17 november 2023 aan [persoon B] weten dat hij niet tot de verzochte betaling zal overgaan. 2.31. [persoon B] c.s. hebben, na daartoe op 21 november 2023 verlof te hebben verkregen, conservatoir beslag gelegd op onroerende zaken in eigendom van [persoon 2] en onder derden. 3. Het geschil in conventie 3.1. [persoon B] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] hoofdelijk veroordeelt om € 1.150.000,00 aan [persoon B] c.s. te betalen, te vermeerderen met de contractuele rente van 12% subsidiair de wettelijke rente vanaf de data van overboeking tot de dag van betaling; Voor recht verklaart dat [persoon 2] aansprakelijk is voor de door [persoon B] c.s. geleden en nog te lijden schade; [persoon 2] veroordeelt om de door [persoon B] c.s. geleden en nog te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente; [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de beslagkosten. 3.2. [persoon 1] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling uitvoerbaar bij voorraad van [persoon B] c.s. in de proceskosten. 3.3. [persoon 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen of niet-ontvankelijkverklaring van [persoon B] c.s. in hun vorderingen, met veroordeling van [persoon B] c.s. in de proceskosten en de nakosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. in reconventie 3.5. [persoon 2] vordert dat de rechtbank bij vonnis de door [persoon B] c.s. ten laste van [persoon 2] gelegde conservatoire beslagen opheft of waardeloos verklaart. 3.6. [persoon B] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering van [persoon 2] , met veroordeling van [persoon 2] in de proceskosten. 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling in conventie Vordering 1 tegen [persoon 3] 4.1. Op grond van artikel 140 lid 3 Rv geldt dit vonnis ook ten aanzien van [persoon 3] als een vonnis op tegenspraak. 4.2. Vordering 1 van [persoon B] tegen [persoon 3] komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, met uitzondering van de gevorderde hoofdelijkheid met [persoon 2] op het punt van de contractuele rente over het verschuldigde bedrag van € 1.150.000,00 (zie ook onder 4.15.1). Behalve op dit punt wordt vordering 1 van [persoon B] tegen [persoon 3] dan ook toegewezen. 4.3. Vordering 1 van [bedrijf B] tegen [persoon 3] wordt afgewezen. [bedrijf B] is geen partij bij de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan vordering 1. Niet is toegelicht waarom zij desondanks aanspraken kan ontlenen aan die overeenkomsten. De stelling dat de geleende geldbedragen door of in opdracht van de heer [persoon B] gedeeltelijk zijn overgeboekt vanaf bankrekeningen van [bedrijf B] is daarvoor onvoldoende. Voor zover [bedrijf B] stelt dat het handelen van [persoon 3] jegens haar een onrechtmatige daad oplevert, is deze stelling onvoldoende onderbouwd. 4.4. De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat op de vorderingen van [persoon 1] tegen [persoon 3] in de vrijwaringsprocedure wordt beslist in een apart (verstek)vonnis. Vordering 1 tegen [persoon 1] 4.5. [persoon B] c.s. spreken [persoon 1] primair aan als hoofdelijk schuldenaar onder de zes overeenkomsten van geldlening en vorderen hem te veroordelen tot (terug)betaling van het in totaal door de heer [persoon B] aan [persoon 1] en [persoon 3] geleende bedrag van € 1.150.000,00. Dit bedrag is door de heer [persoon B] overgemaakt naar de verschillende in de overeenkomsten genoemde bankrekeningen en is, na opzegging van de overeenkomsten conform artikel 1.3 van deze overeenkomsten, tot op heden niet terugbetaald. Daarnaast vorderen [persoon B] c.s. de contractuele rente van 12% per 12 maanden over de hoofdsom op grond van artikel 2 van de overeenkomsten. 4.6. Volgens [persoon 1] is geen sprake van geldleningsovereenkomsten, maar van beleggingsovereenkomsten waaruit geen verplichtingen meer voortvloeien voor [persoon 1] , omdat de inleg simpelweg verloren is gegaan. Partijen hebben voor de titel ‘geldlening’ gekozen om het vergunningsvereiste en toezicht vanuit de Autoriteit Financiële Markten te omzeilen. Het is echter altijd de bedoeling geweest van partijen om het vermogen van de heer [persoon B] te beleggen. Dit blijkt uit de gedragingen van partijen, aldus [persoon 1] . Zo is het geld van de heer [persoon B] overgemaakt naar een IG rekening van [bedrijf C] met als doel het te beleggen. Ook ontving de heer [persoon B] periodieke beleggings-/ rendementsoverzichten van [bedrijf C] waarin het woord ‘rendement’ wordt gebruikt, terwijl de tekst van de overeenkomsten het woord ‘rente’ noemt. Ook de door [persoon B] c.s. geciteerde opmerking van de heer [persoon B] dat ‘al zijn geld kwijt is’ wijst erop dat het zijn bedoeling is geweest om geld te beleggen. Immers, indien sprake was geweest van een geldlening, zou hij zijn geld gewoon kunnen opeisen. Daarnaast onderbouwt het door de erven van de heer [persoon B] ingestelde onderzoek naar de gang van zaken bij [bedrijf C] volgens [persoon 1] zijn stelling dat het van meet af aan de bedoeling van partijen was om het vermogen van de heer [persoon B] risicodragend te beleggen. Een dergelijk onderzoek zou bij een geldlening niet nodig zijn geweest. [persoon 1] voert verder aan dat hij op grond van de overeenkomsten niet hoofdelijk aansprakelijk kan zijn. Het uitgangspunt van de wet is immers dat indien schuldenaren voor dezelfde schuld verbonden zijn, zij voor gelijke delen aansprakelijk zijn, tenzij uit de wet, gewoonte of rechtshandeling volgt dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn (artikel 6:6 BW). Indien geoordeeld wordt dat hij aansprakelijk is, is hij dat voor ten hoogste de helft van de vordering, aldus [persoon 1] . 4.7. De rechtbank gaat aan het betoog van [persoon 1] voorbij. Zij overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 7:129 lid 1 BW is de overeenkomst van geldlening de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Uit de tekst van de overeenkomsten volgt evident dat sprake is van een geldlening. Op basis van wat [persoon 1] heeft aangevoerd kan niet worden geoordeeld dat de overeenkomsten anders moeten worden uitgelegd. Dat [persoon 1] en [persoon 3] het geld van de heer [persoon B] via [bedrijf C] hebben belegd, betekent niet zonder meer dat sprake is van een beleggingsovereenkomst. Voor zover de heer [persoon B] hier al van op de hoogte was, wat door [persoon B] c.s. wordt betwist, bepaalt dat niet hoe de overeenkomsten moeten worden uitgelegd. Immers, ook geleend geld kan belegd worden. Partijen hebben in artikel 2.2 van de overeenkomsten een vaste uitkering per maand afgesproken en – zoals ook uit de door [persoon 1] overgelegde overzichten blijkt – over een aantal maanden zijn die bedragen ook aan de heer [persoon B] overgemaakt. Dat wijst op nakoming van de geldleningsovereenkomst. Rente valt in het algemeen onder het woord ‘rendement’, zodat aan de vermelding van ‘rendement’ in plaats van ‘rente’ niet de door [persoon 1] gewenste conclusie kan worden verbonden. In het geval van een beleggingsovereenkomst zou een variabel en in ieder geval niet onvoorwaardelijk in het vooruitzicht gesteld rendement, dat mede afhankelijk is van het beleggingsresultaat, meer voor de hand liggen. Er is in de overeenkomsten echter geen enkel voorbehoud gemaakt over het mogelijke verlies van de inleg. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat sprake is van overeenkomsten van geldlening. De opmerking van de heer [persoon B] over het verlies van zijn geld en het door de erven ingestelde onderzoek naar [bedrijf C] maken dit niet anders. Uitgeleend geld dat niet wordt terugbetaald is net zo goed ‘kwijt’ als belegd geldt dat niet wordt terugbetaald, dus de opmerking van de heer [persoon B] wijst niet noodzakelijkerwijs op een belegging. Een door de erven in 2022 ingesteld onderzoek zegt niets over de bedoeling van partijen bij het sluiten van de overeenkomsten in 2021. Het onderzoek zag onder meer op de vragen hoeveel geld er weg was en hoe dat heeft kunnen gebeuren. Dergelijk onderzoek kan net zo goed aan de orde zijn bij niet terugbetaalde geldleningen als bij beleggingen. 4.7.1. De hoofdelijke verbondenheid van [persoon 1] en [persoon 3] vloeit voort uit de overeenkomsten, dus uit rechtshandelingen zoals bedoeld in artikel 6:6 BW. Partijen zijn overeengekomen dat de debiteur (lees: [persoon 1] en [persoon 3] ) na ontvangst van de hoofdsom van de geldlening van de crediteur (lees: de heer [persoon B] ) hoofdelijk de hoofdsom verschuldigd zijn aan de crediteur, te vermeerderen met renten (zie onder 2.9 van dit vonnis). Anders dan [persoon 1] stelt, is hij wat betreft vordering 1 ook hoofdelijk verbonden met [persoon 2] , behalve op het punt van de gevorderde contractuele rente (zie onder 4.15.1). Deze verbondenheid volgt uit 6:102 BW en het oordeel in dit vonnis dat [persoon 2] jegens [persoon B] wat betreft de geleende geldbedragen dezelfde prestatie is verschuldigd als [persoon 1] , namelijk betaling van € 1.150.000,00 (zie onder 4.10 en verder). 4.7.2. Dat [persoon 1] daarnaast de contractuele rente van 12% per 12 maanden over de hoofdsommen is verschuldigd, volgt uit artikel 2.1 van de overeenkomsten en is niet door [persoon 1] betwist. Ook is tussen partijen niet in geschil dat aan de heer [persoon B] een zeker bedrag aan rente is betaald uit hoofde van artikel 2.2 van de overeenkomsten. Conclusie wat betreft vordering 1 tegen [persoon 1] 4.8. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank de vordering van [persoon B] om [persoon 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.150.000,00 toe, vermeerderd met de contractuele rente van 12% per 12 maanden, verschuldigd over € 200.000,00 vanaf 27 april 2021, over € 200.000,00 vanaf 7 juli 2021 en over € 750.000,00 vanaf 19 augustus 2021, steeds tot de dag van volledige betaling, verminderd met de al betaalde rente. 4.9. Vordering 1 van [bedrijf B] tegen [persoon 1] wordt afgewezen. [bedrijf B] is geen partij bij de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan vordering 1. Niet is toegelicht waarom zij desondanks aanspraken kan ontlenen aan die overeenkomsten. De stelling dat de geleende geldbedragen door of in opdracht van de heer [persoon B] gedeeltelijk zijn overgeboekt vanaf bankrekeningen van [bedrijf B] is daarvoor onvoldoende. Voor zover [bedrijf B] stelt dat het handelen van [persoon 1] jegens haar een onrechtmatige daad oplevert, is deze stelling onvoldoende onderbouwd. De vorderingen tegen [persoon 2] 4.10. [persoon B] c.s. spreken [persoon 2] primair aan op grond van een toerekenbare tekortkoming onder de overeenkomst met de dochters (zie onder 2.7). Deze overeenkomst heeft volgens [persoon B] c.s. betrekking op de gemaakte afspraken in april 2021 bij het overdragen van administratieve taken aan [persoon 2] . Deze afspraken hielden onder meer in dat [persoon 2] de heer [persoon B] zou behoeden voor oplichters/cowboys, dat hij goed zou zorgen voor (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.