vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/671936 / HA ZA 24-52 Vonnis van 18 december 2024 (bij vervroeging) in de zaak van 1 [persoon A] , 2. [persoon B], beiden wonend in Haarlem, eisers in conventie, verweerders in voorwaardelijke reconventie, advocaat mr. M.W. Kok te Tegelen, tegen 1 [persoon C] , wonend in Rotterdam, gedaagde in conventie, niet verschenen, en 2 [persoon D] , wonend in Schiedam, gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie, advocaat mr. M.Z.D. [persoon C] te Den Haag. Partijen zullen hierna [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] worden genoemd. [persoon A] en [persoon B] worden samen [persoon A] c.s. genoemd. [persoon C] en [persoon D] worden samen [persoon C] c.s. genoemd. 1De verdere procedure 1.1. Na het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 21 augustus 2024 hebben partijen de volgende processtukken gewisseld: de akte van [persoon A] c.s. van 4 september 2024; de akte na tussenvonnis van [persoon D] van 2 oktober 2024, met aanvullende producties 12 tot en met 17; de antwoord akte na tussenvonnis van [persoon A] c.s. van 30 oktober 2024, met aanvullende productie 18. 1.2. Ten slotte is wederom vonnis bepaald. 2. Korte samenvatting van de zaak en de procedure tot nu toe 2.1. [persoon D] dan wel [persoon C] c.s. heeft van [persoon A] c.s. een in Duitsland gelegen onroerende zaak (hierna: de onroerende zaak) gekocht voor € 35.000,-. In deze procedure vordert [persoon A] c.s. betaling van die koopsom en schadevergoeding (met rente en kosten). [persoon D] voert allereerst als verweer dat zij de koopsom al heeft betaald en vordert in voorwaardelijke reconventie, indien de vorderingen van [persoon A] c.s. worden afgewezen, een verklaring voor recht dat zij de koopsom heeft betaald en een bevel aan [persoon A] c.s. om medewerking te verlenen aan de levering van de onroerende zaak. 2.2. In het tussenvonnis is de rechtbank tot het voorlopig oordeel gekomen dat [persoon C] geen koper is en dat de vorderingen daarom ten opzichte van hem niet toewijsbaar zijn. [persoon A] c.s. mocht zich hierover nog bij akte uitlaten, waarop [persoon D] bij akte mocht reageren (zie r.o. 4.7). Daarnaast heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat, nu de koopsom verschuldigd is, de vordering tot betaling van die koopsom in beginsel moet worden toegewezen, tenzij één van de verweren van [persoon D] slaagt. In het kader van haar eerste verweer heeft de rechtbank overwogen dat [persoon D] weliswaar € 60.000,- aan een tussenpersoon, [persoon E] , heeft betaald, maar dat deze betaling ook zag op de koopsommen van twee andere onroerende zaken in Duitsland, die [persoon D] van een andere verkoper, [persoon F] , had gekocht. De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat aan de hand van een analoge toepassing van artikel 6:43 lid 2 BW de betaalde € 60.000,- moet worden toegerekend op de verschillende koopsommen. [persoon D] is in de gelegenheid gesteld de daarvoor benodigde informatie, onderbouwd met stukken, bij akte te overleggen en aan de hand daarvan uit te leggen of en zo ja welk betaald bedrag volgens haar op grond van artikel 6:43 lid 2 BW op (in het bijzonder) de koopsom van de onroerende zaak moet worden toegerekend. [persoon A] c.s. mocht daarop bij akte reageren (zie r.o. 4.16). 3De verdere beoordeling in conventie [persoon C] is geen koper 3.1. [persoon A] c.s. volhardt ook na het tussenvonnis in het standpunt dat ook [persoon C] koper van de onroerende zaak is. [persoon A] c.s. verwijst in dat kader naar pagina 1 van de notariële akte, waar wordt beschreven dat [persoon C] zowel in eigen persoon als in de hoedanigheid van gevolmachtigde van zijn echtgenote [persoon D] optreedt. Als [persoon C] alleen als gevolmachtigde zou handelen, zou hij niet zoals vermeld in eigen naam handelen, aldus [persoon A] c.s. Daarnaast voert [persoon A] c.s. aan dat in de notariële akte het mannelijke woord “der Käufer” wordt gebruikt en dat notariële instemming van [persoon C] ex artikel 1:88 BW niet aan de orde is. [persoon D] betwist dat [persoon C] koper is en voert daartoe het volgende aan. In de notariële aktes en in de voorovereenkomst is uitsluitend [persoon D] als koper vermeld. In het kadastrale uittreksel van de inschrijving van de koopovereenkomst in het Grundbuch (de Eintragungsbekanntmachung) staat [persoon D] als koper c.q. gerechtigde. Ook uit overige stukken, zoals de brief van de notaris van 3 mei 2023 die uitdrukkelijk is gericht aan [persoon D] , blijkt dat uitsluitend [persoon D] als koper moet worden aangemerkt. 3.2. De rechtbank blijft bij haar oordeel dat [persoon C] geen koper is van de onroerende zaak. De notariële akte van 13 augustus 2021 is daarover duidelijk: op pagina 3 wordt (alleen) [persoon D] als “Käufer” aangemerkt, [persoon C] niet. Dat op pagina 1, waar slechts wordt vermeld wie bij de notaris zijn verschenen, staat dat [persoon C] ook in eigen naam handelt, doet daar niet aan af. Dat maakt hem geen koper. Het feit dat in de overgelegde Eintragungsbekanntmachung “Auflassungsvormerkung für [persoon D] ” staat, vormt bovendien een bevestiging dat alleen [persoon D] koper is. [persoon A] c.s. kan [persoon C] dus niet aanspreken tot betaling van de koopsom en schadevergoeding in dat kader. Verandering/vermeerdering van eis of gronden is uitgesloten 3.3. Bij akte van 4 september 2024 stelt [persoon A] c.s. – naar de rechtbank begrijpt – dat als [persoon C] geen koper is, [persoon A] c.s. een vordering op hem heeft op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. [persoon A] c.s. voert ongerechtvaardigde verrijking als subsidiaire grondslag voor de vordering tot betaling van € 35.000,- op [persoon C] aan. 3.4. [persoon A] c.s. heeft bij dagvaarding, onder a van het petitum, betaling van de koopsom van € 35.000,- gevorderd. Blijkens de dagvaarding was de grondslag daarvan nakoming van de koopovereenkomst. [persoon A] c.s. doet nu voor het eerst in deze procedure een beroep op ongerechtvaardigde verrijking (en onverschuldigde betaling). Het door [persoon A] c.s. gestelde betreft dus een verandering/vermeerdering van eis – [persoon A] c.s. lijkt nu een schadevergoeding van € 35.000,- te willen vorderen – of in ieder geval van de grondslag van die eis. Krachtens artikel 130 lid 3 Rv is een verandering of vermeerdering van eis (daaronder valt ook: wijziging van gronden) tegen een niet in het geding verschenen partij uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan deze partij kenbaar heeft gemaakt. [persoon C] is in deze procedure niet verschenen. Gesteld noch gebleken is dat [persoon A] c.s. genoemde ‘eiswijziging’ op voormelde wijze aan [persoon C] kenbaar heeft gemaakt. Die eiswijziging wordt dus buiten beschouwing gelaten. De vorderingen ten aanzien van [persoon C] worden afgewezen 3.5. Gelet op het voorgaande worden de vorderingen ten aanzien van [persoon C] afgewezen. Toerekening van € 15.555,56 op de verbintenis tot betaling van de koopsom van de onroerende zaak, het eerste verweer slaagt slechts gedeeltelijk 3.6. [persoon D] heeft bij akte van 2 oktober 2024 een notariële akte van 19 augustus 2021 overgelegd waaruit blijkt dat [persoon D] de onroerende zaken aan de Schillerstrasse en de Plauensche Strasse van [persoon F] heeft gekocht voor een koopsom van in totaal € 100.000,-. 3.7. Ter zake van de toerekening van het betaalde bedrag van € 60.000,- op de koopsommen stelt [persoon D] dat het volledige bedrag conform artikel 6:43 lid 2 BW moet worden toegerekend op de koopsom van de van [persoon A] c.s. gekochte onroerende zaak. Zij voert daartoe primair aan dat dit de enige opeisbare verbintenis is, omdat [persoon F] de koopsom niet kan opeisen nu de onroerende zaken aan de Schillerstrasse en Plauensche Strasse vanwege een daarop door de gemeente gelegd beslag (nog) niet kunnen worden geleverd en omdat [persoon A] c.s. als enige nu in rechte nakoming vordert. Subsidiair voert [persoon D] aan dat de koopsom van de van [persoon A] c.s. gekochte onroerende zaak de meest bezwarende verbintenis is, omdat [persoon A] c.s. in rechte nakoming vordert en die onroerende zaak kan worden geleverd en (die van) [persoon F] niet en [persoon F] om die reden ook geen nakoming kan eisen. [persoon D] heeft ter onderbouwing een brief van de notaris van 3 mei 2023 met bijlagen en een brief van de gemeente van 12 oktober 2021 overgelegd. [persoon A] c.s. heeft in de laatste akte niet inhoudelijk op deze stellingen gereageerd. 3.8. Vast staat dat de koopsom van de van [persoon A] c.s. gekochte onroerende zaak van € 35.000,- opeisbaar is. [persoon D] stelt weliswaar dat de koopsom van de van [persoon F] gekochte onroerende zaken van € 100.000,- niet opeisbaar is, maar zij heeft die stelling onvoldoende onderbouwd. Uit het door [persoon D] gestelde en de door haar overgelegde brieven van de notaris en gemeente kan dit niet worden afgeleid. Dat alleen [persoon A] c.s. nu in rechte nakoming vordert, wil niet zeggen dat de koopsom van de van [persoon F] gekochte onroerende zaken niet opeisbaar is. Dat [persoon A] c.s. in rechte nakoming vordert en [persoon F] (nog) niet en dat de onroerende zaak aan de Gartenstrasse wel kan worden geleverd en die aan de Schillerstrasse en Plauensche Strasse (mogelijk) momenteel niet, zijn ook geen omstandigheden die maken dat de koopsom van € 35.000,- de meest bezwarende verbintenis is. Dat zou anders zijn als bijvoorbeeld een hogere verschuldigde rente verschuldigd zou zijn, maar gesteld noch gebleken is dat dit het geval is. Door [persoon D] is daarom onvoldoende onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat de koopsom van € 35.000,- bezwarender is dan die van € 100.000,- of andersom. Verder is niet gesteld of gebleken dat de ene verbintenis ouder is dan de andere. Dat betekent dat de toerekening op grond van een analoge toepassing van artikel 6:43 lid 2 BW moet geschieden naar evenredigheid. Dit betekent concreet dat van de € 60.000,- die [persoon D] heeft betaald, het bedrag van € 15.555,56 (dat is: het bedrag van de koopsom van de onroerende zaak (€ 35.000,-) gedeeld door het totaalbedrag van de koopsommen (€ 135.000,-), vermenigvuldigd met het betaalde bedrag (€ 60.000,-) op de koopsom van de van [persoon A] c.s. gekochte onroerende zaak wordt toegerekend. 3.9. Er staat dus nog (€ 35.000,- minus € 15.555,56,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.