Rechtbank Rotterdam Team insolventie Rekestnummer: [nummer] BESCHIKKING op het verzoek van: 1 [verzoeker 1] wonende te [woonplaats 1] , verzoeker sub 1, en, 2 [verzoeker 2] wonende te [woonplaats 2] , verzoeker sub 2, hierna tezamen te noemen: verzoekers, advocaat: mr. M.B. van Voorthuizen, strekkende tot faillietverklaring van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster] kantoorhoudende te [adres] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster, advocaat: mr. M.W. Huijzer. 1De procedure De rechtbank heeft de behandeling van het op 25 juni 2024 ingekomen verzoekschrift bepaald op 16 juli 2024. Ter zitting van 16 juli 2024 zijn verschenen en gehoord: mr. M.B. van Voorthuizen, advocaat van verzoekers; mr. M.W. Huijzer, advocaat van verweerster. Verzoekers hebben op de zitting van 16 juli 2024 aanvullende stukken overgelegd. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag. 2Standpunten Standpunt verzoekers Verzoekers verzoeken de rechtbank het faillissement van verweerster uit te spreken en verweerster te veroordelen in de kosten, omdat zij (opeisbare) vorderingen op verweerster hebben die niet worden betaald, sprake is van pluraliteit van schuldeisers (waarbij hun vorderingen als elkaars steunvorderingen hebben te gelden en er ook nog andere schuldeisers zijn) en verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Verzoekers hebben ter toelichting hierop het navolgende (samengevat) gesteld. Verzoeker sub 1 is op 3 april 2018 in dienst getreden bij verweerster in de functie van glaszetter. Verzoeker sub 1 heeft over de periode december 2023 tot en met 15 januari 2024 geen loon ontvangen en is daarom een loonvorderingsprocedure gestart. Verweerster is bij vonnis van 24 januari 2024 veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon. Daarnaast is verweerster bij vonnis van 2 april 2024 veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, het vakantiegeld en de nog openstaande vakantiedagen. In totaal heeft verzoeker sub 1 van verweerster een bedrag van € 27.636,52 bruto, exclusief rente en kosten, opeisbaar te vorderen. Verzoeker sub 2 is op 14 april 2014 in dienst getreden bij verweerster in de functie van projectleider. Verzoeker sub 2 heeft over de periode april 2024 tot en met 26 mei 2024 (datum van uitdiensttreding in verband met het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd) geen loon ontvangen. In totaal heeft verzoeker sub 2 van verweerster een bedrag van € 21.064,99 bruto, exclusief rente en kosten, te vorderen. Verweerster laat ook nog andere schuldeisers onbetaald. [naam] , ook een werknemer van verweerster, heeft nog een bedrag van € 6.887,61 bruto, exclusief rente en kosten, te vorderen en een aannemer heeft nog een bedrag van ca. € 1.900,00 te vorderen. Standpunt verweerster Verweerster voert verweer tegen de vorderingsrechten van verzoekers en betwist dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Verweerster heeft ter toelichting hierop het navolgende (samengevat) gesteld. Uit de arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties van verzoeker sub 1 blijkt dat verzoeker sub 1 niet bij verweerster, maar bij [bedrijf 1] in dienst is getreden en dat zij ook het loon betaalt. Verweerster is dan ook niet de werkgever van verzoeker sub 1. Tegen de verstekvonnissen gaat verweerster nog in verzet. Verzet is nog mogelijk omdat verweerster pas door de faillissementsaanvraag op de hoogte is geraakt van de verstekvonnissen. Ook tijdens de verzetprocedure zal aangevoerd worden dat verweerster niet de werkgever is van verzoeker sub 1. Verweerster is ook niet de werkgever van verzoeker sub 2. Verzoeker sub 2 heeft weliswaar in 2014 een arbeidsovereenkomst gesloten met [verweerster] , maar door de overgang van onderneming op 22 november 2016 is verzoeker sub 2 van rechtswege in dienst getreden bij [bedrijf 2] en betaalt [bedrijf 2] sindsdien ook zijn loon. Verzoeker sub 2 heeft daarover in 2017 een brief ontvangen. Bij een overgang van onderneming hoeft geen nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten te worden. De werknemers gaan van rechtswege mee over op de verkrijger. Dat blijkt ook uit artikel 7:663 van het Burgerlijk Wetboek. Ook heeft verzoeker sub 2 niet eerder geklaagd over de brief waarin staat dat hij mee is over gegaan en tegen de salarisbetalingen vanuit [bedrijf 2] . Nader standpunt verzoekers Er is geen sprake van een overgang van onderneming. Dat verweerster is gaan schuiven met werknemers binnen de groep betekent nog niet dat er sprake is van een overgang van onderneming. Verzoekers zijn altijd hetzelfde werk blijven doen op hetzelfde adres en met dezelfde personen. Er is sprake van een schijnconstructie. Daarnaast heeft verzoeker sub 1 hier ook geen brief over ontvangen. 3De beoordeling Bevoegdheid De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt. Beoordelingskader Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is. ‘Summierlijk blijken’ betekent dat de vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.