Rechtbank Rotterdam. Team straf 2 Parketnummers: 10-044077-22 en 10-254729-22 (ttz. gevoegd) Datum uitspraak: 9 oktober 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] , raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 25 september
(278)was geplaatst. Op verschillende tijdstippen tussen 2 maart 2022 om 23:34 uur en 3 maart 2022 om 04:34 uur zijn met het persoonlijke ECT-account van de verdachte handelingen verricht ten aanzien van de hiervoor genoemde drie containers (de bron-, switch- en Trojaanse container). Zo zijn met dat account de containers en de machines die de containers verplaatsen meerdere keren bevraagd en bekeken en zijn er meerdere handelingen verricht om de containers te verplaatsen, waardoor zij dicht bij elkaar in de buurt kwamen te staan. In totaal zijn in voornoemde periode met het account van de verdachte bevragingen en meer dan 48 handelingen verricht ten aanzien van de betreffende containers. Niet ter discussie staat dat de betreffende handelingen zijn verricht met het ECT-account van de verdachte en dat degene die deze handelingen heeft verricht dit kennelijk heeft gedaan om het voor anderen mogelijk te maken handelingen te verrichten die gericht zijn op het verder in Nederland brengen van de ingevoerde cocaïne. Betrokkenheid van de verdachte De vraag die voorligt, is of het de verdachte is geweest die de handelingen ten aanzien van de containers via zijn persoonlijke ECT-account heeft verricht. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en motiveert dit als volgt. De verdachte was, zoals gezegd, werkzaam bij ECT als medewerker planning en aansturing. Hij had in de nacht van 2 op 3 maart 2022 dienst en was werkzaam vanaf werkplek 3 (waterzijde). Zijn dienst ving aan om 23.00 uur. Uit de door ECT verstrekte gegevens aangaande de verrichte handelingen met de containers alsmede uit het onderzoek naar het persoonlijke ECT-account van de verdachte volgt dat vanaf 2 maart 2022 om 23:17 uur tot en met 3 maart 2022 om 07:10 uur het ECT-account van de verdachte was ingelogd op de werkplek ‘ [accountnaam 1] ’. Deze werkplek komt overeen met de werkplek waar de verdachte de nacht van 2 op 3 maart 2022 heeft gewerkt. Aan deze inlog werd het nummer “ [accountnaam 2] ” gekoppeld en dit nummer bleef de gehele nachtdienst van de verdachte terugkomen bij elke opdracht die werd gegeven met het account van de verdachte. Bij elke nieuwe inlog zou voornoemd VPD nummer zijn veranderd. In de nacht van 2 op 3 maart 2022 veranderde het nummer echter niet, wat inhoudt dat er voor de betrokken handelingen geen tweede inlog is geweest met het account van de verdachte. Gelet op het voorgaande en de verklaring van de verdachte dat hij bij aanvang van zijn dienst op zijn werkplek heeft ingelogd op zijn ECT-account, concludeert de rechtbank dat het de verdachte is geweest die de handelingen ten aanzien van de betrokken bron- switch- en Trojaanse container heeft verricht. Een tweede inlog heeft immers niet plaatsgevonden. Dat een andere werknemer op de werkplek van de verdachte de desbetreffende handelingen heeft verricht, op de momenten dat de verdachte van zijn werkplek was, wordt weersproken door de bewijsmiddelen. De handelingen waar het om gaat hebben gedurende de hele nacht plaatsgevonden en niet – zoals de verdediging stelt – in drie op zichzelf staande tijdsblokken. Dit betekent dat de verdachte, in het door de verdediging geschetste scenario, nagenoeg de gehele nachtdienst van zijn werkplek moet zijn geweest. Uit de verklaringen van de collega’s van de verdachte, die met hem die nacht in dezelfde werkruimte waren, volgt dat daarvan geen sprake is geweest. De verdachte heeft zelf gedurende de nacht achter zijn computer gezeten en is hoogstens weg geweest voor een kop koffie of toiletbezoek. Dat een andere medewerker het account van de verdachte zou hebben ‘overgenomen’, zonder een tweede inlog, kan niet zonder dat de verdachte dit op zijn werkplek zou hebben opgemerkt en dat is niet gebleken. Medeplegen Door het, via het geautomatiseerde systeem van ECT, volgen en bij elkaar in de buurt brengen van de bron-, switch- en Trojaanse container en het onttrekken van de broncontainer aan douanecontrole, heeft de verdachte een wezenlijke en cruciale rol gehad bij het verder invoeren van de cocaïne door middel van de ‘switch-methode’. Door de containers in hetzelfde containerstack te plaatsen was het immers mogelijk voor de uithalers de cocaïne van de broncontainer naar de switchcontainer te verplaatsen. Daarbij moet de verdachte gelet op de modus operandi nauw en bewust hebben samengewerkt met een ander of anderen, zoals een persoon of personen die de cocaïne naar Nederland hebben laten vervoeren. Opzet Met betrekking tot het verweer dat de verdachte geen opzet had op de invoer van cocaïne, dat hij niet wist of kon weten dat het om cocaïne ging, wordt het volgende opgemerkt. De verdachte heeft de containers waar het in deze zaak om gaat in de gaten gehouden en ervoor gezorgd dat deze bij elkaar werden geplaatst. Dit is geen gebruikelijke gang van zaken en kan geen ander doel hebben gehad dan dat de broncontainer niet gecontroleerd zou worden en dat illegale goederen uit die broncontainer via de switchcontainer onopgemerkt van het haventerrein naar elders zouden kunnen worden gebracht. De verdachte heeft hieraan bewust meegewerkt. De broncontainer was afkomstig uit Ecuador, Zuid Amerika. Het is een feit van algemene bekendheid dat de Rotterdamse haven een plek is waar op grote schaal via containers uit Zuid-Amerika cocaïne wordt binnengebracht. De verdachte werkte al geruime tijd bij ECT en dat bedrijf en zijn medewerkers zijn bij uitstek bekend met het risico dat via containers cocaïne wordt ingevoerd in de Rotterdamse haven. Er was dus een aanmerkelijke kans dat de illegale goederen die vanuit de containers vanaf het haventerrein moesten worden gebracht cocaïne betrof. De verdachte moet dit hebben geweten en heeft door niettemin te handelen zoals hij heeft gedaan die kans welbewust aanvaard. Er is dus minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet De gevoerde verweren worden verworpen. 4.3 Bewijswaardering 10-254729-22 Standpunt verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte ook van dit tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken. Dit feit ziet op geldbedragen die de verdachte zou hebben aangenomen of gevraagd voor zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde invoer van cocaïne. Nog daargelaten dat de verdachte ontkent bij die invoer betrokken te zijn geweest, is er geen enkel bewijs dat hij daarvoor geld heeft gekregen. Beoordeling Zoals hiervoor is vastgesteld, is de verdachte in de nacht van 2 op 3 maart 2022 in zijn functie van medewerker planning en aansturing bij ECT betrokken geweest bij de invoer van cocaïne in containers via de terminal van ECT. Het ging daarbij om een hoeveelheid van ruim 1434 kilo. De ervaring leert dat in de havens werkzame personen die behulpzaam zijn bij de invoer van dergelijke hoeveelheden cocaïne via de haven daar in de regel (grote) contante geldbedragen voor krijgen. Hoewel het onderzoek geen direct bewijs heeft opgeleverd voor giften die de verdachte in ruil voor zijn hiervoor vastgestelde betrokkenheid bij de invoer van de cocaïne zou hebben ontvangen is niet aannemelijk dat de verdachte dit ‘voor niets’ heeft gedaan. Daar komt bij dat uit het onderzoek naar zijn inkomsten en uitgaven in de periode van 19 november 2015 tot en met 3 maart 2022, in het kader van de ontnemingsprocedure, blijkt dat de verdachte beschikte over een aanzienlijk, niet uit legale inkomsten verklaarbaar, geldbedrag. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte giften in de vorm van geld heeft aangenomen voor de illegale handelingen die hij heeft verricht met betrekking tot de containers die bij de (verdere) invoer van de cocaïne zijn gebruikt. Niet weersproken is dat de verdachte die giften heeft verzwegen tegenover zijn (toenmalige) werkgever ECT. Het andersluidende verweer wordt verworpen. 4.4 Bewijsmotivering en bewezenverklaring In bijlage II is de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de voor het bewijs redengevende inhoud van wat hiervoor onder 4.2.2 en 4.3.2 is opgemerkt, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: (parketnummer 10-044077-22 – feit 1 primair)
- hij op 3 maart 2022 te Maasvlakte, Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1434,10 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; (parketnummer 10-254729-22) hij in de periode van 1 november 2021 tot en met 3 maart 2022 te Rotterdam of Rozenburg anders dan als ambtenaar, te weten als medewerker Planning & Aansturing, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Hutchison Port ECT Delta Terminals, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaaneen gift te weten een hoeveelheid geld, heeft aangenomen, terwijl hij, de verdachte, dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever . Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: (parketnummer 10-044077-22 – feit 1 primair): medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. (parketnummer 10-254729-22): anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf Algemeen De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Feiten De verdachte is ongeveer tweeënhalf jaar geleden betrokken geweest bij de (verdere) invoer van een zeer grote hoeveelheid, namelijk 1.434,10 kilogram, cocaïne. De verdachte was destijds werkzaam als medewerker aansturing en planning bij ECT in de haven van Rotterdam. Zijn betrokkenheid bij de (verdere) invoer van de cocaïne bestond hierin dat hij via de computersystemen van ECT opdrachten heeft gegeven om de betrokken containers bij elkaar in de buurt te brengen en de container met daarin de cocaïne aan controle te onttrekken. Dit soort opdrachten kan alleen door medewerkers van ECT worden gegeven. De verdachte was dus een belangrijke en onmisbare schakel om dit te bewerkstelligen en hij heeft zijn positie daarvoor misbruikt. Voor zijn betrokkenheid bij deze kwestie heeft hij geld ontvangen en dit verzwegen tegenover zijn werkgever. Door zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel. Harddrugs vormen een groot gevaar voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs gaat bovendien gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweldscriminaliteit. Dit alles veroorzaakt ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Met zijn handelen heeft de verdachte daarnaast misbruik gemaakt van het door zijn toenmalige werkgever in hem gestelde vertrouwen en ook schade toegebracht aan het aanzien van zijn collega’s. De verdachte heeft geen inzicht getoond in de kwalijkheid van zijn handelen en geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Persoon verdachte Strafblad Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 augustus 2024 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld soortgelijke ernstige Opiumwetdelicten. Wel is door de verdachte in 2016 een aanzienlijke transactie betaald voor een overtreding van de Opiumwet die te maken had met het bezit van een hennepkwekerij. Na de schorsing van de voorlopige hechtenis in september 2022 heeft de verdachte, voor zover bekend, geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. Rapportage Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 augustus
- Dit rapport houdt kort samengevat het volgende in. De verdachte lijkt zijn leven op praktisch vlak goed op orde te hebben. Hij heeft een dochter waar hij co-ouderschap over heeft, woont in een koopwoning, er zijn geen schulden, er is geen sprake van middelenproblematiek en voor zijn emotionele stabiliteit heeft hij zelfstandig hulp gezocht. Dit zijn beschermende factoren. Verklaring verdachte op zitting De verdachte is ontslagen door ECT en heeft sinds november 2023 een andere baan elders gevonden. Hij heeft inmiddels ook een nieuwe vriendin die twee kinderen heeft en met wie hij in gezinsverband samenwoont. Straf Gelet op de forse hoeveelheid cocaïne waar het in deze zaak om gaat en het misbruik dat de verdachte van zijn functie als havenmedewerker heeft gemaakt, is een langdurige gevangenisstraf onontkoombaar. Dit is een passende reactie op de ernstige strafbare feiten waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt. Die straf wordt niet alleen opgelegd als vergelding en om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw op het verkeerde pad zal begeven, maar wordt ook opgelegd uit generaal preventief oogpunt, om anderen die in de haven werkzaam zijn af te schrikken om zich met dit soort activiteiten bezig te houden. Er zal aan de verdachte een lagere gevangenisstraf worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. In strafmatigende zin houdt de rechtbank, meer dan de officier van justitie, rekening met het feit dat de delicten meer dan 2,5 jaar geleden zijn gepleegd, dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte al ongeveer twee jaar loopt en de verdachte in die periode zijn leven weer op orde lijkt te hebben gebracht en geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Tevens wordt er rekening mee gehouden dat de verdachte niet eerder tot een gevangenisstraf is veroordeeld en dat hij inmiddels een nieuw gezin heeft met jonge kinderen en daarnaast co-ouderschap heeft over zijn ook nog jonge dochter. De rechtbank komt ook tot een lagere gevangenisstraf om de verdachte nog perspectief te laten houden en in het vertrouwen dat die straf hetzelfde effect ter voorkoming van recidive op hem zal hebben als de langere gevangenisstraf die door de officier van justitie is gevorderd. Al met al vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden passend. De door de verdediging voorgestelde gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk doet onvoldoende recht aan de ernst van de gepleegde feiten. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 8Voorlopige hechtenis Inleiding De voorlopige hechtenis van de verdachte is bij beslissing van 13 september 2022 geschorst met ingang van 14 september 2022 tot aan de einduitspraak. Die schorsing geldt daarom tot vandaag. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht om de schorsing na de uitspraak van dit vonnis niet langer te laten voortduren en daarmee kennelijk beoogd dat de rechtbank niet opnieuw de voorlopige hechtenis schorst. Standpunt verdediging De verdediging heeft primair verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. Subsidiair is verzocht, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, om de schorsing van de voorlopige hechtenis voort te zetten. Beoordeling De ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd zijn nog aanwezig. Niettemin vindt de rechtbank het voortduren daarvan niet meer opportuun. De verdachte is al geruime tijd probleemloos op vrije voeten. Er zijn geen zwaarwegende argumenten waarom de verdachte de aanvang van de tenuitvoerlegging van het vonnis niet in vrijheid kan afwachten. De voorlopige hechtenis zal daarom worden opgeheven. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 47, 57 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 10Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 11Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-044077-22, onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-044077-22 onder 1 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10-254729-22 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar en 6 (zes) maanden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; heft op de voorlopige hechtenis van de verdachte. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter, en mr. M.K. Asscheman-Versluis en mr. S.W.H. Bootsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Erasmus, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: in de zaak met parketnummer 10-044077-22:
- hij op of omstreeks 3 maart 2022 te Maasvlakte, Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1434,10 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; subsidiair: hij op of omstreeks 3 maart 2022 te Maasvlakte, Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/ of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel l lid 4 van de Opiumwet, en/of - het opzettelijk afleveren, verstrekken en/ of vervoeren van 1434,10 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam t e zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist (en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door in afwijking van zijn functiewerkzaamheden en/of de gebruikelijke werkwijze middels het geautomatiseerde systeem van de Europe Containers Terminals (ECT) meermalen, althans éénmaal, - container [containernummer 1] te bevragen en/of te monitoren, en/of - een zogenaamde Trojaanse container [containernummer 3] te verplaatsen van containerstack 249 naar containerstack 278 en/of - ervoor te zorgen dat container [containernummer 1] niet in een inspectie vak werd geplaatst, waardoor een of meerdere personen de gelegenheid kregen voornoemde hoeveelheid van 1434,10 kilogram cocaïne uit container [containernummer 1] naar de zogenaamde switchcontainer [containernummer 2] te verplaatsen en/of - ( vervolgens) ervoor te zorgen dat deze switchcontainer [containernummer 2] wordt verplaatst naar een andere plek in containerstack 278;
- hij op of omstreeks 18 november 2021 te Maasvlakte, Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/ of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel l lid 4 van de Opiumwet, en/of - het opzettelijk afleveren, verstrekken en/ of vervoeren van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door in afwijking van zijn functiewerkzaamheden en/of de gebruikelijke werkwijze middels het geautomatiseerde systeem van de Europe Containers Terminals (ECT) meermalen, althans éénmaal, - container [containernummer 4] te bevragen en/of te monitoren en/of - voornoemde container te verplaatsen binnen het containerstack waar de container stond (in totaal 14 keer) en/of - voornoemde container te verplaatsen naar een ander containerstack (in totaal 2 keer); in de zaak met parketnummer 10-254729-22: hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 3 maart 2022 te Rotterdam en/of Rozenburg, althans in Nederland, anders dan als ambtenaar, te weten als medewerker Planning & Aansturing, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Hutchinson Port ECT Delta Terminals, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, (meermalen, althans eenmaal) een gift, belofte en/of dienst, te weten (een hoeveelheid) geld, heeft aangenomen en/of heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en/of vragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever en/of lastgever.