RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/679778 / FA RK 24-4029 Datum uitspraak: 6 november 2024 Beschikking van de rechtbank over gezagsbeëindiging in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. E.S. van Aken, kantoorhoudende te Zierikzee, [naam vader] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. E.A. Hoogendijk, kantoorhoudende te Rotterdam, de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI. 1Het verdere verloop van de procedure 1.
- Het procesverloop blijkt uit de beschikking van 4 september 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken. 1.
- Op 9 oktober 2024 heeft de rechtbank de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: de moeder bijgestaan door haar advocaat; de advocaat van de vader; twee vertegenwoordigsters van de GI, [persoon 1] en [persoon 2] ; - een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon 3] . 1.
- De vader is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. 1.
- De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
- De feiten 2.
- De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.
- [minderjarige] verblijft in een gezinshuis. 2.
- Bij beschikking van 5 juni 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 juni
- Bij diezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten in een gezinshuis, verlengd tot 15 juni
- 2.
- De GI heeft zich bij brief van 5 februari 2024 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden. 3Het verzoek 3.
- De Raad verzoekt het gezag van de vader en de moeder te beëindigen en de GI tot voogdes over [minderjarige] te benoemen. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. [minderjarige] is een beschadigde en kwetsbare jongen. [minderjarige] woont in een gezinshuis, waar hij het naar zijn zin heeft en zich positief ontwikkelt. Aangezien het toekomstperspectief van [minderjarige] niet langer bij zijn ouders ligt, is het van belang dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt. De vader heeft de mogelijkheid gekregen om zijn stem te laten horen, maar heeft hier tot nu toe geen gebruik van gemaakt. Dit geeft inzicht in hoe de vader zijn gezag invult. De situatie voor de moeder is anders. Tussen de GI en de moeder vindt regelmatig miscommunicatie plaats bij het maken van beslissingen. [minderjarige] ondervindt hinder doordat hij moet wachten op toestemming. 4Het standpunt van de GI 4.
- De GI stemt in met het verzoek. De moeder is niet in staat om het gezag uit te oefenen zonder [minderjarige] daarmee te belasten. De moeder kan niet uitleggen waarom bepaalde keuzes belangrijk zijn voor haar. Daarnaast ontbreekt aansluiting tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder geeft moeizaam toestemming en trekt deze vaak weer in. Voor [minderjarige] is het van belang dat er duidelijkheid komt over zijn perspectief. De focus ligt op het bevorderen van goed contact tussen de moeder en [minderjarige] . Daarnaast zal er aandacht blijven voor het herstel van contact met de vader. Eerdere pogingen om contact op te nemen met de vader zijn helaas zonder succes gebleven. Mocht het echter lukken om contact te krijgen met de vader, dan zullen de mogelijkheden voor contactherstel met [minderjarige] worden onderzocht. 5Het standpunt van de moeder 5.
- Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. De angst bestaat dat bij een toewijzing van het verzoek het contact van de moeder met [minderjarige] verwatert. De verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing kan daarvoor worden gebruikt als jaarlijks toetsmoment. Ook kan dan worden beoordeeld of de situatie nog passend is, rekening houdend met de ontwikkelingen van [minderjarige] . De moeder verzet zich niet tegen het verblijf van [minderjarige] in het gezinshuis. Bovendien geeft de moeder altijd onmiddellijk toestemming na een uitleg. Daarom is het verzoek voorbarig. 6Het standpunt van de vader 6.
- De advocaat van de vader heeft ondanks diverse pogingen uiteindelijk niet meer in contact kunnen komen met de vader. De advocaat geeft aan dat uit het rapport blijkt dat de vader de wens heeft om contact te hebben met [minderjarige] . Mocht de vader in beeld komen, dan zal de GI hier oog voor moeten hebben en dit op een passende wijze moeten invullen. 7De beoordeling Gezagsbeëindiging 7.
- Op grond van artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien: een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. 7.
- Een beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die diep ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder van wie het gezag wordt beëindigd als van de minderjarige over wie het gezag wordt uitgeoefend. Blijkens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stemt de maatstaf van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) voor gezagsbeëindiging niet geheel overeen met die van artikel 1:266 van het BW. Uit artikel 8 van het EVRM volgt ook het vereiste dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel (het subsidiariteitsbeginsel). Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (het proportionaliteitsbeginsel). De inbreuk op het gezinsleven moet noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken. 7.
- Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige] al jaren ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is een kwetsbare jongen. Hij kent een zeer belast verleden vanwege onveilige en instabiele thuissituaties. Sinds maart 2022 woont [minderjarige] in een gezinshuis. Ondanks de inspanningen van de hulpverlening om [minderjarige] terug te laten keren naar huis, heeft dit niet het gewenste resultaat opgeleverd. Sinds december 2022 is er geen contact meer tussen [minderjarige] en de vader. De GI blijft proberen het contact tussen de vader en [minderjarige] te herstellen, maar de vader reageert nergens op. Hierdoor is het ook niet mogelijk om tot gezagsbeslissingen te komen. Hoewel de moeder het beste met [minderjarige] voor heeft, is zij ambivalent in het geven van toestemming voor belangrijke zaken. Bovendien is [minderjarige] onzeker over zijn perspectief, wat leidt tot onrust. Hij vraagt regelmatig of hij in het gezinshuis mag blijven wonen. De rechtbank ziet dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en haar best doet om de situatie te verbeteren. Desondanks is er sprake van een langdurig patroon waarbij het haar onvoldoende lukt om sensitief op [minderjarige] te reageren en hem de rust en stabiliteit te bieden die hij nodig heeft. De moeder is naar verwachting niet in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] – binnen een aanvaardbare termijn – op zich te nemen. Het perspectief van [minderjarige] ligt in het gezinshuis, alwaar hij de structuur, duidelijkheid en veiligheid krijgt die hij nodig heeft. Er wordt niet meer gewerkt aan een thuisplaatsing. Een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom niet de geëindigde maatregelen. In het belang van [minderjarige] is een beëindiging van het gezag van de vader en moeder noodzakelijk. 7.
- Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a van het BW en aan de Europese jurisprudentie is voldaan en zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen. De rechtbank heeft bij deze beslissing ook rekening gehouden met artikel 3, eerste lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin is bepaald - samengevat - dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Voogdij 7.
- Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de kinderrechter op grond van artikel 1:275, eerste lid, van het BW een voogd over hem te benoemen. In dat verband overweegt de kinderrechter als volgt. 7.
- De kinderrechter overweegt dat het in het belang is van [minderjarige] dat een neutrale partij wordt belast met de voogdij over hem. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De GI kan de belangen van [minderjarige] behartigen en ook begeleiding bieden bij het contact met de ouders. De kinderrechter zal daarom bepalen dat de GI wordt belast met de voogdij over [minderjarige] . 7.
- Op grond van artikel 1:276, eerste lid, van het BW worden de ouders, als ouders waarvan het gezag wordt beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de opvolger in het bewind, ervan uitgaande dat zij het bewind voerden over het vermogen van [minderjarige] . 7.
- Bovengenoemde doet niets af aan het feit dat de moeder altijd de moeder van [minderjarige] zal blijven en dat haar rol in zijn leven van groot belang blijft. Voor de komende periode acht de kinderrechter het van belang dat verder wordt ingezet op het contact tussen [minderjarige] en de moeder. Wat betreft de vader is er geruime tijd geen contact. Aangezien het de wens is van [minderjarige] om contact te hebben met de vader, dient hier ook aandacht voor te zijn. 8De beslissing De rechtbank: 8.
- beëindigt het ouderlijk gezag van [naam vader] , geboren op [geboortedatum 2] 1975, en [naam moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1977, over [minderjarige] ; 8.
- benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam; 8.
- veroordeelt de ouders aan de voogd rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] te doen; 8.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 8.
- verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister. Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. van der Stroom, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2024, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.