← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:13722

RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/690375 / JE RK 24-2585 Datum uitspraak: 18 december 2024 Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats], advocaat mr. T. Venneman, kantoorhoudende te Den Haag, [naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 29 november 2024, ingekomen bij de griffie op 3 december
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 december
  4. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder met haar advocaat; twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon 1] en [persoon 2]; twee vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming, [persoon 3] en [persoon 4]. 1.
  5. De kinderrechter heeft ter zitting het onderzoek gesloten en aangegeven binnen twee weken schriftelijk uitspraak te doen. Nadien werd opgemerkt dat de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] en [naam] op zeer korte termijn, namelijk op 25 december 2024, zullen aflopen. Daarom heeft de kinderrechter besloten toch diezelfde dag een beslissing te nemen op de verzoeken van de Raad, strekkende tot de verlening van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, en de verzoeken van de GI, strekkende tot de gedeeltelijke gezagsbeslating en de bekrachtiging van de Schriftelijke Aanwijzing, en deze in het openbaar uit te spreken. De griffier heeft partijen die dag telefonisch de beslissingen van de kinderrechter medegedeeld. 2De feiten 2.
  6. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. 2.
  7. [minderjarige] verblijft in een netwerkpleeggezin. 2.
  8. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 december 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 18 december
  9. Tevens heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij diezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 18 september
  10. 3Het verzoek 3.
  11. De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding van [minderjarige] bij een onderwijsinstelling op grond van artikel 1:265e, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  12. De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Eerder heeft er een incident plaatsgevonden op de school van [minderjarige], waarbij de moeder betrokken was. Naar aanleiding hiervan heeft de school besloten dat [minderjarige] daar niet langer onderwijs kon volgen. De GI heeft vervolgens gezocht naar een nieuwe, passende school voor [minderjarige]. Deze is gevonden in de buurt van het netwerkpleeggezin. De nieuwe school heeft aangegeven dat [minderjarige] daar kan starten met alleen de toestemming van de vader, mits de toestemming van de moeder op een later moment alsnog wordt verkregen. Er zijn meerdere pogingen gedaan om tot een samenwerking met de moeder te komen, dit is echter niet gelukt. 4De standpunten 4.
  13. Door en namens de moeder is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder vindt het spijtig dat [minderjarige] niet op haar oude school kon blijven en dat er niet geprobeerd is om haar daar te houden. [minderjarige] heeft immers niets misdaan. Hoewel de moeder de gevoeligheden rondom de situatie begrijpt, vindt zij de genomen maatregel onterecht. Daarnaast is de moeder het niet eens met de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] en dus ook niet met het onderhavige verzoek van de GI. Volgens de moeder kan [minderjarige] weer bij haar komen wonen en terugkeren naar haar oude school. 4.
  14. De vader stemt in met het verzoek van de GI. De vader begrijpt waarom de oude school van [minderjarige] heeft besloten dat zij daar niet langer kon blijven. De moeder is nog veel rondom de oude school van [minderjarige] te vinden en dit zorgt voor een onveilige situatie. Momenteel zit [minderjarige], met toestemming van de vader, op een nieuwe school die goed bij haar past en dichtbij het netwerkpleeggezin is. Volgens de vader gaat het goed met [minderjarige] op de nieuwe school. De vader geeft verder aan dat [minderjarige] eerder bijna twee maanden niet naar school ging. Zodoende is zij vorig jaar blijven zitten. Daarom vindt de vader het belangrijk dat [minderjarige] haar schoolgang verder voort kan zetten en begrijpt hij dat de onderhavige maatregel nodig is. 5De beoordeling 5.
  15. De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI wordt belast met het gezag over [minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor de duur van de uithuisplaatsing (artikel 1:265e Burgerlijk Wetboek). [minderjarige] is onlangs door toedoen van de moeder van haar school verwijdert. Positief is dat er een nieuwe, passende school voor haar gevonden is, dichtbij het netwerkpleeggezin waarin zij momenteel verblijft. De kinderrechter acht het van belang dat [minderjarige] naar school gaat. Daarvoor is het noodzakelijk dat [minderjarige] wordt aangemeld op haar nieuwe school door de moeder. De moeder, die met het gezag over [minderjarige] is belast, geeft echter geen toestemming voor aanmelding op deze nieuwe school, waardoor [minderjarige] niet officieel op haar nieuwe school kan worden aangemeld. De kinderrechter is van oordeel dat de door de moeder aangevoerde argumenten om deze aanmelding te weigeren, niet valide zijn. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI toewijzen zodat [minderjarige] kan worden aangemeld bij de nieuwe school, waar zij reeds al door de vader is aangemeld. 5.
  16. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  17. belast William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met het gezag over [minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling tot 18 september 2025; 6.
  18. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 6 januari
  19. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.