RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/689524 / JE RK 24-2487 Datum uitspraak: 12 december 2024 Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd te ‘s-Gravenhage, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. P. Doorakkers, kantoorhoudende te Oosterhout, [naam vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] . 1Het verloop van de procedure 1.
- Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 12 november 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 14 november
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 december
- Daarbij waren aanwezig: de moeder (telefonisch) bijgestaan door haar advocaat; de vader; - een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] . 1.
- De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft geen mening gegeven. 2De feiten 2.
- De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . 2.
- [voornaam minderjarige] woont bij de vader en de stiefmoeder. 2.
- Bij beschikking van 20 maart 2024 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 maart
- Tevens is bij die beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] verleend, te weten bij de vader en de stiefmoeder tot 20 maart
- 3Het verzoek 3.
- De GI verzoekt op grond van artikel 1:265e lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te bepalen dat het gezag over [voornaam minderjarige] gedeeltelijk, voor zover het betrekking heeft de aanmelding voor onderwijsinstelling het Pleysier College Zoetermeer, wordt uitgeoefend door de GI, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Tevens verzoekt de GI om te bevelen dat deze gedeeltelijke toekenning van het gezag zal worden aangetekend in het gezagsregister. 3.
- De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige] moet onderwijs volgen, maar de moeder weigert haar handtekening voor de inschrijving van de schoot te zetten. De school verlangt een handtekening van beide ouders. Om deze reden is er een verzoek tot vervangende toestemming ingediend, zodat de benodigde handtekening voor de school gezet kan worden. De moeder vindt het belangrijk vindt dat [voornaam minderjarige] naar school gaat, maar zij weigert te tekenen. Ook heeft de moeder geen contact met de GI. 4Het standpunt van de moeder 4.
- Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. De moeder geeft aan dat zij het beter zou vinden als het gezag bij de GI komt te liggen. De moeder is het niet eens met de stelling dat zij geen contact wil met de GI. De GI betrekt de moeder nergens bij, waardoor ze niet op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkelingen van [voornaam minderjarige] . De moeder heeft hier lang tegen gevochten, maar zij wordt hierin niet gehoord. Als de moeder toch niet betrokken wordt bij de beslissingen, is het beter dat de GI in het vervolg de noodzakelijke beslissingen zelf neemt. Tevens is de moeder van mening dat zij reeds toestemming heeft gegeven voor de inschrijving van de school. Bij de oude school van [voornaam minderjarige] heeft zij documenten ondertekend voor de overdracht van gegevens naar de nieuwe school en hiermee was ook de inschrijving geregeld. 5Het standpunt van de vader 5.
- De vader stemt in met het verzoek, maar vindt het jammer dat alles zo moeizaam verloopt. Het gaat vandaag om een simpele handtekening, wat aangeeft hoe complex de situatie verder is. De vader benadrukt dat de moeder zelf afstand heeft gedaan van [voornaam minderjarige] . Gelukkig gaat het goed met [voornaam minderjarige] ; hij is al gestart met school en behaalt goede cijfers. 6De beoordeling 6.
- Uit artikel 1:265e, eerste lid, aanhef en onder a, BW volgt dat de kinderrechter kan bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. 6.
- Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat iedereen het eens is over de keuze om [voornaam minderjarige] in te schrijven voor de onderwijsinstelling het Pleysier College Zoetermeer. Voor de officiële inschrijving van [voornaam minderjarige] op deze school is een handtekening van beide ouders nodig. De moeder weigert echter te tekenen. Ter zitting blijkt dat de moeder om diverse redenen niet wil tekenen, maar het wel belangrijk vindt dat [voornaam minderjarige] naar deze school gaat. Het is positief dat [voornaam minderjarige] ondanks het ontbreken van handtekeningen van beide ouders, al is begonnen op de school en dat het daar goed met hem gaat. Gelet op dit alles is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI wordt belast met het gezag over [voornaam minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling. De kinderrechter zal daarom het verzoek toewijzen, zodat de aanmelding van [voornaam minderjarige] geformaliseerd kan worden. 6.
- Omdat een beslissing over het gezag als de onderhavige automatisch zal worden opgenomen in het gezagsregister, zal de kinderrechter het verzoek van de GI daaromtrent afwijzen. 7De beslissing De kinderrechter: belast de GI Jeugdbescherming West, gedeeltelijk met het gezag over [voornaam minderjarige] , namelijk voor zover het betrekking heeft op de inschrijving bij de onderwijsinstelling het Pleysier College Zoetermeer; 7.
- wijst het verzoek voor het overige af; 7.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2024 door mr. S. Jordaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 23 december
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.