Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/153610-23 Datum uitspraak: 11 december 2024 Tegenspraak Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] [postcode] [woonplaats] , raadsman mr. V.R.C. Shukrula, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 december 2024. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Procesafspraken De officier van justitie en de verdachte hebben procesafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming daarvan. De procesafspraken zijn voorafgaand aan de terechtzitting naar de rechtbank gestuurd. Tijdens de inhoudelijke behandeling zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsman besproken. De verdachte heeft verklaard dat hij goed begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak kunnen hebben. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en – terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen – is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om akkoord te gaan met het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Ter terechtzitting hebben de verdachte en de officier van justitie bevestigd dat het om de volgende afspraken gaat: - het openbaar ministerie zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van feit 1 en feit 2; - het openbaar ministerie zal requireren tot een strafoplegging als hieronder weergegeven; - de verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt al ingediende onderzoekswensen uiterlijk ter terechtzitting en bij voorkeur al eerder schriftelijk in; - door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd; - door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken; 4Eis officier van justitie en standpunt verdediging De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd: bewezenverklaring van feit 1 en feit 2; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden onvoorwaardelijk. De verdediging heeft zich gerefereerd aan de inhoud van de procesafspraken en de rechtbank verzocht deze te volgen. 5Waardering van het bewijs 5.1. Bewezenverklaring zonder nadere motivering Nu de verdediging geen verweer heeft gevoerd en de rechtbank het onder 1 en 2 ten laste gelede op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. Dit betekent dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1 hij in de periode van 18 mei 2020 tot en met 19 mei 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, - het opzettelijk vervoeren van 550 kilogram cocaïne,- een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door - met één mededader (via een Sky-chat) contacten te onderhouden en informatie uit te wisselen en de locatie van container [containernummer] , en - ( tijdens zijn werkzaamheden als reefermonteur) op de Rotterdam World Gateway terminal (gelegen aan de [adres 2] ) (naar) de container [containernummer] te zoeken en deze te lokaliseren, en- geld te ontvangen, althans in het vooruitzicht gesteld te krijgen; 2 hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 18 mei 2020 anders dan als ambtenaar, te weten als reefermonteur, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Seamark, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan , éénmaal een belofte (van geld) heeft aangenomen, terwijl hij verdachte dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen. 6Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: 1. medeplegen om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen; 2 het anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, een belofte aannemen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 7Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 8Motivering straf 8.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 8.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich in 2020 schuldig gemaakt aan het voorbereiden en bevorderen van de invoer van een grote partij cocaïne binnen het grondgebied van Nederland. De verdachte, werkzaam als reefermonteur bij een transportbedrijf in de Rotterdamse haven, heeft tijdens zijn werkzaamheden informatie ingewonnen en die informatie gedeeld met zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.