← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:13817

Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/667130 / FA RK 23-7489 Beschikking van 15 november 2024 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van: [naam man] , hierna: de man, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. A.J. de Graaf te Papendrecht, t e g e n [naam vrouw] , hierna: de vrouw, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. K. Beumer te Middelharnis. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 13 oktober 2023; het bericht met bijlage van de man van 10 januari 2024; het aanvullend verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 10 april 2024; het bericht met bijlage van de man van 20 september 2024; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 9 oktober 2024; het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 14 oktober 2024; het bericht met bijlagen van de vrouw van 15 oktober
  2. 1.
  3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 oktober
  4. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), in zijn adviserende rol, vertegenwoordigd door [persoon A] . 2De vaststaande feiten 2.
  5. Partijen zijn de ouders van de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] . 2.
  6. Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. 2.
  7. Het geregistreerd partnerschap van partijen is op 17 april 2020 ontbonden door inschrijving van de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap van 16 maart 2020 in de registers van de burgerlijke stand. 2.
  8. Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 3 februari 2020 hebben ondertekend. Het ouderschapsplan is gehecht aan de beschikking van 16 maart
  9. 2.
  10. Nadien hebben partijen een aanvullend ouderschapsplan opgesteld, door de man ondertekend op 25 januari 2023 en door de vrouw ondertekend op 28 januari
  11. 2.
  12. In het aanvullend ouderschapsplan hebben partijen onder andere een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) vastgelegd. Op basis van deze zorgregeling verblijven de minderjarigen om het weekend bij de man. Daarnaast verblijven de minderjarigen iedere maandagavond tot en met woensdagochtend bij de man en iedere woensdagmiddag tot en met vrijdagochtend bij de vrouw. Daarbij is afgesproken dat, op het moment dat de minderjarigen in het weekend bij de man zijn, de man de minderjarigen op vrijdagmiddag zal ophalen en op maandagochtend naar school zal brengen. Partijen zijn ook een vakantie-, feestdagen- en bijzondere dagenregeling overeengekomen. 3De beoordeling 3.
  13. Zorgregeling 3.1.
  14. De man verzoekt – na wijziging van zijn verzoek en zakelijk weergegeven– het (aanvullend) ouderschapsplan te wijzigen dan wel aan te vullen, in die zin dat een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij: de minderjarigen in de even weken van vrijdag 14.00 uur tot de week daarop woensdag 14.00 uur bij de man verblijven en in de oneven weken van woensdag 14.00 uur tot de week daarop maandag 14.00 uur bij de vrouw; de ouder waar de minderjarigen het laatst verblijven ervoor zorgt dat de benodigde kleding, sportkleding, schoeisel, schoolmateriaal en benodigdheden uiterlijk op de zondag voorafgaand aan het verblijf bij de andere ouder, uiterlijk om 20.00 uur, wordt afgeleverd. Daarnaast verzoekt de man de vakantie- en feestdagenregeling te wijzigen, waarvoor hij een voorstel tot verdeling heeft gedaan. Tot slot verzoekt de man een dwangsom vast te stellen van € 500,- per dag voor iedere keer dat de vrouw nalaat de minderjarigen bij de man te brengen of door de man te laten ophalen, terwijl de minderjarigen volgens de vastgestelde en overeengekomen regeling bij hem moeten verblijven. 3.1.
  15. De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek om aanpassing van de zorgregeling en de dwangsom. Bij zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw een zorgregeling vast te stellen als volgt: de man haalt de minderjarigen maandagmiddag van school en brengt de minderjarigen altijd woensdagochtend naar school; de vrouw haalt de minderjarigen altijd woensdagmiddag van school en brengt de kinderen altijd vrijdagochtend naar school; de minderjarigen verblijven om het weekend bij de een dan wel de ander wanneer de minderjarigen in het weekend bij de man verblijven, haalt de man de minderjarigen vrijdagmiddag uit school en brengt de man de minderjarigen maandagochtend naar school; wanneer de minderjarigen in het weekend bij de vrouw verblijven, haalt de vrouw de minderjarigen vrijdagmiddag uit school en brengt de vrouw de minderjarigen maandagochtend naar school. Daarnaast verzoekt de vrouw bij zelfstandig verzoek een vakantieregeling vast te stellen volgens een door haar gedaan voorstel. 3.1.
  16. De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 3.1.
  17. Uit de stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken is gebleken dat partijen niet in staat zijn om samen overeenstemming te bereiken over de uitvoering van de zorgregeling. Er ontstaan tussen partijen terugkerende discussies over de uitleg van de afspraken, partijen lopen vast in hun onderlinge communicatie daarover en de gemaakte afspraken worden niet nageleefd. De rechtbank is van oordeel dat er hierdoor sprake is van gewijzigde omstandigheden. De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke behandeling van de verzoeken. Reguliere zorgregeling 3.1.
  18. Tussen partijen is niet in geschil dat de minderjarigen elke maandagmiddag tot en met woensdagochtend bij de man verblijven en elke woensdagmiddag tot en met vrijdagochtend bij vrouw verblijven. Ook zijn partijen het eens dat de minderjarigen de ene week het weekend bij de man verblijven en het andere weekend bij de vrouw. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag op welk tijdstip de zorgregeling moet beginnen en eindigen: 14.00 uur zoals de man voorstelt, of het moment van naar school gaan en/of uit school komen van de minderjarigen, zoals de vrouw voorstelt. Het begin- of eindmoment van de zorgregeling geeft aan welke ouder verantwoordelijk is voor de opvang van de minderjarigen; in de visie van de man gaat de verantwoordelijkheid van de ene ouder op de andere ouder over om 14.00 uur, terwijl dat in de visie van de vrouw afhankelijk kan zijn van de omstandigheden op de desbetreffende dag. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de school van de minderjarigen in beginsel om 14.00 uur uit is. Dat betekent dat de door beide partijen verzochte momenten in de meeste gevallen samenvallen. Dit kan anders zijn als bijvoorbeeld de school eerder uit is of als er sprake is van een studiedag. Tijdens de mondelinge behandeling is ook gebleken dat het voor partijen van belang is om een regeling vast te stellen waarover zo weinig mogelijk discussie kan ontstaan tussen partijen. De rechtbank kijkt echter ook, en vooral, naar het belang van de minderjarigen. Voor hen is het het meest duidelijk als zij weten dat zij ‘na school’ naar de man of naar de vrouw gaan, ook als dit in bepaalde gevallen eerder is dan de reguliere eindtijd van school. De rechtbank is daarom van oordeel dat een zorgregeling die aansluit bij de feitelijke schooltijden daaraan het meest recht doet. Constructies waarbij de minderjarigen eerst door de ene ouder worden opgehaald om daarna om 14.00 uur aan de andere ouder te worden overgedragen, worden zo voorkomen. Daarbij komt dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat hij zich ook kan vinden in een zorgregeling die begint ‘uit school’. De rechtbank benadrukt dat dat dus ook betekent dat de ouder bij wie de minderjarigen ‘uit school’ zijn, verantwoordelijk is voor de opvang van die dag tijdens de normale schooltijden, bijvoorbeeld in geval van studiedagen of verkorte schooldagen. 3.1.
  19. De rechtbank zal daarnaast vaststellen dat de minderjarigen in de weekenden in de even weken bij de man verblijven en in de weekenden in de oneven weken bij de vrouw. Op deze manier hebben partijen en de minderjarigen de meeste duidelijkheid voor in de toekomst, immers staat op deze manier voor de komende jaren vast in welke weekenden de minderjarigen bij de man dan wel bij de vrouw verblijven. 3.1.
  20. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank een zorgregeling zal vaststellen waarbij de minderjarigen bij de man verblijven elke week van maandag uit school tot woensdag naar school en in de even weken van vrijdag uit school tot de week daarop woensdag naar school. De minderjarigen verblijven bij de vrouw in de even weken van woensdag uit school tot vrijdag naar school en in de oneven weken van woensdag uit school tot maandag naar school. Vakantieregeling 3.1.
  21. Beide partijen verzoeken de vakanties op een andere manier te verdelen. Ook zijn partijen het niet eens over het begin- en eindmoment van de vakanties. Daarom zal de rechtbank daarover een beslissing nemen. Bij het nemen van deze beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende aspecten, die ook tijdens de mondelinge behandeling zijn besproken: de man heeft aangegeven vooral duidelijkheid te willen om discussies over de – op vakanties aansluitende – reguliere zorgregeling te voorkomen; het zwaartepunt van het werk van de man bevindt zich vooral in de eerste helft van het jaar; de vrouw heeft aangegeven ruimte te willen om – ook tijdens kortdurende vakanties – een volle week met de minderjarigen op vakantie te kunnen gaan, zonder te worden belemmerd door een aansluitend weekend van de andere ouder; de vrouw kan niet meer elk jaar dezelfde vakanties vrij nemen, omdat zij hiermee haar collega’s belemmert om ook tijdens deze vakanties vrij te nemen en de verwachting is dat haar werkgever hier niet langer mee akkoord gaat. 3.1.
  22. Aan de hand van deze uitgangspunten zal de rechtbank een vakantieregeling vaststellen, die is opgenomen in onderdeel 4.
  23. van onderstaande beslissing. De rechtbank verdeelt de vakanties zodanig dat de minderjarigen ook in de voorjaarsvakantie om en om bij beide ouders zijn. Ondanks dat de voorjaarsvakantie in de periode valt waarin voor de man het zwaartepunt van zijn werk ligt, is de rechtbank is van oordeel dat dat niet betekent dat de voorjaarsvakantie elk jaar bij de vrouw belegd moet worden. Van de man mag ook worden verwacht dat hij eens in de twee jaar de voorjaarsvakantie voor zijn rekening neemt. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de man voor [voornaam minderjarige 2] buitenschoolse opvang heeft, zodat hij, indien gewenst, ook daarop een beroep kan doen. Daarnaast zullen de minderjarigen pas in 2026 voor het eerst in de voorjaarsvakantie bij de man zijn, zodat hij genoeg tijd heeft om zich daarop voor te bereiden. 3.1.
  24. De rechtbank zal daarbij vaststellen dat de vakanties beginnen op vrijdag uit school en eindigen op de daarop volgende vrijdag om 19.00 uur. Bij vakanties die worden gedeeld, geldt ook de vrijdag om 19.00 uur als wisselmoment. 3.1.
  25. De rechtbank wijst er nadrukkelijk op dat de vakantieregeling voorgaat op de reguliere zorgregeling. Feestdagenregeling 3.1.
  26. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verdeling van Pasen, Pinksteren, Hemelvaart, Koningsdag, Bevrijdingsdag, studiedagen en de verjaardagen van de minderjarigen. Gedurende deze dagen zal de reguliere zorgregeling doorlopen. De rechtbank zal deze overeenstemming opnemen in deze beschikking. 3.1.
  27. De man verzoekt daarnaast te bepalen dat tijdens de verjaardagen van de minderjarigen, de ouder bij wie de jarige minderjarige niet verblijft, het recht heeft om de minderjarige die dag van 10.00 uur tot 12.00 (in het weekend) of van 17.00 tot 18.00 uur (doordeweeks) te zien. De vrouw voert gemotiveerd verweer. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke regeling te veel ingrijpt in de vrijheid van de ouder bij wie de minderjarige op dat moment verblijft, om een verjaardag op eigen manier te vieren en de dag naar eigen inzicht in te richten. Daarnaast kan een dergelijke regeling teveel onrust meebrengen voor zowel de minderjarigen als de ouder bij wie zij op dat moment verblijven. De rechtbank zal het verzoek afwijzen. 3.1.
  28. De man verzoekt te bepalen dat de verjaardagen van de ouders, opa’s en oma’s en Vader- en Moederdag, indien gewenst en binnen bepaalde tijdsblokken, gevierd kunnen worden bij de (jarige) ouder, opa of oma. De vrouw voert gemotiveerd verweer. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke regeling indruist tegen de wil van partijen om duidelijkheid en rust te creëren in de uitoefening van de zorgregeling, vooral gezien de vrijblijvendheid die de man aan zijn verzoek verbindt. Partijen zijn juist gebaat bij heldere afspraken en zo weinig mogelijk afwijkingen van de reguliere zorgregeling. De rechtbank zal het verzoek afwijzen. 3.1.
  29. Tot slot verzoekt de man de kerstdagen en oud en nieuw te verdelen. De vrouw stelt voor zowel de kerstdagen als oud en nieuw door te laten lopen volgens de vakantieregeling. De rechtbank is van oordeel dat het voor de minderjarigen fijn is om tijdens de kerstdagen bij allebei hun ouders te kunnen zijn. De stelling van de vrouw om zo weinig mogelijk wisselmomenten te hebben zodat partijen elkaar niet op hoeven te zoeken, volgt de rechtbank niet. De terugkerende discussies tussen partijen gaan immers niet om de wisselmomenten zelf, maar om de onduidelijkheid over wanneer deze wisselmomenten zijn. De rechtbank zal daarom bepalen dat de minderjarigen eerste kerstdag bij de ouder zijn bij wie zij volgens de vakantieregeling de eerste week van de kerstvakantie zijn. Op tweede kerstdag zullen de minderjarigen bij de andere ouder zijn, van 10.00 uur tot de volgende dag 10.00 uur. Oud en nieuw zullen de minderjarigen vieren bij de ouder bij wie zij volgens de vakantieregeling zijn. Overdracht kleding etc. 3.1.
  30. De man verzoekt vast te stellen dat de ouder bij de wie minderjarigen het laatst verblijven ervoor zorgt dat de benodigde kleding, sportkleding, schoeisel, schoolmateriaal en benodigdheden de zondag voorafgaand aan het verblijf bij de andere ouder, uiterlijk om 20.00 uur, wordt afgeleverd. Dit verzoek van de man is te onbepaald en wordt dan ook afgewezen. Het spreekt overigens naar het oordeel van de rechtbank voor zich dat beide ouders ervoor zorgen dat de nodige spullen voor de minderjarigen aan elkaar worden overgedragen. Dwangsom 3.1.
  31. Ten aanzien van de door de man verzochte dwangsom overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan de rechtbank zou moeten veronderstellen dat de vrouw de zorgregeling niet zal naleven. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom en zal het verzoek van de man afwijzen. 3.
  32. Overige afspraken uitvoering zorgregeling 3.2.
  33. De man heeft zijn verzoek over verrekening van betaalde sportcontributie ingetrokken. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. 3.2.
  34. Partijen hebben overeenstemming bereikt over schoolreisjes, traktaties en kinderfeestjes, en ook over contactmomenten tijdens de vakanties. De rechtbank zal deze overeenstemming opnemen in deze beschikking. 3.2.
  35. De man verzoekt verder om de afspraken in het (aanvullend) ouderschapsplan aan te vullen dan wel te wijzigen met betrekking tot: - de opvang van de minderjarigen in geval van ziekte; het in overleg gaan en/of toestemming geven bij een voorgenomen verhuizing; het niet belasten van de minderjarigen met zaken die tussen partijen moeten worden besproken; het recht om (rapport-/kind)gesprekken op school bij te wonen en het bijwonen van openbare bijeenkomsten als de avondvierdaagse; het nemen van beslissingen omtrent persoonlijke verzorging, sport en medische zorg; het over en weer in gelegenheid stellen van de minderjarigen om in geval van overlijden van een naast familielid afscheid te nemen en de uitvaart bij te wonen. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.2.
  36. De rechtbank zal de verzoeken van de man afwijzen wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag. 3.
  37. Aanhechting aanvullend ouderschapsplan 3.3.
  38. De man verzoekt het aanvullend ouderschapsplan in de beschikking op te nemen en aan te hechten. De vrouw weerspreekt het verzoek niet. 3.3.
  39. De rechtbank overweegt dat een expliciete wettelijke grondslag voor opname en aanhechting van het aanvullend ouderschapsplan ontbreekt. Artikel 819 Rv biedt de rechter weliswaar de mogelijkheid om, op verzoek van de ouders, een ouderschapsplan aan de beschikking te hechten, maar dit geldt alleen in het kader van een (echtscheidings- of) ontbindingsprocedure. De uitdrukkelijke verplichting om bij ontbinding van een geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan te maken, zoals opgenomen in artikel 815 lid 2 en 3Rv, onderstreept het belang dat de wetgever hecht aan afspraken die ouders in onderling overleg maken over de invulling van het ouderschap nadat zij uit elkaar gaan. Vanwege de dynamische aard van de afspraken die in een ouderschapsplan (kunnen) worden opgenomen, is het daarom niet goed voor te stellen waarom op een later tijdstip gemaakte afspraken – meerdere jaren na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap – niet op vergelijkbare wijze kunnen worden opgenomen in en gehecht aan een beschikking. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen en bepalen dat de afspraken die partijen hebben gemaakt in het aanvullend ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking. 3.
  40. Uitvoering van de zorgregeling 3.4.
  41. Tot slot overweegt de rechtbank als volgt. De verzoeken van de man zijn erop gericht om alle losse eindjes rondom de zorgregeling ‘dicht te timmeren’, zoals namens de man tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd. De rechtbank wijst erop dat de verantwoordelijk voor een goede uitvoering van de zorgregeling bij de ouders zelf ligt en dat deze verantwoordelijkheid niet bij anderen kan worden gelegd, ook niet bij de rechtbank. Het ouderschapsplan, dat voor partijen de basis biedt om het ouderschap en de zorgregeling samen vorm te geven, is een dynamisch document en is dus aan verandering onderhevig. Specifieke omstandigheden en gebeurtenissen in de levens van partijen en de minderjarigen zullen beide partijen dwingen om zich flexibel naar elkaar op te stellen. Ouders moeten een manier vinden om hiermee om te gaan. Aan partijen wordt daarom meegegeven dat het verstandig voorkomt dat zij gaan werken aan de verbetering van hun communicatie en onderlinge verstandhouding in het belang van de minderjarigen. 3.
  42. Proceskosten 3.5.
  43. De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure. De rechtbank overweegt dat in zaken tussen ex-partners in het algemeen wordt bepaald dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. De man heeft niet onderbouwd dat een proceskostenveroordeling van de vrouw op zijn plaats is. De enkele stelling dat de vrouw het vinden van oplossingen in de weg staat, is daarvoor niet voldoende. De rechtbank wijst het verzoek af en zal de proceskosten compenseren. 4De beslissing De rechtbank: 4.
  44. wijzigt het op 25 januari 2023 en 28 januari 2023 door partijen ondertekende aanvullende ouderschapsplan in die zin dat de zorgregeling als volgt wordt vastgesteld: reguliere zorgregeling: de minderjarigen verblijven bij de man elke week van maandag uit school tot woensdag naar school en in de even weken van vrijdag uit school tot de week daarop woensdag naar school; de minderjarigen verblijven bij de vrouw in de even weken van woensdag uit school tot vrijdag naar school en in de oneven weken van woensdag uit school tot maandag naar school; vakantie- en feestdagenregeling: de minderjarigen verblijven tijdens de: voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw; meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw; herfstvakantie: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man; zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man. In de oneven jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw; kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. In de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. De minderjarigen zijn: o eerste kerstdag bij de ouder bij wie zij volgens de vakantieregeling de eerste week van de kerstvakantie zijn; o tweede kerstdag bij de andere ouder, van 10.00 uur tot de volgende dag 10.00 uur; o tijdens oud en nieuw bij de ouder bij wie zij volgens de vakantieregeling zijn. Vakanties beginnen op vrijdag uit school en eindigen de daarop volgende vrijdag om 19.00 uur. Bij vakanties die worden gedeeld, geldt vrijdag 19.00 uur als wisselmoment. De vakantieregeling gaat voor op de reguliere zorgregeling. 4.
  45. neemt op de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen, te weten dat: de minderjarigen tijdens Pasen, Pinksteren, Hemelvaart, Koningsdag, Bevrijdingsdag, studiedagen en de verjaardagen van de minderjarigen verblijven bij de ouder bij wie de minderjarigen volgens de reguliere zorg- of vakantieregeling zijn; op schoolreisjes en verjaardagen de ouder waar de minderjarigen op dat moment verblijven de traktaties, activiteiten en benodigde spullen regelt. Indien dit bij de andere ouder ligt, haalt degene die alles regelt dit op. Kinderfeestjes en traktaties op school worden in de even jaren door de man geregeld en in de oneven jaren door de vrouw; ouders tijdens vakanties – langer dan een week – de andere ouder de gelegenheid geven om wekelijks (in het weekend) een (video)contact te hebben met de minderjarigen; 4.
  46. neemt op in deze beschikking de tussen partijen getroffen regelingen als neergelegd in het op 25 januari 2023 door de man en op 28 januari 2023 door de vrouw ondertekende aanvullend ouderschapsplan. Dit stuk is door de griffier gewaarmerkt en aan deze beschikking gehecht; 4.
  47. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.
  48. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.
  49. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr, S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.M. Brito, griffier, op 15 november
  50. Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat. Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.