← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:13940

RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummers: C/10/673296 / FA RK 24-947, C/10/681295 / JE RK 24-1254 en C/10/687478 JE / RK 24-2207 Datum uitspraak: 5 november 2024 Beschikking van de meervoudige kamer in de zaken van [naam vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. P. van Tour, kantoorhoudende te Rotterdam, en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI, en [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. P. van Baaren, kantoorhoudende te Rotterdam, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 4] . De rechtbank merkt in de zaak van de GI met zaaknummer C/10/681295 / JE RK 24-1254 en in de zaak van de moeder met zaaknummer C/10/687478 / JE RK 24-2207 als belanghebbende ten aanzien van voornoemde minderjarigen aan: de vader, voornoemd, De rechtbank merkt in de zaak van de vader met zaaknummer C/10/673296 / FA RK 24-947 en in de zaak van de GI met zaaknummer C/10/681295 / JE RK 24-1254 als belanghebbende ten aanzien van voornoemde minderjarigen aan: de moeder, voornoemd, De rechtbank merkt in de zaak van de vader met zaaknummer C/10/673296 / FA RK 24-947 als informant en in de zaak van de moeder met zaaknummer C/10/687478 / JE RK 24-2207 als belanghebbende ten aanzien van voornoemde minderjarigen aan: de GI, voornoemd. De rechtbank merkt in de drie zaken als belanghebbende ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan: [naam pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende te Rotterdam. De rechtbank merkt in de drie zaken als belanghebbenden ten aanzien van [minderjarige 2] aan: [curator 1] en [curator 2], hierna te noemen: [curator 1] en [curator 2] , tezamen ook te noemen: de bijzondere curatoren, beiden kantoorhoudende te Rotterdam. De rechtbank merkt in de drie zaken als informanten ten aanzien van [minderjarige 2] aan: [persoon 1] en [persoon 2], hierna te noemen: de gezinshuisouders (van [minderjarige 2] ). In zijn adviserende en toetsende taak is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad. 1Het (verdere) verloop van de procedure 1.

  1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling: het verzoekschrift met producties van mr. P. van Tour, namens de vader, van 25 mei 2023, ingeschreven onder zaaknummer C/10/673296 / FA RK 24-947, het verweerschrift van mr. P. van Baaren, namens de moeder, van 2 november 2023, ontvangen op 6 november 2023; het aanvullend verweerschrift tevens inhoudende een zelfstandig (subsidiair) verzoek van mr. P. van Baaren, namens de moeder, van 16 januari 2024, ontvangen op 18 januari 2024; het verslag met bijlagen van de bijzondere curatoren van 11 april 2024; de beschikking van de kinderrechter van 1 juli 2024 over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en de daaraan ten grondslag liggende stukken; de beschikking van de kinderrechter van 1 juli 2024 over [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ; de briefrapportage van de GI van 30 september 2024 in de zaak C/10/681295 / JE RK 24-1254 ten aanzien van [minderjarige 2] ; het e-mailbericht van de bijzondere curatoren van 3 oktober 2024; her beroepschrift met bijlagen van mr. P. van Baaren, namens de moeder, van 4 oktober 2024, ingeschreven onder zaaknummer C/10/687478 / JE RK 24-2207; het aanvullend verslag van de bijzondere curatoren van 11 oktober 2024; het F9-formulier van mr. P. van Tour, ontvangen op 11 oktober 2024; het gewijzigd verzoekschrift van mr. P. van Tour, namens de vader, van 14 oktober 2024, ontvangen op diezelfde datum. 1.
  2. Op 15 oktober 2024 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; de moeder met haar advocaat; de pleegmoeder met haar advocaat - een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon 3] ; - drie vertegenwoordigers van de GI, [persoon 4] , [persoon 5] en [persoon 6] ; - de bijzondere curatoren. 1.
  3. De gezinshuisouders van [minderjarige 2] zijn opgeroepen als informanten. Zij zijn niet verschenen. 1.
  4. De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover elk afzonderlijk een gesprek gevoerd met mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter. Eerder had [minderjarige 1] al een brief geschreven aan de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
  5. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . 2.
  6. [minderjarige 1] verblijft bij de pleegmoeder. [minderjarige 2] verblijft bij de gezinshuisouders. [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij de moeder. 2.
  7. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 juli 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 10 augustus
  8. Daarnaast heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij de pleegmoeder, verlengd tot 10 februari
  9. Tevens heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 10 augustus 2024 en aansluitend daarop de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 10 november 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek en verwijzing ervan naar de meervoudige kamer in deze rechtbank. 2.
  10. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij afzonderlijke beschikking van 1 juli 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengd tot 10 augustus
  11. 3De (gewijzigde) verzoeken met zaaknummer C/10/673296 / FA RK 24-947 3.
  12. De vader heeft zijn verzoek van 25 mei 2023 gewijzigd, in die zin dat hij heeft verzocht de ouders met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen te belasten. met zaaknummer C/10/681295 / JE RK 24-1254 3.
  13. De GI heeft eerder verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De rechtbank moet nog een beslissing nemen over de resterende drie maanden, te weten de periode van 10 november 2024 tot 10 februari
  14. met zaaknummer C/10/687478 JE / RK 24-2207 3.
  15. De moeder komt in beroep tegen een beslissing ex artikel 1:265d, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) van de GI en verzoekt de beslissing van Jeugdzorg (de rechtbank begrijpt: de GI) te wijzigen en vast te stellen dat het verzoek van de moeder gehonoreerd moet worden, zodat de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] beëindigd wordt. 4De standpunten over de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] Het standpunt van de GI 4.
  16. De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op de briefrapportage van 30 september 2024 deelt de GI de laatste stand van zaken rondom de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] mee. De gezinshuisouders van [minderjarige 2] hebben bij de GI aangegeven dat het [minderjarige 2] niet lukt om zelfstandig structuur aan te brengen in haar dagelijkse activiteiten, zoals zich klaarmaken voor school of om te gaan slapen. Ook tandenpoetsen en douchen blijft een aandachtspunt voor [minderjarige 2] . Het gezinshuis werkt met een weekritmekaart waarop staat wat [minderjarige 2] op welk moment moet doen. Het is bekend dat bij [minderjarige 2] sprake is van een lager intelligentieniveau. Om die reden is het voor haar extra belangrijk dat er een duidelijk ritme en structuur is. De gezinshuisouders zien dat het voor de moeder lastig is om [minderjarige 2] de structuur die zij nodig heeft te bieden. Daarnaast verwacht de moeder een bepaalde mate van zelfstandigheid van [minderjarige 2] die zij niet heeft. Er zijn heel duidelijke afspraken gemaakt over het telefoongebruik van [minderjarige 2] . Toch wordt gezien dat [minderjarige 2] rond 4:00 uur of 5:00 uur in de nacht nog op haar telefoon zit in de weekenden dat zij bij de moeder is. Tevens zijn er zorgen over de beschikbaarheid van de moeder. Eerder gaf de moeder aan dat zij werkt in de avonduren en dat oma dan voor de kinderen zorgt. De moeder geeft nu aan dat zij niet meer werkt, terwijl zij op 7 oktober 2024 nog via een WhatsApp-bericht aan de GI liet weten niet naar een afspraak te kunnen komen vanwege haar werk. Een ander voorbeeld is dat er recent een uitje met het gezinshuis, naar Duinrell, gepland stond. Van te voren was afgesproken hoe laat [minderjarige 2] bij de moeder zou worden opgehaald. Toen de gezinshuisouders [minderjarige 2] wilden ophalen, was zij nog maar half aangekleed en had zij nog niet gegeten. [minderjarige 2] heeft toen verteld dat de moeder het was vergeten. Verder zijn een aantal belangrijke, praktische zaken, zoals de ID-kaart voor [minderjarige 2] en de medicatie voor haar jongere zus [minderjarige 4] , nog steeds niet geregeld door de moeder. Vorige week is de GI benaderd door Yulius, omdat er een klacht zou liggen van de moeder. Verder zou de moeder bij Yulius hebben aangegeven dat zij rust wenst en dat zij geen noodzaak ziet voor traumatherapie voor de kinderen. De GI ziet dat [minderjarige 2] bij het gezinshuis een groei doormaakt op het gebied van zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Dit werd vooral gezien toen [minderjarige 2] op vakantie was met het gezinshuis. In reactie op dat wat de bijzondere curatoren hebben gezegd over het perspectiefbesluit, geeft de GI aan dat zij het perspectiefbesluit nog moet uitwerken. De GI meent dat het perspectief van [minderjarige 2] in het gezinshuis ligt. Het is voor de moeder al lastig om structuur in haar eigen leven aan te brengen en dan heeft zij ook nog de zorg voor de twee jongste kinderen. Als [minderjarige 2] ook thuis zou komen wonen, is de kans groot dat het niet goed gaat. Daarmee komt ook de thuisplaatsing van de twee jongste kinderen op het spel te staan. De inzet van GezinTotaal heeft er niet toe geleid dat [minderjarige 2] terug kan naar de moeder. Het standpunt van de moeder 4.
  17. Namens en door de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder wil [minderjarige 2] weer thuis hebben. Eerder heeft de rechtbank beslist dat [minderjarige 2] tot 13 juni 2024 in het gezinshuis zou blijven en daarna terug naar de moeder zou gaan. Toch wordt de machtiging steeds weer verlengd. De moeder ziet aan [minderjarige 2] dat zij steeds ongelukkiger wordt. [minderjarige 2] is op zoek naar duidelijkheid. In het verslag van de bijzondere curatoren valt op dat zij vooral naar voren brengen dat het gezinshuis waar [minderjarige 2] nu verblijft zo goed is, terwijl zou moeten worden uitgelegd waarom [minderjarige 2] niet bij de moeder kan wonen. Er wordt gezegd dat [minderjarige 2] bij de moeder niet regelmatig doucht en niet op tijd op school komt. Niet iedereen denkt nu eenmaal hetzelfde over hoe vaak je per week zou moeten douchen. Daarnaast zou de moeder te veel op haar telefoon zitten en zou zij onbereikbaar zijn geweest. Het klopt dat het voor de moeder niet makkelijk is om voor drie of vier kinderen tegelijk te zorgen. Dat betekent echter niet dat zij het niet kan. De moeder draagt nu de dagelijkse zorg voor de jongste twee kinderen. Dat gezinshuisouder [persoon 1] een betere moeder of “supermoeder” zou zijn, mag niet betekenen dat [minderjarige 2] zomaar wordt weggehouden bij de moeder. Er wordt gezegd dat [minderjarige 2] een verstandelijke beperking heeft, maar het is niet duidelijk wie dat heeft vastgesteld. Volgens de moeder kan [minderjarige 2] rekenen, schrijven en lezen. Als [minderjarige 2] inderdaad een verstandelijke beperking heeft, zou het juist beter voor haar zijn om bij de moeder te wonen. De moeder erkent wel dat [minderjarige 2] een kind is dat veel hulp nodig heeft. Op vragen van de rechtbank antwoordt de moeder dat het klopt dat zij eerder in de avonduren werkte. Onlangs heeft de moeder tijdens een huisbezoek van de GI aangegeven dat zij al haar tijd aan de kinderen wil besteden en dat zij wil stoppen met werken. In reactie op dat wat door de GI is genoemd over Yulius wordt namens de moeder aangegeven dat het klopt dat de moeder een klacht heeft ingediend. Yulius heeft aangegeven dat de kinderen getraumatiseerd zijn, terwijl Yulius daar zelf geen onderzoek naar heeft gedaan. De moeder stelt dat niet is onderzocht over welke vaardigheden zij beschikt. Zij geeft zelf overal aan dat zij slecht is met tijden en dingen onthouden en dat zij daar hulp bij nodig heeft. Het standpunt van de vader 4.
  18. Namens en door de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. [minderjarige 2] moet weg uit het gezinshuis. Zij vindt het niet prettig daar. [minderjarige 2] heeft veel stress en slaapt niet goed. Daarom moet [minderjarige 2] terug naar de moeder. Hoewel de vader de zorgen over de draagkracht van de moeder deelt, wil hij liever dat [minderjarige 2] bij de moeder woont dan dat zij binnen een (ander) gezin(shuis) verblijft. De moeder zegt dat zij haar best doet. Er wordt met een Nederlandse blik naar de moeder gekeken, waardoor het lijkt alsof het in het gezinshuis fantastisch is. [minderjarige 2] kent een andere cultuur en had een ander eetpatroon. Zij was daarom niet gewend om een boterham te smeren. Dat de familie elkaar de hele dag belt, is [minderjarige 2] volgens de vader gewend. De zorgen die nu worden genoemd over de situatie bij de moeder thuis, zijn dezelfde zorgen die werden genoemd toen de kinderen nog bij de pleegmoeder woonden. Zonder enig onderzoek heeft de GI toen de kinderen bij de pleegmoeder weggehaald. De vader begrijpt niet meer wat de GI wil. Hij vindt dat [minderjarige 2] bij de moeder moet worden geplaatst. Dan wordt vanzelf duidelijk of dit goed gaat of niet. Het standpunt van de pleegmoeder 4.
  19. Namens en door de pleegmoeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De pleegmoeder ziet het liefst dat [minderjarige 2] bij haar wordt teruggeplaatst. Dat zou het meest in het belang van [minderjarige 2] zijn. [minderjarige 2] heeft eerder al vijf en een half jaar bij de pleegmoeder gewoond. De pleegmoeder kan [minderjarige 2] structuur bieden en doen wat nodig is voor haar. De pleegmoeder herkent de zorgen, maar meent dat die zorgen kunnen worden ondervangen met de inzet van hulpverlening. De hulpverlening kan in het kader van de ondertoezichtstelling worden ingezet. In het geval de rechtbank een andere beslissing neemt, wil de pleegmoeder de GI vragen om haar te betrekken in een perspectiefonderzoek. [minderjarige 2] geeft zelf ook aan dat zij het liefst bij de moeder en anders bij de pleegmoeder wil wonen. Het standpunt van de bijzondere curatoren 4.
  20. De bijzondere curatoren brengen tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren over de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Het advies van de bijzondere curatoren is niet gebaseerd op wie - de moeder of gezinshuisouder [persoon 1] - een betere opvoeder is. [minderjarige 2] heeft kindeigenproblematiek. Op school is een IQ-onderzoek gedaan en daaruit is naar voren gekomen dat [minderjarige 2] een IQ lager dan 70 heeft. Zij balanceert op het randje tussen zwakbegaafd en licht verstandelijk beperkt. In het gezinshuis wordt gezien dat [minderjarige 2] heel lang onvoldoende gestimuleerd is geweest in haar ontwikkeling. [minderjarige 2] heeft van de pleegmoeder wel veel liefde ontvangen, maar als het gaat om haar specifieke opvoedbehoeften is veel blijven liggen. [minderjarige 2] is een heel kinderlijk en kwetsbaar meisje dat veel ondersteuning nodig heeft. Uit gesprekken met de gezinshuisouders blijkt dat [minderjarige 2] bij elk stapje in het dagelijks leven steun nodig heeft van gezinshuisouder [persoon 1] . Dat - in combinatie met de stukken van iHub en de GI waaruit blijkt dat het voor de moeder al heel lastig lijkt te zijn om [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de juiste begeleiding te bieden - maakt dat de bijzondere curatoren verwachten dat het de moeder onvoldoende zal lukken om [minderjarige 2] te bieden wat zij nodig heeft om te kunnen ontwikkelen. [minderjarige 2] zegt dat zij bij de moeder wil wonen en als dat niet kan bij de stiefmoeder of andere familie. De ouders zeggen dat [minderjarige 2] ongelukkig is in het gezinshuis, maar dat is niet wat de bijzondere curatoren zien. [minderjarige 2] zoekt bij alles de steun van gezinshuisouder [persoon 1] op. Het is wel begrijpelijk dat [minderjarige 2] tegen haar familie zegt dat zij het in het gezinshuis niet leuk heeft, aangezien er van alle kanten aan haar wordt getrokken. Het is daarom heel belangrijk dat er een perspectiefbesluit wordt genomen door de GI. [minderjarige 2] houdt dit niet vol. [minderjarige 2] lijkt zelf ook wel te weten dat een terugplaatsing bij de moeder niet zomaar kan. Wanneer de bijzondere curatoren met [minderjarige 2] bespreken of zij bij de moeder kan wonen, geeft [minderjarige 2] aan dat zij de moeder toch kan helpen. De bijzondere curatoren verwachten dat een terugplaatsing van [minderjarige 2] niet succesvol zal zijn. Als het thuis niet goed gaat, zal [minderjarige 2] niet kunnen terugkeren in het gezinshuis. Bovendien zal met een plaatsing van [minderjarige 2] bij de moeder ook de thuisplaatsing van de twee jongste kinderen op de tocht komen te staan. De bijzondere curatoren denken dat [minderjarige 2] bij een voortzetting van haar verblijf in het gezinshuis het minst bedreigd zal worden in haar ontwikkeling. De bijzondere curatoren gunnen het [minderjarige 2] uiteraard zeer dat [minderjarige 2] fijn en regelmatig contact heeft met de moeder, haar (half)zussen, de vader en de pleegmoeder. Zoals de GI aangeeft, heeft de moeder al een half jaar geleden aangegeven dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige 4] start met medicatie, maar is het haar nog steeds niet gelukt om dat te regelen. Hierdoor kan [minderjarige 4] eigenlijk geen goede schoolgang hebben. Ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] geldt dat Yulius is gestopt omdat de kinderen niet meer gebracht of opgehaald werden. Yulius heeft toen aangegeven niet op die manier behandeling te kunnen bieden. Dat valt te betreuren, want beide kinderen hebben de behandeling hard nodig. Aan alles is te zien dat de moeder van de kinderen houdt. De moeder stelt dat het haar niet lukt om de kinderen de juiste begeleiding te bieden omdat zij geen hulp krijgt, maar zo draait zij de situatie om. Of de kinderen last hebben van trauma’s of niet, vaststaat dat de kinderen heel veel hebben meegemaakt. Daar moet je als ouders iets mee. In plaats daarvan dient de moeder een klacht in bij Yulius. De bijzondere curatoren vragen zich af of de moeder in staat is de juiste pedagogische keuzes te maken voor [minderjarige 2] . Ook GezinTotaal van iHub heeft daar twijfels over. Het standpunt van de Raad 4.
  21. De Raad sluit zich voor wat betreft de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] aan bij het standpunt van de bijzondere curatoren. De vader stelt voor om [minderjarige 2] bij de moeder te plaatsen en dan te zien of dit goed blijft gaan. Dat vindt de Raad gelet op alle genoemde risico’s geen goed plan. 5De standpunten over het verzoek tot gezamenlijk gezag Het standpunt van de vader 5.
  22. In aanvulling op het gewijzigd verzoek tot gezamenlijk gezag wordt door en namens de vader het volgende naar voren gebracht. De kinderen hebben vijf jaar lang bij de pleegmoeder gewoond. De vader heeft in die jaren hard gewerkt en alles gedaan voor de kinderen wat nodig was. Hij heeft de kinderen naar Yulius gebracht. Het traject bij Yulius is uiteindelijk gestopt omdat Yulius voorstelde om de kinderen wat tijd te geven. Over de aanvraag van kinderbijslag door de moeder heeft de vader niet eerder iets gehoord. Overigens had de vader tot dusverre geen gezag, dus heeft hij ook geen gezagskwesties kunnen belemmeren. De vader heeft zes jaar lang geen contact gehad met de moeder en geeft aan niets met de moeder te maken te hebben. Twee keer heeft de vader aangifte gedaan tegen de moeder, omdat zij hem overal volgt en hem wil “breken”. De moeder wil de vader nog altijd zwart maken. De vader heeft het contact tussen de moeder en de kinderen nooit tegengehouden. Voor de twee jongste kinderen was er een omgangsregeling. De twee oudste kinderen wilden geen omgang met de moeder. Nadat [minderjarige 2] was weggelopen, heeft zij de vader gebeld. De vader is een belangrijke factor en steunpilaar voor [minderjarige 2] . Hij moet als betrokken ouder “beloond” worden. De vader heeft er vertrouwen in dat uitvoering geven aan gezamenlijk gezag gaat lukken. De vader heeft geen problemen met de moeder. Zij valt de vader lastig, niet andersom. Als de rechtbank beslist om de vader niet mede met het gezag te belasten, zou het gezag van de moeder ook moeten worden beëindigd. Het standpunt van de moeder 5.
  23. Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. De vader spreekt nu redelijk positief over de moeder, maar dat was in het verleden anders. De moeder beschuldigt de vader ervan de kinderen moedwillig tegen haar te hebben opgestookt. Hij zou de kinderen duidelijk hebben gemaakt dat zij beter niet naar de moeder konden gaan. De moeder zou volgens de vader in pornofilms spelen. Voordat [minderjarige 2] is weggelopen bij de pleegmoeder, is er vijf jaar lang gevochten om omgang met de kinderen. Dit maakt dat de kinderen vijf jaar lang zijn belast met gerechtelijke procedures. De moeder vindt gezamenlijk gezag daarom geen goed idee. Daar komt bij dat zaken als het aanvragen van een ID-kaart en kinderbijslag nu blijven liggen, omdat de vader niet reageert. In het verleden werkte de vader ook niet altijd mee. Hij bracht de kinderen niet naar Yulius en ging niet langs bij de school van de kinderen. Het standpunt van de GI 5.
  24. Voor wat betreft het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag vraagt de GI zich af in hoeverre het de ouders zal lukken samen belangrijke afspraken te maken over de kinderen, bijvoorbeeld als het gaat om ID-kaarten, vakanties en de inschrijving van [minderjarige 3] op een middelbare school. De GI ontving vorige week een WhatsApp-bericht van de moeder met de vraag of de GI de vader kon bellen omdat de moeder [minderjarige 2] niet naar school kreeg. Toen de GI aangaf dat de moeder hierover zelf contact kan opnemen met de vader, gaf de moeder aan dat zij het telefoonnummer van de vader niet heeft. Verder baart het de GI zorgen dat de vader, toen [minderjarige 2] was weggelopen, de GI en de moeder niet had ingelicht dat [minderjarige 2] hem had gebeld en dat zij veilig was. Hierna heeft op 30 september 2024 een begeleid omgangsmoment tussen [minderjarige 2] en de vader plaatsgevonden. Er was zichtbaar liefde en ontspanning. Daarin ligt niet de zorg, wel in de overig genoemde punten. Voor wat betreft de gezagssituatie van [minderjarige 1] meent de GI eveneens dat een wijziging in de gezagssituatie niet aan de orde is. [minderjarige 1] gaat bijvoorbeeld momenteel vrijwel niet naar school. Het is nog de vraag of [minderjarige 1] bij de pleegmoeder kan blijven wonen, omdat zij daar nu niet tot ontwikkeling lijkt te komen. Het standpunt van de bijzondere curatoren 5.
  25. Over het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag, voor zover dit verzoek ziet op [minderjarige 2] , benoemen de bijzondere curatoren dat wat zich afspeelt tussen de ouders tijdens de mondelinge behandeling al voldoende weerspiegelt waarom gezamenlijk gezag niet aan de orde kan zijn. Het gaat de ouders niet lukken om gezamenlijk uitvoering te geven aan het gezag. Dat betekent niet dat de vader geen rol zou moeten hebben in het leven van [minderjarige 2] . Het standpunt van de Raad 5.
  26. Ten aanzien van het verzoek van de vader meent de Raad dat voor alle vier de kinderen geldt dat gezamenlijk gezag geen optie is. De ouders kunnen niet door een deur en gaan niet met elkaar in gesprek. Een basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt dan ook. [minderjarige 2] zit al klem en verloren tussen de ouders. Dat dit ook met [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zal gebeuren als de ouders gezamenlijk met het gezag worden belast, is evident. Voor [minderjarige 1] geldt dat het gezien haar woonsituatie een optie zou kunnen zijn om de vader te belasten met het eenhoofdig gezag, maar een dergelijk verzoek ligt niet meer voor. 6De beoordeling ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] 6.
  27. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] verlengen voor de resterende duur van drie maanden, te weten tot 10 februari
  28. 6.
  29. [minderjarige 2] is een kwetsbaar meisje met forse kindeigenproblematiek. Dat vraagt specifieke opvoedvaardigheden van een opvoeder. De inschatting is dat de moeder niet in staat is de zorg, structuur en begeleiding die [minderjarige 2] nodig heeft te bieden. De bijzondere curatoren noemen in het aanvullend verslag van 11 oktober 2024 – op basis van alle informatie die zij hebben ontvangen en na alle betrokkenen meerdere keren te hebben gesproken – een aantal voorbeelden: “Als [minderjarige 2] bij de moeder is, vervalt zij in het niet kunnen vasthouden van een goed dag- en nachtritme, te laat op school komen, geen goede zelfzorg, te lang op haar mobiele telefoon, haar moeder helpen.”. Verder lijkt het er volgens de bijzondere curatoren op dat de moeder niet altijd beschikbaar is, terwijl [minderjarige 2] dat wel nodig heeft. Deze zorgen worden ook door de GI benoemd. De moeder lijkt niet in te zien welke beperkingen [minderjarige 2] heeft en wat er voor nodig is om haar te ondersteunen bij de ADL-taken (algemeen dagelijkse levensverrichtingen), zoals de GI het noemt. Gezien wordt dat de moeder veel van [minderjarige 2] houdt, en andersom, maar dat [minderjarige 2] meer nodig heeft dan de moeder kan bieden. De moeder doet erg haar best, maar wordt hierin belast door haar eigen problematiek en de zorg voor de twee jongste kinderen die ook veel zorg en aandacht vergen. Uit het verslag van de bijzondere curatoren van 11 april 2024 en de bijbehorende bijlagen en het verslag van iHub van 13 september 2024 blijkt dat de zorg voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] veel van de moeder vergt en dat door de moeder nog onvoldoende de stappen worden gezet die voor beide kinderen noodzakelijk zijn. Zo lukt het de moeder nog niet om zich aan afspraken te houden waardoor twee huisbezoeken niet zijn doorgegaan en zij meerdere dagen onbereikbaar was voor de hulpverlening. Ook is al langere tijd duidelijk dat [minderjarige 3] een bril nodig heeft en dat [minderjarige 4] pijn heeft aan een voet, zonder dat hier een oplossing voor komt. Ook werkt de moeder niet mee aan de noodzakelijke traumatherapie bij Yulius. Hierdoor komen de ontwikkelingstaken van de kinderen verder onder druk te staan wat uiteraard niet in hun belang is. De moeder lijkt, ook met de inzet van hulpverlening, onvoldoende in te zien wat in het belang van de kinderen is en hier vervolgens naar te handelen. Dit maakt dat een plaatsing van [minderjarige 2] bij de moeder op dit moment te kwetsbaar is, voor [minderjarige 2] , maar ook voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . 6.
  30. De rechtbank begrijpt heel goed dat [minderjarige 2] aangeeft dat zij bij de moeder wil wonen. Dat lijkt een diepgewortelde en begrijpelijke wens van haar. De rechtbank merkt daarbij wel op dat [minderjarige 2] hierover niet echt haar eigen visie lijkt te kunnen vormen, nu zij dagelijks veelvuldig gebeld wordt door familieleden. Vaststaat dat het voor [minderjarige 2] belangrijk is dat zij contact heeft met haar familie. De rechtbank acht het echter niet in haar belang dat zij meerdere keren per dag gebeld wordt door familieleden. Dit brengt teveel onrust met zich mee voor [minderjarige 2] . Er wordt van alle kanten aan haar getrokken, waardoor zij (nog meer) last heeft van loyaliteitsproblemen. Alle betrokkenen moeten zich ervoor inzetten dat [minderjarige 2] zo min mogelijk last heeft van de situatie, zodat zij kan toekomen aan haar eigen ontwikkelingstaken en tot bloei kan komen. Dat lijkt het best te kunnen vanuit een situatie waarin [minderjarige 2] (in ieder geval doordeweeks) in het gezinshuis woont. 6.
  31. Inmiddels woont [minderjarige 2] al langere tijd in het gezinshuis. De gezinshuisouders bieden [minderjarige 2] de nodige structuur, steun en stabiliteit. Hoewel beide ouders aangeven dat [minderjarige 2] ongelukkig is in het gezinshuis, zien de bijzondere curatoren dat anders. De bijzondere curatoren hebben tijdens de verschillende bezoeken aan het gezinshuis ervaren dat [minderjarige 2] zich er fijn en veilig voelt. 6.
  32. De rechtbank is het eens met de bijzondere curatoren dat er duidelijkheid moet komen over het perspectief van [minderjarige 2] . Zoals de moeder terecht stelt, lijdt [minderjarige 2] onder de onzekerheid over waar zij kan (blijven) wonen. Het is aan de GI om een perspectiefbesluit te nemen. Van belang is dat [minderjarige 2] zo snel als mogelijk weet waar zij aan toe is. ten aanzien van het verzoek om beëindiging van de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] 6.
  33. Op grond van artikel 1:265d, tweede lid, BW kan de met het gezag belaste ouder wegens gewijzigde omstandigheden de gecertificeerde instelling verzoeken de uithuisplaatsing van een minderjarige te beëindigen. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat de gecertificeerde instelling binnen twee weken na ontvangst van het verzoek een schriftelijke beslissing geeft. De GI heeft per brief van 23 september 2024 aan de moeder laten weten dat zij het niet in het belang acht om de uithuisplaatsing (per direct) te beëindigen. Vervolgens kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken de machtiging geheel of gedeeltelijk in te trekken of de duur ervan te bekorten. De rechtbank heeft een dergelijk verzoek van de moeder ontvangen op 14 oktober
  34. 6.
  35. Gezien de voorgaande beslissing van de rechtbank over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] zal het verzoek van de moeder worden afgewezen. ten aanzien van het verzoek tot gezamenlijk gezag 6.
  36. Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Een dergelijk verzoek wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Een verzoek om gezamenlijk gezag kan daarom alleen worden afgewezen als zich een van de genoemde gronden van artikel 1:253c, tweede lid, BW voordoen. 6.
  37. Het risico dat een kind klem of verloren zou raken tussen de ouders kan zich met name voordoen als er sprake is van ernstige communicatieproblemen tussen de ouders. Dat is in deze situatie het geval. Uit de overgelegde stukken valt af te leiden dat de ouders elkaar diskwalificeren. Ook tijdens de mondelinge behandeling maakten de ouders elkaar over en weer forse verwijten. Verder heeft de vader naar voren gebracht dat er vijf tot zes jaar lang nauwelijks of geen contact is geweest tussen hem en de moeder en dat hij niets met de moeder te maken heeft. De moeder heeft aangegeven dat zij er geen vertrouwen in heeft dat de ouders gezamenlijk uitvoering kunnen geven aan het ouderlijk gezag. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank, zoals ook de Raad tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven, dat een basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. 6.
  38. Daar komt bij dat het de ouders niet lukt om de kinderen buiten de onderlinge strijd van de ouders te houden. Met name bij [minderjarige 2] wordt gezien dat zij klem en verloren is geraakt tussen de ouders en de familie van weerszijde. Ook ten aanzien van de andere kinderen bestaat het risico dat zij klem en verloren zouden raken tussen de ouders, wat met zich meebrengt dat het verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag moet worden afgewezen. Het is aan de moeder om gezagsbeslissingen over de kinderen te nemen en zich ervoor in te spannen dat al het nodige (zoals zorggerelateerde zaken en schoolinschrijvingen) voor hen wordt geregeld. 6.
  39. Ten aanzien van [minderjarige 1] geldt dat sprake is van een bijzondere situatie. De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , terwijl [minderjarige 1] bij de pleegmoeder verblijft. Hoewel de rechtbank inziet dat de gezagssituatie rondom [minderjarige 1] niet praktisch is, is de rechtbank, ook voor zover het [minderjarige 1] betreft, van oordeel dat er bij deze ouders geen basis is voor gezamenlijk gezag. 6.
  40. De rechtbank zal daarom het (gewijzigde) verzoek van de vader afwijzen. de terugkoppeling aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] 6.
  41. Zoals tijdens de kindgesprekken is afgesproken, zal de rechtbank een terugkoppeling aan de minderjarigen geven. De rechtbank heeft [minderjarige 2] een brief met de volgende passage gestuurd: ‘(…) De kinderrechters begrijpen heel goed dat het jouw wens is om bij mama te wonen, maar wij moeten ook goed kijken of dat wel het beste voor jou is. Wij vinden dat de situatie bij je moeder thuis nu niet goed genoeg voor jou is om bij haar te gaan wonen. De bijzondere curatoren zijn een aantal keer bij jou op bezoek geweest in het gezinshuis. In een brief aan ons hebben zij opgeschreven dat zij hebben gezien dat jij je meestal fijn en veilig voelt in het gezinshuis. Wij vertrouwen erop dat jouw gezinshuisouders jou goed kunnen helpen en steunen. Daarom hebben wij beslist dat jij nog bij het gezinshuis blijft wonen. Daarnaast hebben wij beslist dat papa niet samen met mama het gezag over jullie krijgt. Wij hebben gemerkt dat het papa en mama niet goed lukt om samen over belangrijke zaken met elkaar te overleggen. Daardoor zullen ze ook geen belangrijke beslissingen over jullie kunnen nemen. Wij vinden het voor jou en je zussen op dit moment het beste dat mama belangrijke beslissingen over jullie neemt, in overleg met de jeugdbeschermers. (…)’. 6.
  42. De rechtbank heeft [minderjarige 1] een brief met de volgende passage gestuurd: ‘(…) Wij hebben beslist dat papa niet samen met mama het gezag over jullie krijgt. Wij hebben gemerkt dat het papa en mama niet goed lukt om samen over belangrijke zaken met elkaar te overleggen. Daardoor zullen ze ook geen belangrijke beslissingen over jullie kunnen nemen. Wij vinden het voor jou en je zussen op dit moment het beste dat mama belangrijke beslissingen over jullie neemt, in overleg met de jeugdbeschermers. (…)’. 7De beslissing De rechtbank: ten aanzien van het verzoek van de GI met zaaknummer C/10/681295 / JE RK 24-1254 7.
  43. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 10 februari 2025; 7.
  44. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; ten aanzien van het verzoek van de moeder met zaaknummer C/10/687478 JE / RK 24-2207 7.
  45. wijst het verzoek van de moeder af; ten aanzien van het verzoek van de vader met zaaknummer C/10/673296 / FA RK 24-947 7.
  46. wijst het verzoek van de vader af. Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.P.G. Rietbergen en mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.