← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:13958

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10831003 CV EXPL 23-32649 datum uitspraak: 3 mei 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiseres] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] , eiseres, gemachtigde: mr. Th.C. Visser, tegen [gedaagde] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] , gedaagde, gemachtigde: mr. E.P.J. Verweij. De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 1 december 2023, met bijlagen; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek; de conclusie van dupliek. 2De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.
  2. [gedaagde] huurt van [eiseres] de bedrijfsruimte aan de [adres] in Rotterdam. In de bedrijfsruimte wordt door [gedaagde] horecagelegenheid ‘ [naam horecagelegenheid] ’ geëxploiteerd. Bij vonnis van 29 april 2022 van de rechtbank Rotterdam is – voor zover hier van belang – [eiseres] veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 19.980,52 als zijnde onverschuldigd betaalde huur vanwege een coronakorting. Bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 5 september 2023 is dat teruggedraaid. Om die reden moest [gedaagde] het bedrag van € 19.980,52 aan [eiseres] terugbetalen. Dat heeft [gedaagde] gedaan. [gedaagde] heeft ook de wettelijke rente over dit bedrag vergoed. De vraag die partijen verdeeld houdt is of over dit bedrag de wettelijke handelsrente of de wettelijke rente verschuldigd is. [eiseres] vordert een bedrag van € 1.808,53, zijnde het verschil tussen de wettelijke handelsrente en de wettelijke rente over de periode vanaf 16 mei 2022 tot en met 2 november
  3. [gedaagde] is het daar niet mee eens. De vordering wordt afgewezen 2.
  4. De vordering wordt afgewezen. De kantonrechter overweegt het volgende. Het gaat in deze procedure om een vordering tot terugbetaling van een bedrag naar aanleiding van een gedeeltelijk vernietigd vonnis. De verplichting tot vergoeding van de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW geldt indien betaling van het op grond van de desbetreffende handelsovereenkomst verschuldigde bedrag niet tijdig plaatsvindt. Dit artikel heeft, evenals de Europese richtlijn waarop dit artikel is terug te voeren, een beperkte reikwijdte. Met andere woorden: de bepaling heeft alleen betrekking op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst, i.e. de geldelijke tegenprestatie voor geleverde diensten op grond van een handelsovereenkomst, en niet op andere geldelijke verplichtingen (zie HR 8 december 2017 ECLI:NL:HR:2017:3106; HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1710 (Q-Park/Deka)). [eiseres] voert aan dat er in casu – in tegenstelling tot de casus die tot voornoemd arrest heeft geleid – niet teveel maar juist te weinig is betaald door de schuldenaar en de primaire betalingsverplichting (de verplichting om tijdig de huurprijs te voldoend) niet deugdelijk en volledig is voldaan. Dit wordt niet gevolgd. [gedaagde] heeft de huurprijs juist wél tijdig voldaan. Na het vonnis in eerste aanleg moest [eiseres] een deel daarvan terugbetalen. Deze terugbetaling is in hoger beroep teruggedraaid als zijnde bij nader inzien door [eiseres] onverschuldigd aan [gedaagde] terugbetaald. Over een vordering uit onverschuldigde betaling dient de wettelijke en niet de wettelijke handelsrente te worden berekend. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat genoemd artikel niet van toepassing is in het onderhavige geval waarin terugbetaling van een bedrag naar aanleiding van een gedeeltelijk vernietigd vonnis voorligt. [gedaagde] was slechts verplicht de wettelijke rente te betalen, niet de wettelijke handelsrente. Proceskosten 2.
  5. [eiseres] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 408,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 510,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. Uitvoerbaarheid bij voorraad 2.
  6. Dit vonnis wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  7. wijst de vordering af; 3.
  8. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 510,-; 3.
  9. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken. 932

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.