RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10623802 CV EXPL 23-20921 datum uitspraak: 8 maart 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Marcan Vastgoed B.V., vestigingsplaats: Barendrecht, eiseres, gemachtigde: mr. Th.C. Visser, tegen [gedaagde] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gedaagde, gemachtigde: mr. D.Y. Li. De partijen worden hierna ‘Marcan’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 13 juli 2024, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; de akte indienen producties tevens wijziging van eis van Marcan, met bijlagen; de akte indienen productie van Marcan, met één bijlage. 1.
- Op 8 februari 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: namens Marcan, de heer [persoon A] ( [functie] ) met mrs. Th.C. Visser en S. Nooteboom als gemachtigden; namens [gedaagde] , mevrouw [persoon B] (bestuurder) en de heer [persoon C] (bestuurder) met mr. D.Y. Li als gemachtigde. 2De beoordeling Wat is de kern? 2.
- Het gaat in deze zaak om het volgende. [gedaagde] huurt van Marcan de bedrijfspanden aan de [adres 1] en de [adres 2] . [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Marcan wil daarom dat de huurovereenkomsten worden ontbonden en dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de panden te ontruimen. Daarnaast vindt Marcan dat [gedaagde] de huurachterstand, de contractuele boete, de buitengerechtelijke kosten, de rente en de proces- en beslagkosten moet betalen. [gedaagde] is het er niet mee eens en wil dat de vordering wordt afgewezen. Kort geding vonnis 2 februari 2024 2.
- Op 19 januari 2024 heeft tussen partijen een kort geding plaatsgevonden over het onderhavige geschil. De kantonrechter heeft in die zaak op 2 februari 2024 vonnis gewezen. In dat vonnis heeft de kantonrechter [gedaagde] veroordeeld om de bedrijfspanden binnen 14 dagen na betekening van dat vonnis te ontruimen. Daarnaast is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van € 57.316,06 berekend tot en met januari 2024, € 1.384,16 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 1.800,- aan contractuele boete. Naast deze bedragen dient [gedaagde] tot aan de datum waarop de ontruiming plaatsvindt de gebruikelijke huur voor de bedrijfspanden te betalen. Akte vermeerdering van eis wordt niet toegelaten 2.
- Naar aanleiding van het kort geding vonnis heeft Marcan kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 8 februari 2024 een ‘akte vermeerdering van eis’ ingediend, waarin zij vanwege het kort geding vonnis haar eis heeft verminderd in die zin dat zij een aantal vorderingen ingetrokken heeft en de eis vermeerderd heeft in die zin dat zij ook de toekomstige huurpenningen ná ontruiming vordert. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze akte, omdat de akte niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend. Indien de akte wél wordt toegelaten, wil [gedaagde] nog graag een termijn om op de akte te reageren. 2.
- De kantonrechter laat de akte buiten beschouwing. De akte is inderdaad te laat ingediend en vanwege proceseconomische redenen is het niet wenselijk om [gedaagde] nog een termijn te geven om te reageren op de akte. Dit omdat de vorderingen die in kort geding al zijn toegewezen, niet nogmaals toegewezen kunnen worden en dan automatisch zullen leiden tot afwijzing daarvan. De kantonrechter zal daarom beslissen op de vordering van Marcan zoals geformuleerd in haar ‘akte indienen producties tevens wijziging van eis’. Huurachterstand 2.
- [gedaagde] heeft niet weersproken dat er berekend tot en met de maand januari 2024 een huurachterstand van € 57.316,06 bestond. Zij is reeds veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Dat de huur voor de maand februari 2024 vervolgens ook niet is betaald, is door [gedaagde] erkend. Zij zal daarom alsnog de huur van € 10.612,14 en € 8.486,14 aan Marcan moeten betalen. Deze bedragen worden toegewezen. Ontbinding huurovereenkomst 2.
- De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de rechter moet alle omstandigheden afwegen. De rechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat [gedaagde] financiële tegenvallers heeft gehad, waardoor zij de huur niet kon betalen. Dit komt echter voor haar rekening en risico en weegt niet op tegen het belang van Marcan bij een huurder die tijdig aan zijn of haar betalingsverplichtingen moet voldoen. Ontruiming en gebruikersvergoeding tot ontruiming 2.
- Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de bedrijfspanden met al haar spullen verlaten. Omdat de ontruiming al is toegewezen in het kort geding vonnis, kan de kantonrechter de ontruiming niet nog eens toewijzen. Ditzelfde geldt voor de gevorderde gebruikersvergoeding tot het moment van ontruiming. Buitengerechtelijke incassokosten en contractuele boete 2.
- Marcan heeft recht op betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, omdat aan alle voorwaarden hiervoor is voldaan. Ook de contractuele boete is [gedaagde] verschuldigd, omdat [gedaagde] de huur niet (op tijd) heeft betaald. De incassokosten en contractuele boete worden echter afgewezen, omdat [gedaagde] al tot betaling hiervan is veroordeeld in het kort geding vonnis. Rente 2.
- De wettelijke rente wordt toegewezen over de huur voor de maand februari 2024, omdat Marcan genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Proces- en beslagkosten 2.
- Op grond van artikel 706 Rv komen de beslagkosten voor toewijzing in aanmerking op de volgende wijze. Aan betekeningskosten zal een bedrag van € 80,64 worden toegewezen. Het toewijsbare griffierecht van het beslagrekest is vastgesteld op € 688,- en het salaris voor de advocaat op € 1.183,- (1 punt). 2.
- [gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Marcan op € 109,44 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 812,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 406,-) en € 135,- aan nakosten. Op het griffierecht van de onderhavige procedure wordt het griffierecht van het beslagrekest in mindering gebracht. Dat betekent dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 882,44 moet betalen. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen. Uitvoerbaarheid bij voorraad 2.
- Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan Marcan te betalen € 19.098,28 aan huurachterstand tot en met februari 2024 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald; 3.
- ontbindt de huurovereenkomsten tussen partijen met betrekking tot de bedrijfspanden aan de [adres 1] en de [adres 2] te Rotterdam; 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Marcan worden begroot op € 882,44 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken. 37555 Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810