← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:14110

RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 23/792 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2024 in de zaak tussen [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R. Bassie), en [naam verweerder] , verweerder (gemachtigde: mr. L. Harteveld). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 28 december 2022 (het bestreden besluit) waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het boetebesluit van 2 september 2022 ongegrond heeft verklaard. Verweerder heeft eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 10.000,- voor overtreding van bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften. 1.
  2. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2024 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [persoon A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. L. Harteveld. Ook is verschenen [persoon B] , dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Totstandkoming van het besluit
  3. Op 25 oktober 2021 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd bij een slachterij van eiseres op het adres [adres] , te [plaats] . De bevindingen van de toezichthouder zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 28 oktober 2021 (het rapport). Op basis daarvan heeft verweerder de bij het bestreden besluit gehandhaafde boete opgelegd. 2.
  4. Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat eiseres als bedrijfsexploitant niet waarborgt dat de in Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1099/2009 opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de eenvoudige bedwelming wordt gevolgd door een methode die de dood garandeert. Verweerder verwijst daarbij naar de bevindingen van de toezichthouder die heeft waargenomen dat twee kuikens na het passeren van het elektrische waterbad zonder te zijn aangesneden naar de broeibak werden getransporteerd en dat er geen controle werd uitgevoerd op de afwezigheid van tekenen van leven aan het eind van de bloedgoot, kort voordat de dieren de broeibak in gingen. De kuikens sterven volgens de toezichthouder door verdrinking/verbranding in de broeibak of door het aftrekken van de kop bij de koppentrekker gevolgd door verbloeding, met ernstig vermijdbare pijn en lijden als gevolg. Nu de halsslagaders van de twee kuikens niet systematisch werden doorgesneden werd de eenvoudige bedwelming in het waterbad niet zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert. Daarmee is twee maal in strijd gehandeld met artikel 3, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, Bijlage III, punt 3.2 van Verordening (EG) 1099/
  5. Dit levert een overtreding op van artikel 6:2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in verbinding met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren. Omdat sprake is van samenhang heeft verweerder eiseres voor één overtreding een boete opgelegd van € 10.000,-Dit is een verhoging van het standaardboetebedrag omdat volgens verweerder sprake is van recidive. Beoordeling door de rechtbank
  6. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid en de evenredigheid van de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  7. Eiseres voert als beroepsgrond aan dat de boete onevenredig hoog is, omdat de overtreding haar niet, althans verminderd, kan worden verweten. Daartoe betoogt zij dat zij haar slachtproces zo heeft ingericht dat na het moment van aansnijden nog een back-up mes en een aansnijder aanwezig zijn. Het is echter onvermijdbaar dat incidenteel een kuiken toch alle aansnijdmomenten mist, bijvoorbeeld door stuiptrekkingen en/of omdat het roodgekleurd is door de kuikens die ernaast hangen en wel zijn aangesneden. Het is voor een medewerker echter onmogelijk om dat ene kuiken dat niet goed is aangesneden uit de in totaal 170.000 kuikens die eiseres per dag slacht te halen. Gelet hierop staat de boete volgens eiseres niet in verhouding tot de ernst en het risico van de overtreding. Daar komt bij dat toepassing van de recidivebepaling bij slachterijen als eiseres leidt tot onevenredige gevolgen. De recidivebepaling wordt toegepast bij allerlei exploitanten, maar alleen bij slachterijen vindt permanent toezicht plaats. Daarmee is de kans dat een overtreding wordt geconstateerd vele malen groter dan bij andere bedrijven waar slechts een enkele keer wordt gecontroleerd. De wetgever lijkt zich daarvan niet bewust te zijn geweest. Voorts betoogt eiseres dat de terugkijktermijn van vijf jaar onevenredig lang is. Het zal voor eiseres praktisch gezien onmogelijk zijn om ooit onder de recidivebepaling uit te komen. 4.
  8. Deze beroepsgrond slaagt niet. 4.
  9. De aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete is aan te merken als een punitieve sanctie. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) brengt mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Volgens vaste jurisprudentie van het CBb (ECLI:NL:CBB:2023:54 en ECLI:NL:CBB:2022:433) vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. 4.
  10. In dit geval volgt uit het rapport dat in twee gevallen eenvoudige bedwelming niet zo spoedig mogelijk werd gevolgd door een methode die de dood garandeert, omdat de halsslagaders of de toevoerende bloedvaten niet systematisch werden doorgesneden. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid werd niet aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten werd er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werd bespaard. Daarmee is twee maal in strijd gehandeld met artikel 4, eerste lid van Verordening (EG) 1099/2009 in verbinding met artikel 15, eerste lid, en bijlage III, punt 3.2 van de verordening. Dit heeft eiseres niet bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid waarbij niet verbloede dieren sterven door verdrinking of verbranding in de broeibak of door het aftrekken van de kop bij de koppentrekker aan te merken als het berokkenen van ernstig en vermijdbaar lijden. Dit lijden had moeten worden voorkomen door een volledige bedwelming, gevolgd door het juist aansnijden en/of door de controle op tekenen van leven door de nacontroleur. Eiseres heeft erkend dat dat laatste niet is gebeurd. Onder deze omstandigheden kan worden gesproken van een ernstige aantasting van het dierenwelzijn. Gelet hierop heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien de hoogte van de boete op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving te verminderen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de overtredingen haar verminderd kunnen worden verweten en dat de boete om die reden zou moeten worden gematigd. Doordat tijdens de controle is geconstateerd dat twee kuikens niet waren aangesneden, ook niet door de nacontroleur, is bij deze dieren ernstig lijden ontstaan. Het ligt op de weg van eiseres om het slachtproces zo in te richten dat overtredingen worden voorkomen. Dat sprake is van een in hoge mate geautomatiseerd proces en dat eiseres naar gesteld 170.000 kuikens per dag verwerkt, doet daar niet aan af. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat het niet altijd goed zichtbaar is dat een kuiken niet goed is aangesneden, stelt de rechtbank vast dat de overtreding voor de toezichthouder wel goed zichtbaar was en dat eiseres dit zelf ook had moeten constateren. Eiseres dient er immers voor te zorgen dat de kuikens elke vermijdbare vorm van pijn, spanning en lijden moet worden bespaard. Nu uit het rapport volgt dat geen controle meer werd uitgevoerd op de afwezigheid van tekenen van leven totdat de dieren de broeibak in gingen, is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat eiseres alles in het werk heeft gesteld wat redelijkerwijs van haar verwacht had mogen worden om dit lijden te voorkomen. 4.3.
  11. Het betoog dat verweerder de boete niet heeft kunnen verhogen vanwege recidive volgt de rechtbank niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder twee overtredingen heeft geconstateerd, maar omdat sprake is van samenhang – het betreffen twee dezelfde overtredingen die tijdens één inspectie zijn vastgesteld – heeft verweerder voor beide feiten één boete opgelegd. In de bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de overtreding die hier aan de orde is aangemerkt als categorie 3 waarvoor een basisboete van € 2.500,- kan worden opgelegd. De rechtbank acht dit standaardbedrag voor deze overtreding niet onevenredig. Het met de verordening gediende doel – het waarborgen van dierenwelzijn – staat voorop. 4.3.
  12. In dit geval heeft verweerder de boete verhoogd naar € 10.000,- omdat eiseres bij besluit van 20 augustus 2021 (boetezaak [zaaknummer] ) eerder een boete van € 7.500,- heeft gekregen voor eenzelfde overtreding. Eiseres heeft dit niet betwist. Deze verhoging is in overeenstemming met artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. De rechtbank sluit zich aan bij de uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juni 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:4949) waarin toepassing van deze recidiveregeling, inclusief de terugkijktermijn van vijf jaar, op zichzelf niet onevenredig wordt geacht. De wetgever ziet recidive als een strafverzwarende omstandigheid en heeft er daarom nadrukkelijk voor gekozen om herhaling van een overtreding zwaarder te beboeten door het op te leggen bedrag te verhogen. Het doel van de boete is immers ook het afdoende voorkomen van herhaling in het specifieke geval (speciale preventie). Eiseres heeft opnieuw een overtreding begaan en juist die herhaling van de overtreding is een ernstige situatie en biedt grond voor het verhogen van de boete. De wetgever heeft geen maximum vastgesteld voor verhoging van boetes vanwege recidive. Dat neemt niet weg dat op een gegeven moment de conclusie kan zijn dat een boete na veelvuldige verhoging niet meer redelijk is te achten, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het geval. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Eiseres is een professionele partij die dagelijks met dieren werkt en het niet naleven van de voorschriften leidt ertoe dat dieren lijden is berokkend. De rechtbank vindt in dit geval de opgelegde boete van € 10.000,- evenredig, gelet op de aard en ernst van de geconstateerde overtreding en de omstandigheid dat eiseres deze overtreding voor de vierde maal heeft begaan. 4.3.
  13. Evenmin leidt het betoog van eiseres dat de toepassing van de recidivebepaling bij slachterijen met permanent toezicht tot onevenredige gevolgen leidt ten opzichte van bedrijven waar minder vaak wordt gecontroleerd, tot de conclusie dat de boete moeten worden gematigd. Verweerder heeft toegelicht dat het permanente toezicht in het geval van eiseres te maken heeft met de grote hoeveelheid dieren die dagelijks in haar bedrijf worden geslacht. Hierin bestaat geen verschil met slachterijen met een vergelijkbare omvang. Overigens is de rechtbank ambtshalve bekend dat de toezichthouder twee keer per dag gedurende vijf minuten controleert, terwijl binnen het bedrijf van eiseres gedurende ruim twaalf uur dieren worden geslacht. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de boete onevenredig hoog is (vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 1 december 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11160). Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep is ongegrond.
  15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. N.S.J. Letschert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 mei
  16. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.