← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:1887

Rechtbank Rotterdam Team insolventie toepassing schuldsaneringsregeling insolventienummer: [nummer01] uitspraakdatum: 7 februari 2024 [verzoeker01] , [adres01] , [postcode01] [woonplaats01] , verzoeker. 1 De procedure Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van 29 januari

  1. Daarbij zijn verschenen en gehoord: - de heer [verzoeker01] , verzoeker; - mevrouw A. van Galen, werkzaam bij Fidinda CBM, beschermingsbewindvoerder. De uitspraak is bepaald op heden. 2 De beoordeling Toelating tot de schuldsaneringsregeling Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek. Verzoeker zal daarom worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Eerdere ingangsdatum Ter zitting is besproken of een eerdere ingangsdatum van de regeling aan de orde is. Ten aanzien van de ingangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling overweegt de rechtbank als volgt. Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering en is 55,59% arbeidsongeschikt. Verzoeker heeft tegen de beslissing van het UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid bezwaar aangetekend op 8 maart
  2. Het UWV heeft nog geen beslissing op het bezwaar van verzoeker genomen. Verzoeker is thans deels arbeidsongeschikt. Hij heeft niet aanvullend gesolliciteerd. In dit geval kan de rechtbank niet vaststellen of verzoeker zijn inspanningsverplichting is nagekomen. Ten aanzien van de afdrachtplicht overweegt de rechtbank het volgende. Er zijn bedragen gereserveerd ten behoeve van de schuldeisers. In de periode januari 2022 tot en met februari 2023 is er maandelijks een bedrag van € 55,-- aan de boedel voldaan, terwijl op basis van het VTLB januari 2022 een bedrag van € 151,60 had moeten worden voldaan. In de periode maart 2023 tot en met oktober 2023 is er maandelijks een bedrag van € 175,52 afgedragen, terwijl er volgens de VTLB-berekening juli 2023 geen afdracht mogelijk is. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat het bedrag van € 175,52 per maand is voldaan uit het eerder gespaarde vermogen van verzoeker. Dat is gedaan om het bedrag dat te weinig is voldaan in de periode juni 2022 tot en met februari 2023 te compenseren. Dit laatste betekent dat niet uit het inkomen boven het vrij te inkomen is gespaard maar dat het vermogen van verzoeker is aangesproken. Daarmee neemt het voor uitdeling aan de schuldeisers beschikbare bedrag niet toe. De VTLB-berekening die geldt met ingang van januari 2023 ontbreekt. Nu behoudens één inkomensspecificatie de VTLB-berekeningen niet met stukken zijn onderbouwd en er door schuldhulpverlening geen schriftelijke toelichting is gegeven over de maandelijkse afdracht, kan de rechtbank niet beoordelen of verzoeker de verplichting om inkomsten boven het vrij te laten bedrag af te dragen, heeft nageleefd, temeer er niet conform de VTLB-berekening is afgedragen. De rechtbank wijst daarom het verzoek af en stelt de ingangsdatum van de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling vast op 7 februari
  3. Bevoegdheid rechtbank De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt. 3 De beslissing De rechtbank: - spreekt per de datum van dit vonnis de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoeker01] , geboren op [geboortedatum01] -1986 te [geboorteplaats01] , wonende te [adres01] , [postcode01] [woonplaats01] ; - stelt de termijn van de regeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 7 februari 2024, waardoor deze termijn eindigt op 7 augustus 2025; - benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema en tot bewindvoerder S.H.J. Nanuruw, gevestigd te Postbus 68, 2650 AB Berkel en Rodenrijs; - kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting; - geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen; - bepaalt dat schuldenaar zich tijdens de schuldsaneringsregeling onder beschermingsbewind houdt. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 februari
  4. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.