RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10760618 CV EXPL 23-28577 datum uitspraak: 8 maart 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats 1] , eiser, gemachtigde: mr. C.R. Stokman, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] , woonplaats: [woonplaats 2] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 13 oktober 2023, met bijlagen 1 tot en met 23; de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde] van 26 oktober 2023 en 23 november 2023; het schriftelijke antwoord van [gedaagde] ; de akte overlegging producties van [eiser] , met bijlagen 24 tot en met
- 1.
- Op 26 januari 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. [eiser] was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] was ook aanwezig. 2 De beoordeling Waar gaat deze zaak over? 2.
- [eiser] heeft opdracht gegeven aan [gedaagde] voor het verrichten van werkzaamheden aan de zolder van de woning van [eiser] . Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. De aanneemsom bedroeg in totaal € 7.865,- inclusief btw. [eiser] heeft € 4.932,- betaald. [eiser] vindt dat [gedaagde] de overeenkomst niet is nagekomen en hij eist daarom vervangende schadevergoeding. [gedaagde] heeft erkend dat hij het werk niet heeft afgemaakt. Hij heeft aangevoerd dat hij de overeenkomst al had opgezegd. 2.
- De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] (grotendeels) toe. Hierna wordt uitgelegd waarom. Ingebrekestelling en verzuim 2.
- Nadat [gedaagde] enige tijd geen werkzaamheden had uitgevoerd aan de zolder, heeft de gemachtigde van [eiser] bij brief van 30 mei 2022 [gedaagde] in gebreke gesteld. [gedaagde] is daarin gesommeerd om te bevestigen dat hij de overeenkomst zal nakomen en dat hij de overeengekomen werkzaamheden zal voltooien in de periode van 27 juni 2022 tot en met 8 juli
- Die termijn van twee werkweken vindt de kantonrechter redelijk. Volgens [gedaagde] zouden de werkzaamheden in totaal ook (ongeveer) twee weken in beslag nemen. De vraag of [gedaagde] de overeenkomst op 26 mei 2022 heeft opgezegd ( [eiser] heeft dat betwist) en of [gedaagde] wel mocht opzeggen is niet van belang. [gedaagde] heeft namelijk op 24 juni 2022 meegedeeld dat hij de werkzaamheden op 27 juni 2022 zou voortzetten. [gedaagde] heeft dat ook gedaan. Hij heeft dus weer uitvoering gegeven aan de overeenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] ook verklaard dat hij de klus bij [eiser] (toch) wilde afmaken. Daardoor heeft de door [gedaagde] gestelde eerdere opzegging geen effect gehad. [gedaagde] heeft het werk echter niet afgemaakt, ook niet nadat de gemachtigde van [eiser] op 1 juli 2022 [gedaagde] nogmaals er op heeft gewezen dat het werk echt op 8 juli 2022 klaar moet zijn. Omdat het werk niet was afgemaakt voor 9 juli 2022 is [gedaagde] in verzuim geraakt (artikel 6:82 lid 1 BW). Hieraan doet niet af dat [gedaagde] nog heeft aangeboden om het werk op 15 juli 2022 af te ronden. Dat was te laat. Het verweer van [gedaagde] dat hij tijdens de vakantie van [eiser] niet bij zijn gereedschap kon komen dat nog in de woning lag, kan verder in het midden blijven. [gedaagde] heeft geen (juridische) gevolgen verbonden aan dit verweer. Omzetting in vervangende schadevergoeding 2.
- Omdat [gedaagde] in verzuim is geraakt, was [eiser] gerechtigd om schadevergoeding in plaats van nakoming te vorderen (artikel 6:87 lid 1 BW). Dit heeft [eiser] ook gedaan in zijn e-mail van 3 augustus
- Hoogte vervangende schadevergoeding 2.
- In de dagvaarding heeft [eiser] een bedrag aan vervangende schadevergoeding gevorderd van in totaal € 7.381,- inclusief btw (€ 6.413,- plus € 968,-). Dat bedrag was gebaseerd op het rapport van [expertisebedrijf A] . [eiser] heeft opdracht gegeven aan [expertisebedrijf A] om onderzoek te doen naar de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden aan de zolder. [eiser] en [gedaagde] waren bij dit onderzoek aanwezig. Er heeft dus hoor en wederhoor plaatsgevonden. [expertisebedrijf A] heeft haar bevindingen vastgelegd in het rapport van 13 oktober
- Behalve dat het werk niet is afgemaakt, heeft [expertisebedrijf A] vastgesteld dat de multiplex stroken niet zijn verlijmd. [gedaagde] heeft dit ook erkend. 2.
- De daadwerkelijke afbouw- en herstelkosten zijn uitgekomen op € 6.581,40 inclusief btw. Dit bedrag blijkt ook uit de door [eiser] overgelegde eindfactuur van 6 januari 2023 van het door hem ingeschakelde aannemersbedrijf “ [bedrijf a] ”. Deze kosten zijn dus wat lager dan [expertisebedrijf A] had gedacht. Daarom heeft [eiser] zijn eis tijdens de zitting verminderd. Het bedrag van € 6.581,40 is niet betwist door [gedaagde] . De door [eiser] gevorderde vervangende schadevergoeding van € 6.581,40 wordt daarom toegewezen. Eindfactuur van [gedaagde] 2.
- [gedaagde] heeft een eindfactuur d.d. 11 juli 2022 van € 4.174,50 (inclusief btw) bij [eiser] in rekening gebracht. Deze rekening heeft [eiser] niet betaald. [eiser] heeft de verschuldigdheid van deze factuur betwist. Hij heeft aangevoerd dat hij al meer aan [gedaagde] heeft betaald (€ 4.932,-) dan het door hem uitgevoerde werk waard is. Dit vindt ook steun in het rapport van [expertisebedrijf A] . Daarin is vermeld dat de waarde van het werk dat [gedaagde] heeft gedaan in totaal € 3.276,- exclusief btw en dus € 3.963,96 inclusief btw is. [gedaagde] heeft dit niet betwist en hij heeft ook geen tegenvordering ingesteld. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij geen betaling hoeft van zijn slotfactuur. Het voorgaande betekent dat [eiser] niets meer is verschuldigd aan [gedaagde] . Kosten deskundigenrapport 2.
- De kosten van het door [expertisebedrijf A] verrichte onderzoek zijn € 1.754,50 (inclusief btw). Dit blijkt uit de factuur van [expertisebedrijf A] van 7 oktober
- Deze kosten zijn terecht gemaakt (zie r.o. 2.5) en zullen daarom als onweersproken worden toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 2.
- De incassokosten worden als onweersproken toegewezen tot een bedrag van € 958,08, passend bij de toewijsbare hoofdsom van € 8.335,90 (€ 6.581,40 + € 1.754,50). Rente 2.
- De rente wordt toegewezen over de hoofdsom van € 8.335,90, omdat [eiser] voor dit bedrag genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze rente moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Proceskosten 2.
- [gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 130,48 aan dagvaardingskosten, € 244,- aan griffierecht, € 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.187,
- Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen. Uitvoerbaarheid bij voorraad 2.
- Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). 3 De beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 8.335,90 aan hoofdsom en € 958,08 aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 8.335,90 vanaf 7 april 2023 tot aan de dag dat volledig is betaald; 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.187,48, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken. 764