vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/664704 / HA ZA 23-762 Vonnis van 20 maart 2024 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EUROPEAN BULK SERVICES (E.B.S.) B.V., gevestigd in Rotterdam, eiseres, advocaat mr. E.J.R. Verwey in Amsterdam, tegen de vennootschap naar buitenlands recht ACCIAIERIE D'ITALIA S.P.A., gevestigd in Milaan (Italië), gedaagde, advocaat mr. J.G.M. Roijers in Rotterdam. Partijen zullen hierna EBS en ADI genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 1 mei 2023, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; de brief van de rechtbank van 1 november 2023, waarin een mondelinge behandeling is bepaald op 6 februari 2024; de brief van de rechtbank van 21 december 2023, met instructies voor de mondelinge behandeling; de akte eiswijziging van EBS; de spreekaantekeningen van EBS; de spreekaantekeningen van ADI; de mondelinge behandeling van 6 februari 2024. 1.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de datum bepaald waarop er vonnis zal worden gewezen. 2De feiten 2.1. EBS is onderdeel van de HES International Groep. Deze groep exploiteert haventerminals in heel Europa, waaronder die van EBS, en is daarmee een grote aanbieder van op- en overslagdiensten in de liquid- en dry bulksector. EBS beschikt over een vloot met drijvende kranen. 2.2. ADI, voorheen geheten ArcelorMittal Italia S.p.A., is een Italiaanse staalfabrikant. Zij exploiteert een staalfabriek in de haven van Taranto, in de regio Puglia in Zuid-Italië. Op 10 juli 2019 is in deze haven door een storm schade ontstaan aan een kraan van ADI. Om die reden is ook een tweede kraan van ADI door de Italiaanse autoriteiten buiten bedrijf gesteld. ADI was hierdoor genoodzaakt een oplossing te zoeken voor het ontstane gat in haar laad- en loscapaciteit, waartoe zij contact heeft gezocht met EBS. 2.3. Op 7 en 8 augustus 2019 hebben [persoon A] (“ [persoon A] ”) en [persoon B] (“ [persoon B] ”) van EBS samen met een vertegenwoordiger van Rietlanden Terminals B.V (hierna: Rietlanden) een bezoek gebracht aan ADI in Taranto. Van ADI was onder andere [persoon C] (“ [persoon C] ”) aanwezig. 2.4. Op 26 augustus 2019 hebben [persoon C] en [persoon D] (“ [persoon D] ”) van ADI een bezoek gebracht aan EBS in Nederland. Van EBS waren [persoon A] en [persoon B] aanwezig, evenals een vertegenwoordiger van Rietlanden. 2.5. Tijdens en na afloop van deze bezoeken hebben EBS en ADI onder andere besproken dat één drijvende kraan (‘floating crane’) van EBS (de ‘Friendly Giant’) en één drijvende kraan van Rietlanden (de ‘Zeearend’) zou worden ingezet voor ADI en dat daarvoor voorbereidende werkzaamheden nodig zouden zijn. Er is een gezamenlijke tijdlijn afgesproken, waarbij het de bedoeling was om de kranen zo snel mogelijk naar Taranto te verplaatsen. 2.6. Op 2 september 2019 heeft [persoon A] een e-mail gestuurd aan onder andere [persoon C] en [persoon D] met het voorstel dat ADI de door EBS te maken kosten voor het geschikt maken van de kranen voor transport en verhuur garandeert tot een bedrag van € 300.000,00. EBS stelt voor om deze garantie op te nemen in een letter of intent, die zo snel mogelijk ondertekend zou moeten worden zodat EBS het door haar gereserveerde tijdslot voor het dokken van de kranen zou kunnen halen. 2.7. Bij e-mail van 4 september 2019 heeft ADI aan EBS een concept Statement of intent gestuurd. In dit concept verklaart zij de kosten voor het geschikt maken van de kranen voor transport en verhuur te garanderen tot een bedrag van € 350.000,00. Op 5 september 2019 heeft EBS aangegeven akkoord te zijn met de tekst van de Statement of intent en zij heeft deze aangevuld met de specificatie van haar kraan teruggestuurd aan ADI. Op 6 september 2019 heeft [persoon E] (“ [persoon E] ”) namens ADI de statement of intent (gedateerd 4 september 2019, hierna: statement of intent) ondertekend aan EBS gestuurd. De statement of intent luidt als volgt: “ Object: Statement of intent: Floating-crane Following our previous informal communications, we confirm that it is our intention, subject to the respect of the Italian regulations of the sector, to entrust a company, duly authorized to operate in the port area of the city of Taranto (Italy), after an appropriate tender, for the performance of the services of transshipment “at sea” of raw materials, by renting with operators the floating-crane type Lemniscate Crane model Floating Crane, of your property and better identified by the serial number no: 3632, Europ no: 2014.11.04251 The above stated and confirmed intention shall be considered valid and effective until 31 October 2019. In the light of the foregoing and without prejudice to the foregoing, should we – instead – take the decision not to proceed with the aforementioned entrustment to a duly authorized company of the services of transshipment of raw materials “at sea”, we hereby inform you that we will provide for the reimbursement of any documented direct costs caped at 350.000 € that you may have – in the meantime and no later than the indicated date of 31 October 2019 – possibly incurred to make the aforementioned floating-cranes suitable for rental and transfer. (…)” 2.8. Op 11 en 12 september 2019 bezocht EBS de fabriek van ADI in Taranto nogmaals, waarna zij ADI een aangepaste offerte heeft gestuurd voor de verhuur van de drijvende kranen. 2.9. Hierna is EBS van start gegaan met de voorbereidende werkzaamheden. Deze bestonden onder andere uit het verzorgen van de logistiek rondom het transport van de drijvende kranen naar Taranto, het technisch gereedmaken van de kranen (waarvoor de kranen zijn gedokt bij Damen Shiprepair), het verkrijgen van benodigde certificeringen (waarvoor Bureau Veritas is ingezet), het verkrijgen van toestemming van de lokale autoriteiten in Italië en het plannen en geven van trainingen aan personeel om de kranen te kunnen gebruiken. 2.10. Bij e-mail van 2 oktober 2019 aan onder andere [persoon F] (“ [persoon F] ”) en [persoon C] van ADI heeft [persoon G] , legal counsel van EBS, het volgende geschreven: “(…) both cranes will – if all goes well – be class certified within approximately 4 weeks. Please note that we are doing everything we can to have the cranes class certified a.s.a.p. and considerable costs are being incurred in that respect, but that we still do not have the confirmation from AMI and/or the Italian authorities that said certificates are sufficient for the operations in Taranto. We have received commitment from AMI for an amount of EUR 350k, but have exceeded that limit in the meantime. Consequently, we require additional commitment for the amount of 100k. (…)” 2.11. In vervolg op deze mail heeft [persoon A] bij e-mail van 3 oktober 2019 aan dezelfde geadresseerden van ADI onder meer het volgende geschreven: “Dear all, Following to [persoon G] ’ below email, please see attached the cost overviews for both floating cranes. Up to today the total amounts to EUR 530,516.03 and we therefore need additional commitment for cranes preparation for an amount of EUR 180k. Furthermore, we need to confirm the shipment before tomorrow, 4 October 2019, 4.00 PM. (…)” 2.12. Bij e-mail van 4 oktober 2019 heeft [persoon F] geantwoord dat ADI het vervoer van de kranen in oktober te riskant vond en vroeg zij om naar het eerstvolgende beschikbare tijdslot daarvoor in december 2019 te kijken. 2.13. Op 11 oktober 2019 heeft EBS per e-mail een factuur met nummer [factuurnummer 1] gestuurd aan ADI voor het bedrag van € 350.000,00, met een daarbij horend kostenoverzicht. 2.14. In reactie op de e-mail van EBS van 3 oktober 2019 (randnummer 2.11) heeft ADI op 28 oktober 2019 het volgende geschreven: “Dear [persoon A] , Well noted your request below with delays ( my apologies for that !) Please can you send copies of the invoices from your suppliers. We need of evidence of documents. (…)” 2.15. Op 1 november 2019 heeft EBS per e-mail een kredietfactuur voor de factuur met nummer [factuurnummer 1] en een nieuwe factuur met nummer [factuurnummer 2] voor een bedrag van € 310.941,41 gestuurd aan ADI. 2.16. Bij e-mail van 4 november 2019 heeft ADI de verdere onderhandelingen met EBS opgeschort. Tot een overeenkomst voor de verhuur van de kranen is het niet meer gekomen. 2.17. Bij brief van 14 juli 2020 heeft de advocaat van EBS ADI gesommeerd tot betaling van het bedrag van € 590.242,85. De Italiaanse advocaat van ADI heeft de aanspraak van EBS bij brief van 23 juli 2020 van de hand gewezen. 2.18. Bij brief van 27 juli 2020 heeft de advocaat van EBS ADI in gebreke gesteld voor een bedrag van € 617.691,00. Bij brief van 8 maart 2021 is dit bedrag verhoogd naar € 686.442,85 naar aanleiding van aanvullende facturen die EBS in de tussentijd van haar leveranciers had ontvangen en die zij aan ADI heeft doorbelast. De door EBS gestuurde facturen zijn weergegeven in onderstaand schema: Factuur Nummer Factuurdatum bedrag [factuurnummer 2] 1 november 2019 EUR 310.941,41 [factuurnummer 3] 14 november 2019 EUR 195.779,31 [factuurnummer 4] 22 november 2019 EUR 12.075,60 [factuurnummer 5] 16 december 2019 EUR 27.004,30 [factuurnummer 6] 16 december 2019 EUR 44.442,23 [factuurnummer 7] 8 maart 2021 EUR 52.550,00 [factuurnummer 7] 8 maart 2021 EUR 7.095,00 [factuurnummer 7] 8 maart 2021 EUR 36.555,00 2.19. Op 11 september 2020 heeft ADI EBS gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank in Taranto, Italië. ADI vorderde een verklaring voor recht dat zij niets aan EBS verschuldigd is. De rechtbank in Taranto heeft in die procedure bij vonnis van 29 juni 2022 de Italiaanse rechter onbevoegd verklaard en daarbij geoordeeld dat bevoegdheid wordt toegekend aan de Nederlandse rechter. De proceskosten van partijen zijn gecompenseerd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. 3Het geschil 3.1. EBS vordert – na vermeerdering van de eis – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. primair, a. ADI te veroordelen tot betaling van de hoofdsom van € 686.442,85 aan EBS binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis; b. ADI te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom conform artikel 6:119a BW vanaf de datum van het intreden van het verzuim per factuur tot aan de dag der algehele voldoening; c. ADI te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, de nakosten en buitengerechtelijke kosten daaronder begrepen. II. subsidiair, a. ADI te veroordelen tot betaling van de hoofdsom van € 350.000 aan EBS binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis; b. ADI te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom conform artikel 6:119a BW vanaf de datum van het intreden van het verzuim per factuur tot aan de dag der algehele voldoening; c. ADI te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, de nakosten en buitengerechtelijke kosten daaronder begrepen. III. zowel primair als subsidiair, ADI te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van een bedrag van € 98.068,32 (exclusief BTW) te vermeerderen met wettelijke rente conform artikel 6:119 BW vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. 3.2. Aan haar vorderingen legt EBS het volgende ten grondslag. EBS heeft in opdracht van ADI voorbereidingswerkzaamheden uitgevoerd voor het transport en de verhuur van drijvende kranen aan ADI. Hiervoor heeft EBS kosten gemaakt tot een bedrag van € 686.442,85, welke kosten aan ADI gefactureerd zijn. Op grond van de door ADI afgegeven garantie is ADI verplicht om deze kosten te vergoeden tot in ieder geval de limiet van € 350.000,00. Primair vordert EBS vergoeding van alle voorbereidingskosten omdat toepassing van de limiet in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Subsidiair vordert EBS op grond van artikel 3:296 lid 1 BW nakoming van de door ADI gegeven garantie en derhalve betaling van het overeengekomen bedrag van € 350.000,00. Zowel primair als subsidiair vordert EBS de door haar gemaakte advocaatkosten voor het voeren van de procedure tegen ADI in Italië. EBS stelt daartoe dat ADI misbruik heeft gemaakt van (proces)recht door een evident ongegronde vordering tegen EBS in te stellen. 3.3. ADI voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van EBS, althans tot afwijzing van de vorderingen van EBS, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van EBS in de proceskosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling De zaak in het kort 4.1. Deze zaak gaat over de vraag of EBS recht heeft op betaling van de door haar gemaakte kosten ter voorbereiding op de mogelijke verhuur aan ADI van twee drijvende kranen en voor het transport van deze kranen naar Italië. De rechtbank is van oordeel dat EBS recht heeft op betaling van het bedrag van € 350.000,00 dat door ADI als maximum is toegezegd. Er is geen reden om deze overeengekomen limiet buiten toepassing te laten. EBS heeft geen recht op schadevergoeding omdat ADI eerst in Italië een evident ongegronde procedure is gestart. De motivering van dit oordeel is als volgt. Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.2. Omdat ADI gevestigd is in Italië kent deze zaak een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en of de rechtbank Rotterdam bevoegd is om van de vorderingen van EBS kennis te nemen. 4.3. Voor wat betreft de primaire en subsidiaire vordering die ertoe strekt dat ADI zal worden veroordeeld tot nakoming van een tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden gebaseerd op artikel 7 lid 1 Brussel I bis Verordening (“Brussel I bis”). De vordering van EBS ziet op vergoeding van door haar voor ADI gemaakte kosten van voorbereidingswerkzaamheden. Het grootste deel van deze werkzaamheden heeft EBS uitgevoerd vanuit haar kantoor in Rotterdam, zodat de rechtbank in Rotterdam bevoegd is om kennis te nemen van de vordering. De rechtbank baseert haar bevoegdheid voor de beoordeling van de door EBS ingestelde vordering onder III tot betaling van schadevergoeding op artikel 26 Brussel I bis. ADI is verschenen in de procedure en niet met als doel om de bevoegdheid te betwisten. 4.4. Vervolgens ligt de vraag voor welk recht van toepassing is op de vorderingen van EBS. Het toepasselijk recht op de primaire en subsidiaire vordering tot nakoming van de overeenkomst moet worden bepaald aan de hand van de Rome I-Verordening. Op grond van artikel 4 lid 2 Rome I-Verordening is Nederlands recht van toepassing op deze vordering. De kenmerkende prestatie bestond uit het verrichten van de werkzaamheden door EBS vanuit Nederland om de drijvende kranen geschikt te maken voor verhuur en vervoer naar Italië. Op de vordering tot betaling van schadevergoeding is Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening. De door EBS gestelde schade (de door haar gemaakte advocaatkosten voor het voeren van de Italiaanse procedure) doet zich voor in haar vermogen in Nederland. Eisvermeerdering 4.5. Tegen de eiswijziging van EBS, die neerkomt op een eisvermeerdering, heeft ADI geen bezwaar gemaakt en de rechtbank vindt deze ook niet in strijd met de goede procesorde. Op grond van artikel 130 lid 1 Rv zal de rechtbank dan ook de hiervoor onder 3.1 weergegeven vordering van EBS beoordelen. De rechtbank ziet aanleiding om daarbij eerst in te gaan op de subsidiaire vordering. De overeenkomst tot vergoeding van de voorbereidingskosten van EBS 4.6. EBS grondt haar subsidiaire vordering op de statement of intent (randnummer 2.7). Ter voorbereiding op de mogelijke verhuur en transport van haar drijvende kraan heeft zij kosten gemaakt. ADI moet deze kosten in ieder geval vergoeden tot het overeengekomen bedrag van € 350.000,00. 4.7. ADI betwist om te beginnen dat sprake is van een overeenkomst. Volgens haar kwalificeert de statement of intent slechts als een uitnodiging tot het doen van een formeel aanbod. 4.8. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 lid 1 BW). Beoordeeld moet dus worden of er over de dekking van de door EBS te maken kosten door de ene partij een aanbod is gedaan dat door de andere partij is aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Uit de mailcorrespondentie tussen partijen voorafgaand aan het versturen van de statement of intent (randnummers 2.6 en 2.7) en uit de onbetwiste toelichting bij de mondelinge behandeling door de legal counsel van EBS volgt dat EBS op 2 september 2019 heeft gevraagd om een dekking van de kosten. ADI heeft daarop een concept voor de statement of intent gestuurd, met daarin opgenomen de kostenlimiet van € 350.000,00. Na aanvulling met details van de kraan en akkoord op de tekst van de statement of intent door EBS, heeft ADI de door haar ondertekende statement of intent aan EBS gestuurd. Daarmee is sprake van een aanbod door ADI en de aanvaarding van dat aanbod door EBS. 4.9. ADI heeft verder aangevoerd dat de afspraak over de kosten onbevoegd is gemaakt. [persoon E] , die de statement of intent heeft ondertekend, is alleen bevoegd tot het verrichten van bepaalde (rechts)handelingen met betrekking tot het kantoor van ADI in Milaan. Ter onderbouwing daarvan wijst ADI op twee ‘powers of attorney’. EBS voert hiertegen het volgende aan. ADI heeft dit verweer pas in de Italiaanse procedure voor het eerst gevoerd. EBS mocht er redelijkerwijs op vertrouwen dat de personen die betrokken waren vanuit ADI bevoegd waren om ADI te vertegenwoordigen. Dezelfde personen hadden ADI al vaker vertegenwoordigd in onderhandelingen. Bovendien was [persoon C] , een van de bestuurders van ADI, exact op de hoogte van de inhoud van de afspraken waar ADI zich aan gebonden heeft. 4.10. De rechtbank overweegt dat ADI gebonden is aan de statement of intent. De daarin neergelegde afspraak over vergoeding van kosten is de uitkomst van gesprekken tussen partijen, waarbij aan de zijde van ADI steeds [persoon C] betrokken is geweest. Niet in geschil is dat [persoon C] door ADI aan EBS is gepresenteerd als COO (chief operating officer) en als lid van het management van de fabriek van ADI in Taranto met beslissingsbevoegdheid. [persoon C] is ook bij EBS op bezoek geweest in Nederland en hij is opgenomen in de mailcorrespondentie voorafgaand aan de ondertekening van de statement of intent, waaronder in de e-mail waarmee het concept voor de statement of intent op 4 september 2019 door ADI aan EBS is gestuurd (randnummer 2.7). EBS mocht er op grond van deze omstandigheden gerechtvaardigd van uitgaan dat de e-mail van 4 september 2019 met het voorstel mede door [persoon C] namens ADI werd gedaan. Bovendien heeft EBS onbetwist gesteld dat zij al eerder met entiteiten binnen het concern ArcelorMittal zaken heeft gedaan (onder meer) in de persoon van [persoon C] . Dus afgezien van de vraag of er voor [persoon E] als ondertekenaar van de statement of intent een beperking gold in zijn bevoegdheid om ADI te vertegenwoordigen, is door ADI de schijn gewekt dat [persoon C] en [persoon E] bevoegd waren om het voorstel voor de statement of intent namens haar te doen (artikel 3:61 lid 2 BW). Dat betekent dat ADI gebonden is aan het door [persoon C] en [persoon E] namens haar gedane voorstel voor vergoeding van de kosten van EBS. ADI heeft bij de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat de bevoegdheid van [persoon C] beperkt was tot een bedrag van € 50.000,00 en dat hij ADI niet zelfstandig kon binden. Als dit al juist is -ADI heeft dit verweer niet verder onderbouwd- dan betekent dat niet dat daarmee de door ADI gewekte schijn van de bevoegdheid van [persoon C] om haar te vertegenwoordigen opzij wordt gezet. 4.11. Tussen partijen is verder in geschil of de kosten van Rietlanden voor de voorbereidende werkzaamheden voor de kraan van Rietlanden onder de afspraak tussen partijen vallen. Volgens EBS is dat het geval omdat uit de correspondentie tussen partijen duidelijk volgt dat het ook ging om de kraan van Rietlanden. Volgens ADI vallen de kosten van Rietlanden niet onder de afspraak omdat de kraan van Rietlanden niet als zodanig is opgenomen in de statement of intent. De rechtbank overweegt dat het antwoord op deze vraag in het midden kan blijven. Zoals hierna zal worden geoordeeld, moet ADI de kosten van EBS vergoeden tot de overeengekomen limiet, terwijl de kosten die EBS heeft gemaakt voor haar eigen kraan al hoger zijn dan deze limiet. Bovendien heeft EBS bij de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat zij met Rietlanden een afspraak heeft gemaakt over de kosten voor de kraan van Rietlanden. Die kosten zijn voor EBS geen ‘cash-out’ geweest. ADI moet de kosten van EBS tot de overeengekomen limiet betalen 4.12. EBS heeft de door haar gemaakte kosten ter voorbereiding op de verhuur en het transport van de drijvende kranen aan ADI gefactureerd met de hiervoor in 2.18 weergegeven facturen. Als onderbouwing van deze facturen heeft EBS de onderliggende facturen van haar toeleveranciers aan ADI gestuurd. Deze onderliggende facturen heeft EBS ook in het geding gebracht. 4.13. ADI voert samengevat het volgende verweer tegen de vordering van EBS. Zij betwist (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.